Occulte verhalen
H.P. Blavatsky en W.Q. Judge

isbn 9789070328733, paperback, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever iets worden overgenomen.

© 2010  Theosophical University Press Agency

 

 
      Inhoudsopgave     
 
Het dolende oog
 

Dit is niet een verhaal waarin ik een mythisch en onmogelijk monster opvoer, zoals het hoofd van Rahu dat volgens de Indiërs bij elke verduistering de maan verslindt. Het verhaal over Rahu is maar een verzinsel, waarin voor het volk het feit wordt beschreven dat de schaduw van de aarde de witte maanschijf opslokt; maar ik spreek over een werkelijk menselijk oog; een doler, een zoeker, een smeker; een oog dat u onderzoekend aankeek en u in zijn macht hield, zoals de vogel door de gefixeerde blik van de slang, terwijl het uw wezen doorzocht naar wat het nooit kon vinden. Over zo’n oog wordt ook nu door verschillende mensen gesproken, maar ze nemen het waar op het psychische gebied, in het astrale licht; het is niet zichtbaar of voelbaar in het daglicht, en het beweegt niet zoals andere voorwerpen.

Het dolende oog, waarover ik schrijf, was er altijd op het vreemde en heilige Eiland, waar vele eeuwen geleden zoveel gebeurtenissen plaatsvonden. Ja, het is nog steeds het heilige Eiland, hoewel nu verduisterd en zijn macht tenietgedaan – volgens sommigen voor altijd. Maar zijn werkelijke macht zal geestelijk zijn, en hoewel de menselijke geest het geestelijke tegenwoordig niet kent en alleen aan wereldse glorie denkt, zal de oude deugdzaamheid van het Eiland ooit terugkeren. Wat een eigenaardige en spookachtige vormen zweven er nog langs zijn kusten; wat een vreemd, zacht, en monotoon gefluister strijkt langs zijn bergen; en aan het begin van de avond, kort na het afscheid van de dag, herinneren zijn feeën zich plotseling hun menselijke heersers – nu verzwakt tot mensen waarvan sommigen hen vrezen – en verzamelen zich korte tijd rond de plekken waar geheimen liggen begraven, om dan zuchtend weg te snellen. Hier werd het dolende oog voor het eerst gezien. Overdag had het eenvoudig een grijze kleur, was doordringend, standvastig en altijd eropuit iets bepaalds te ontdekken, een taak waarvan het zich niet liet afhouden; ’s nachts gloeide het met een eigen licht en kon men het over het Eiland zien dwalen, nu eens snel dan weer langzaam, vastberaden op zoek naar wat het niet vond.

De mensen waren bang voor dat oog, hoewel ze toen gewend waren aan allerlei magische verschijnselen die de meeste westerlingen nu onbekend zijn. Eerst probeerden zij die zich eraan ergerden, het te vernietigen of te vangen, maar ze slaagden nooit daarin, want zodra ze dat probeerden, verdween het oog. Het toonde zich nooit beledigd, maar scheen zich vast op een nauwkeurig bepaald doel te richten. Zelfs zij die hadden gepoogd het uit de weg te ruimen, waren verbaasd in zijn diepten geen dreiging te ontdekken, wanneer het in het nachtelijk donker opnieuw langs hun slaapplaats zweefde en hen onderzoekend bekeek.

Ik heb nooit vernomen of er naast mijzelf iemand wist wanneer deze verbazingwekkende doler zijn omzwervingen begon, of aan wie het oog had toebehoord. Ik had mij verplicht te zwijgen en kon het geheim niet onthullen.

In dezelfde oude al eerder door mij genoemde tempel en toren woonde een oude man met wie ik altijd een vertrouwelijke band had gehad. Hij hield van twistgesprekken en was een twijfelaar, maar toch doodernstig en eropuit de waarheden van de natuur te leren kennen, maar voortdurend stelde hij de vraag: ‘Als ik de waarheid maar zou kennen, dat is alles wat ik wil weten.’

En telkens wanneer ik hem de door mijn leraren gegeven oplossing aanreikte, verviel hij in zijn eeuwige twijfels. In de tempel ging het verhaal dat hij in die geestestoestand het leven was begonnen en bij onze meerderen bekendstond als iemand die in een vorig leven twijfel en onmogelijkheden alleen had geopperd om de weerlegging ervan te horen, zonder iets te willen bewijzen, en na jaren van zulke zinloze discussies had gezworen slechts de waarheid te zoeken. Maar het karma dat door deze levenslange gewoonte was opgehoopt, was niet uitgeput, en in de incarnatie waarin ik hem leerde kennen, werd hij – hoewel nu oprecht en ernstig – gehinderd door die verderfelijke gewoonte uit een vorig leven. Daardoor was hij altijd vlakbij de door hem gezochte oplossingen, die hem echter steeds ontgingen.

Maar tegen het einde van zijn leven, waarover ik hier vertel, kreeg hij de zekerheid dat hij door bepaalde oefeningen niet alleen het gezicht maar ook alle andere krachten in zijn oog kon concentreren, en zette zich ondanks mijn krachtige protest moedwillig aan het volbrengen van die taak. Geleidelijk kregen zijn ogen een uiterst vreemde doordringende uitdrukking, die nog werd versterkt wanneer hij zich aan discussies overgaf. Hij hield zich hardnekkig aan zijn ene zekerheid vast en tegelijk leed hij door het oude karma van de twijfelzucht. Daardoor werd hij ziek en omdat hij oud was, kwam hij de dood nabij. Op een avond vroeg hij me op bezoek te komen, en toen ik naast hem ging zitten, zag ik dat zijn einde naderde. We waren alleen. Hij sprak vrijuit maar heel bedroefd, want, omdat de dood dichterbij kwam, zag hij met grotere helderheid, en met het verstrijken van de uren kregen zijn ogen een doordringende blik die sterker was dan ooit, en hadden daarbij een smekende, twijfelende uitdrukking.

‘Ach’, zei hij, ‘ik heb opnieuw fouten gemaakt; maar het is rechtvaardig karma; slechts in één ding ben ik geslaagd, en dat zal me altijd belemmeren.’

‘En wat is dat?’ vroeg ik.

De uitdrukking in zijn ogen scheen de toekomst te omvatten toen hij me vertelde dat zijn bijzondere oefening hem zou dwingen gedurende een lange periode aan zijn krachtigste oog – het rechter – geketend te blijven tot de kracht van de energie die hij voor het verkrijgen van dat ene vermogen had verbruikt, volledig was uitgeput. Ik zag de dood langzaam over zijn gelaat kruipen en toen ik dacht dat hij was gestorven, verzamelde hij plotseling de kracht mij te laten beloven het geheim nooit te onthullen – en overleed.

Terwijl hij stierf begon het donker te worden. Nadat zijn lichaam koud was geworden, zag ik in de duisternis een lichtend menselijk oog dat me aanstaarde. Het was van hem, want ik herkende de uitdrukking ervan. Al zijn eigenaardigheden en denkgewoonten leken erin vastgelegd en vloeiden eruit naar u toe. Toen wendde het zich van me af en verdween kort daarna. Zijn lichaam werd begraven, en afgezien van mijzelf en onze meerderen wist niemand van deze dingen. Maar gedurende vele jaren daarna werd het dolende oog in alle delen van het Eiland gezien, altijd zoekend, altijd vragend en nooit wachtend op het antwoord.


Occulte verhalen, blz. 202-5

© 2010 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag