Occulte verhalen
H.P. Blavatsky en W.Q. Judge

isbn 9789070328733, paperback, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever iets worden overgenomen.

© 2010  Theosophical University Press Agency

 

 
      Inhoudsopgave     
 
Kan het astrale lichaam een moord plegen?
 

Aan de redacteur van The Sun:

Geachte heer – op een ochtend in 1868 werd Oost-Europa opgeschrikt door bijzonder schokkend nieuws. Michael Obrenovitsj, de heersende vorst van Servië, zijn tante, prinses Katherina of Katinka, en haar dochter waren op klaarlichte dag vermoord, vlakbij Belgrado, in hun eigen tuin; de moordenaar of moordenaars bleven onbekend. De vorst had verschillende schot- en steekwonden, en zijn lichaam was in feite afgeslacht; de prinses was ter plekke gedood, haar hoofd stukgeslagen, en men verwachtte dat haar jonge dochter, hoewel nog in leven, het niet zou halen. De gebeurtenissen zijn zo recent dat ze nog niet zijn vergeten, maar in dat deel van de wereld leidde de zaak in die tijd tot een waanzinnige opwinding.

In de gebieden die onder Oostenrijk ressorteerden en in die onder het twijfelachtige protectoraat van Turkije, van Boekarest tot Triëst, voelde geen familie van hoge afkomst zich veilig. In die halfoosterse landen heeft elke Montecchi zijn Capuletti, en het gerucht ging dat de bloedige daad werd gepleegd door de vorst Kara-Gueorguevitsj, of ‘Tzerno-Gueorgej’, zoals hij in die streken wordt genoemd. Verschillende mensen die geen schuld hadden aan de daad, werden, zoals in die gevallen gebruikelijk is, gevangengezet en de werkelijke moordenaars ontsnapten aan het gerecht. Een jong familielid van het slachtoffer, heel geliefd door zijn volk, slechts een kind, en voor dat doel van een school in Parijs gehaald, werd ceremonieel naar Belgrado overgebracht en tot Hospodar van Servië uitgeroepen. In de verwarring door de politieke spanning werd de tragedie van Belgrado vergeten door allen behalve een oude Servische huishoudster die in dienst was geweest bij de familie Obrenovitsj, en die evenals Rachel, niet was te troosten over het verlies van haar kinderen. Na het uitroepen van de jonge Obrenovitsj, neef van de vermoorde man, had ze haar bezit verkocht en verdween; maar niet voordat ze op de graven van de slachtoffers een plechtige gelofte deed om hun dood te wreken.

De schrijfster van dit waar gebeurde verhaal had, ongeveer drie maanden vóór de verschrikkelijke daad werd gepleegd, enkele dagen in Belgrado doorgebracht, en kende prinses Katinka. Thuis was ze een vriendelijke, zachtaardige en luie vrouw; maar in het buitenland scheen ze een Parisienne in haar ontwikkeling en manier van doen. Omdat bijna alle personen die in dit waarheidsgetrouwe verhaal voorkomen nog leven, is het alleen maar fatsoenlijk dat ik hun namen niet geef en slechts initialen gebruik.

De oude Servische dame verliet haar huis zelden, en zocht de prinses maar af en toe op. Gehurkt op een stapel kussens en tapijten, gekleed in de schilderachtige nationale dracht, zag ze eruit als de sibille van Cumae in haar dagen van kalme rust. Er werden vreemde verhalen verspreid over haar occulte kennis, en aangrijpende verslagen deden soms de ronde onder de gasten die zich hadden verzameld bij het haardvuur van de bescheiden herberg. De dikke nicht van de ongehuwde tante van onze landheer was de laatste tijd door een rondzwervende vampier lastiggevallen, en was na zijn nachtelijk bezoek bijna doodgebloed, en terwijl de inspanningen en uitbanning door de plaatselijke priester vergeefs waren geweest, werd het slachtoffer gelukkig bevrijd door Gospoja P—, die de verstorende geest op de vlucht joeg enkel door haar vuist tegen hem te schudden, en hem in zijn eigen taal beschaamd deed staan. In Belgrado hoorde ik voor het eerst dit interessante filologische feit dat spoken hun eigen taal hebben. De oude dame, die ik Gospoja P— zal noemen, werd in het algemeen begeleid door een andere figuur die in ons verhaal de hoofdrol zou spelen. Het was een jong zigeunermeisje uit een streek in Roemenië en ongeveer veertien jaar oud. Waar ze was geboren en wie ze was, scheen ze evenmin te weten als iemand anders. Mij werd verteld dat ze op een dag was meegebracht door een groep rondtrekkende zigeuners, en achtergelaten op het erf van de oude dame, en vanaf dat moment werd ze een bewoonster van het huis. Ze kreeg de bijnaam ‘het slapende meisje’, omdat ze het vermogen had om kennelijk overal in slaap te kunnen vallen waar ze zich ook maar bevond, en ze sprak haar dromen hardop. De heidense naam van het meisje was Frosja.

Ongeveer achttien maanden nadat het nieuws van de moord Italië had bereikt, waar ik me toen bevond, reisde ik in mijn kleine wagen door de Banaat, en huurde een paard telkens wanneer ik er een nodig had. Ik ontmoette onderweg een oude Fransman, een wetenschapper, die evenals ik alleen reisde, maar met dit verschil dat terwijl hij een voetganger was, ik op een hobbelende wagen vanuit de hoogte van een troon van droog hooi de weg overzag. Op een prachtige ochtend trof ik hem aan terwijl hij lag te slapen tussen een massa struiken en bloemen, en ik had hem bijna over het hoofd gezien, omdat ik geheel was verzonken in bespiegelingen over het omringende glorieuze landschap. We maakten snel kennis, maar formaliteiten waren daarbij niet nodig. Ik had zijn naam horen noemen in kringen die geïnteresseerd waren in het mesmerisme, en wist dat hij een groot deskundige was in de school van Du Potet.

Nadat ik hem ertoe bracht mijn zetel van hooi met me te delen, merkte hij in de loop van het gesprek op: ‘Ik heb een van de wonderlijkste proefpersonen gevonden in deze schitterende thebaïde. Ik heb vanavond een afspraak met de familie. Ze proberen met behulp van de helderziendheid van het meisje het mysterie van een moord te ontrafelen. Zij is heel bijzonder!’

‘Wie is ze?’ vroeg ik.

‘Een Roemeense zigeunerin. Ze werd opgevoed, naar het schijnt, door de familie van de heersende vorst van Servië, die nu niet meer regeert, omdat hij op mysterieuze wijze is verm—. Hallo, pas op! Duvels, je jaagt ons de afgrond in!’ riep hij gehaast, en greep de teugels ruw uit mijn handen, en gaf het paard een krachtige ruk.

‘U bedoelt toch niet vorst Obrenovitsj?’ vroeg ik ontzet.

‘Ja, die bedoel ik precies. Vanavond moet ik er zijn, en hoop een reeks seances af te sluiten door tenslotte een heel bijzondere manifestatie teweeg te brengen van de verborgen kracht van de menselijke geest; en u kunt met me meekomen. Ik zal u introduceren; en bovendien kunt u me helpen als een tolk, want ze spreken geen Frans.’

Omdat ik er vrij zeker van was dat als het medium Frosja was, de rest van de familie Gospoja P— moest zijn, nam ik de uitnodiging dadelijk aan. Tegen zonsondergang waren we aan de voet van de berg waar de weg begint naar het oude kasteel, zoals de Fransman die plek noemde. Ze verdiende in alle opzichten de poëtische naam die eraan werd gegeven. Er was een ruwe bank in de diepten van een van de schaduwachtige schuilplaatsen, en toen we stopten bij de ingang van deze poëtische plek, en de Fransman op de er verdacht uitziende brug die over het water leidde naar de toegangspoort zich hoffelijk om mijn paard bekommerde, zag ik een lange figuur langzaam van de bank opstaan en naar ons toekomen.

Het was mijn oude vriendin Gospoja P—, die er bleker en mysterieuzer uitzag dan ooit. Ze toonde geen verbazing toen ze me zag, maar begroette me eenvoudig op de Servische manier, met een drievoudige kus op beide wangen; ze nam mijn hand en leidde me rechtstreeks naar het bed van klimop. Half achteroverleunend op een kleedje, uitgespreid op het hoge gras, met haar rug tegen de muur, herkende ik onze Frosja.

Ze droeg de nationale dracht van de Walachijse vrouwen, een soort tulband van gaas versierd met verschillende vergulde medailles en linten, een witte blouse met open mouwen en petticoats van verschillende kleuren. Haar gezicht zag doodsbleek, haar ogen waren gesloten en haar gelaat vertoonde de strakke, sfinxachtige blik die op zo’n merkwaardige manier karakteristiek is voor een helderziend medium in trance. Als haar borst, versierd met rijen medailles en halssnoeren van kralen die zwak rinkelden bij iedere ademhaling, niet een op en neer gaande beweging had gemaakt, zou men hebben kunnen denken dat ze dood was, zo levenloos en lijkachtig was haar gezicht. De Fransman vertelde me dat hij haar in slaap had gebracht op het moment dat we het huis naderden, en dat ze nu was zoals hij haar de vorige avond had achtergelaten; hij begon zich toen bezig te houden met het sujet, zoals hij Frosja noemde. Hij besteedde verder geen aandacht aan ons, schudde haar bij de hand, en maakte toen een paar snelle handbewegingen en strekte haar arm uit en deed deze verstijven. De arm, onbuigzaam als ijzer, bleef in die positie. Hij sloot toen al haar vingers op een na – de middelvinger – die hij liet wijzen naar de avondster, die fonkelde aan de diepblauwe hemel. Toen draaide hij zich om en ging van rechts naar links en nu eens wierp hij enkele van zijn vloeistoffen hier, dan weer sprenkelde hij ze op een andere plek; hij was bezig met zijn onzichtbare maar krachtige vloeistoffen, zoals een schilder met zijn kwast de laatste streken op een schilderij aanbrengt.

De oude dame die hem stil had gadegeslagen, al die tijd met de kin op haar hand, legde haar dunne skeletachtige handen op zijn arm en hield die vast toen hij zich voorbereidde om de gebruikelijke mesmerische handbewegingen te maken.

‘Wacht’, fluisterde ze, ‘tot de ster is ondergegaan en het negende uur is volgemaakt. De Vourdalaki zweven rond; ze kunnen de invloed bederven.’

‘Wat zegt ze?’ vroeg de mesmerist, geïrriteerd door haar inmenging.

Ik legde hem uit dat de oude dame bang was voor de kwaadaardige invloed van de Vourdalaki.

‘Vourdalaki! Wat zijn dat, de Vourdalaki?’ riep de Fransman. ‘Laten we tevreden zijn met christelijke geesten, als ze ons vanavond met een bezoek vereren, en geen tijd verliezen aan de Vourdalaki.’

Ik keek naar de Gospoja. Zij was doodsbleek geworden en haar wenkbrauwen waren streng gefronst boven haar vlammende zwarte ogen.

‘Zeg hem geen grappen te maken op dit uur van de nacht’, riep ze. ‘Hij kent dit land niet. Zelfs de heilige kerk kan tekortschieten om ons te beschermen als de Vourdalaki eenmaal zijn opgewekt. Wat is dat?’ ze duwde met haar voet tegen een bundel kruiden die de mesmerist en botanist dichtbij op het gras had gelegd. Ze boog zich over de verzameling en onderzocht bezorgd de inhoud van de bundel, waarna ze alles in het water wierp.

‘Het moet hier niet blijven slingeren’, voegde ze er met kracht aan toe.‘Dit is sint-janskruid en dat kan de rondzwervende geesten aantrekken.’

Intussen was de nacht gevallen, en de maan verlichtte het landschap met een bleek, spookachtig licht. De nachten in de Banaat zijn bijna even mooi als in het Oosten, en de Fransman moest verdergaan met zijn experimenten in de openlucht, omdat de priester van de kerk dergelijke zaken in de toren, die als pastorie werd gebruikt, had verboden uit angst dat die heilige ruimte zich zou vullen met de ketterse duivels van de mesmerist die, zo merkte de priester op, hij niet zou kunnen uitbannen omdat ze vreemdelingen waren.

De oude heer had zijn reisjas uitgedaan, rolde zijn mouwen op, nam nu een theatrale houding aan en begon een geordend proces van mesmerisatie.

Onder invloed van zijn bevende vingers scheen het etherische fluïdum in de schemering werkelijk op te flitsen. Frosja werd met haar gezicht naar de maan geplaatst, en iedere beweging van het meisje in trance was te onderscheiden alsof er daglicht was. Na enkele minuten verschenen er grote druppels zweet op haar voorhoofd, en rolden langzaam langs haar bleke gelaat, en glinsterden in de stralen van het maanlicht. Toen bewoog ze zich ongemakkelijk heen en weer en begon een diepe melodie te zingen; de Gospoja boog zich bezorgd over het onbewuste kind en luisterde gretig naar de woorden ervan en probeerde iedere lettergreep op te vangen. Met haar dunne vinger op haar lippen, terwijl haar ogen bijna uit hun kassen sprongen en haar lichaam bewegingloos was, scheen de oude dame zelf als aan de grond genageld te staan, een standbeeld van aandacht. Het was een merkwaardige groep, en ik betreurde het dat ik geen schilder was. Wat er volgde was een scène waardig om in Macbeth te worden opgenomen. Aan de ene kant zij, het tengere meisje, bleek en als een lijk, kronkelend onder invloed van het onzichtbare fluïdum van hem die voor dit uur haar almachtige meester was; aan de andere kant de oude vrouw die, brandend van haar onblusbare vuur van wraak, stond te wachten tot de langverwachte naam van de moordenaar van de vorst ten slotte werd bekendgemaakt. De Fransman zelf scheen van gedaante te zijn veranderd, zijn grijze haar stond overeind; zijn omvangrijke onhandige vorm scheen in een paar minuten te zijn gegroeid. Elk voorgewend theater was verdwenen; er was alleen nog de mesmerist, zich bewust van zijn verantwoordelijkheid, maar zelf onbewust van de mogelijke gevolgen, die aandachtig keek en vol spanning afwachtte. Plotseling werd Frosja als door een bovennatuurlijke kracht opgetild uit haar liggende houding en stond rechtop voor ons, opnieuw bewegingloos en stil, en wachtte tot het magnetische fluïdum haar leidde. De Fransman, die zwijgend de hand van de oude dame nam, plaatste deze in die van het medium, en gaf haar de opdracht zich open te stellen voor de Gospoja.

‘Wat zie je, mijn dochter?’ mompelde de Servische dame zachtjes. ‘Kan je geest de moordenaars achterhalen?’

‘Zoek en zie! beval de mesmerist streng en concentreerde zijn blik op het gezicht van het meisje.

‘Ik ben bezig – ik ga’, fluisterde Frosja zwakjes. Het leek alsof haar stem niet uit haarzelf kwam, maar uit de atmosfeer rondom haar.

Op dat moment gebeurde er iets dat zo vreemd was dat ik betwijfel of ik het kan beschrijven. Een ijle lichtgevende schaduw verscheen dicht rond het lichaam van het meisje. Eerst ongeveer een duim dik, en deze werd geleidelijk groter en trok zich samen, en plotseling leek ze zich geheel los te maken van het lichaam en neer te slaan in een soort half vaste damp die al snel een gedaante aannam die leek op die van de slaapwandelaar zelf. De vorm bewoog twee of drie seconden boven het oppervlak van de aarde heen en weer en gleed toen geluidloos naar de rivier. Hij verdween als een mist, opgelost in de lichtstralen van de maan, en scheen daarin volkomen te worden geabsorbeerd.

Ik had het tafereel met intense aandacht gevolgd. Het mysterieuze proces, in het Oosten bekend als het aanroepen van de scin-lecca, vond voor mijn eigen ogen plaats. Eraan twijfelen was onmogelijk, en Du Potet had gelijk toen hij zei dat mesmerisme de kosmische magie van de Ouden is, en spiritisme het onbewuste effect van diezelfde magie op sommige organismen.

Zodra het dampvormige astrale dubbel als rook door de poriën van het meisje was opgestegen, had Gospoja door een snelle beweging van de hand die vrij was gebleven, vanonder haar mantel iets tevoorschijn gehaald wat verdacht veel leek op een kleine stiletto, en plaatste deze even snel in de borst van het meisje. De handeling gebeurde zo snel dat de mesmerist, die opging in zijn werk, het niet had opgemerkt, zoals hij me achteraf vertelde. Een paar minuten verliepen in doodse stilte. We schenen een groep versteende personen. Plotseling kwam er een angstaanjagende en doordringende kreet van de lippen van het meisje in trance, ze boog voorover, en trok de stiletto uit haar borst en stak er wild mee in de lucht om haar heen, alsof ze denkbeeldige vijanden achternazat. Haar mond schuimde en er kwamen wilde onsamenhangende kreten van haar lippen, en tussen de disharmonische klanken herkende ik verschillende keren twee bekende christelijke namen van mensen. De mesmerist was zo bang dat hij alle controle over zichzelf verloor en in plaats van het fluïdum terug te trekken, overlaadde hij het meisje met nog meer ervan.

‘Pas op’, riep ik, ‘Stop! Je zult haar nog doden, of zij zal u doden!’

Maar de Fransman had onopzettelijk subtiele natuurkrachten losgemaakt waarover hij geen controle had. Boos in het rond draaiend, gaf het meisje hem een klap die hem zou hebben gedood als hij deze niet had ontweken door opzij te springen, waardoor hij slechts een ernstige schram op zijn rechterarm opliep. De arme man was door paniek bevangen; hij klom voor een man van zijn lijvige omvang bijzonder behendig op de muur boven haar, ging er schrijlings op zitten, verzamelde de rest van zijn wilskracht, en maakte een reeks handbewegingen in haar richting. Bij de tweede liet het meisje het wapen vallen en bleef roerloos.

‘Wat ga je doen?’ schreeuwde de mesmerist schor in het Frans, en zat als een monsterlijke nachtkabouter op de muur. ‘Geef antwoord, ik beveel het je!’

‘Ik deed . . . slechts wat zij . . . die ik moest gehoorzamen . . . mij opdroeg om te doen,’ antwoordde het meisje tot mijn verbazing in het Frans.

‘Wat heeft de oude heks je opgedragen?’ vroeg hij oneerbiedig.

‘Hen te vinden . . . de moordenaars . . . en hen te doden. Ik deed het . . . en ze zijn niet meer. Gewroken! Gewroken! Ze zijn . . .’

Een uitroep van triomf, een luide schreeuw van helse vreugde, klonk luid in de lucht, en maakte de honden van de omringende dorpen wakker, en als antwoord begon er op dat moment een gehuil van blaffende honden als een onophoudelijke echo van de kreet van Gospoja:

‘Ik ben gewroken! Ik voel het; ik weet het. Mijn hart vertelt me dat de vijanden niet meer zijn.’ Ze viel hijgend op de grond, en sleepte in haar val het meisje mee, dat zich naar beneden liet meetrekken alsof ze een zak wol was.

‘Ik hoop dat mijn proefpersoon vannacht niet méér kwaad heeft gedaan. Ze is een gevaarlijk en ook een heel verbazingwekkend subject,’ zei de Fransman.

We gingen uiteen. Drie dagen daarna was ik in T—, en toen ik in de eetzaal van een restaurant zat en wachtte op mijn lunch, pakte ik toevallig een krant op en de eerste regels luidden als volgt:

Wenen, 186—. Twee mysterieuze sterfgevallen.

Gisteravond om 9.45 uur, toen P— op het punt stond zich in zijn kamer terug te trekken, vertoonden twee van de heren die hem bedienden plotseling grote schrik, alsof ze een verschrikkelijke verschijning hadden gezien. Ze schreeuwden, en renden onthutst door de kamer, en hieven hun handen omhoog alsof ze de slagen van een onzichtbaar wapen wilden afweren. Ze besteedden geen aandacht aan de gretige vragen van de prins en zijn gevolg, maar vielen dadelijk kronkelend op de vloer en overleden met ondraaglijke pijn. Hun lichamen vertoonden geen tekenen van een beroerte, noch enige uiterlijke sporen van wonden, maar wat verbazingwekkend is om te vertellen, er waren talrijke donkere vlekken en lange merktekens op hun huid, alsof er messteken en sneden waren gemaakt zonder de opperhuid te doorboren. De lijkschouwing onthulde het feit dat onder elk van die mysterieuze verkleuringen een neerslag was van opgedroogd bloed. Er heerst grote opwinding, en de faculteit kan het mysterie niet oplossen.

Hadji Mora
H.P. Blavatsky


Occulte verhalen, blz. 150-9

© 2010 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag