Occulte verhalen
H.P. Blavatsky en W.Q. Judge

isbn 9789070328733, paperback, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever iets worden overgenomen.

© 2010  Theosophical University Press Agency

 

 
      Inhoudsopgave     
 
Het draaien van het wiel
 

Een kort verhaal over karma

1


Hij was de zoon van een kleine heerser in Rajputana. Zijn vader, die behoorde tot de kaste van de krijgers, bestuurde wijs en rechtvaardig een district dat verschillende dorpen omvatte en zijn eigen kleine stad, zodat iedereen welvarend en gelukkig was. De heerser werd een raja genoemd; hij woonde in een gebouw van steen dat was gebouwd op een heuvel die uitzag over de stad. De zoon, over wie dit verhaal gaat, werd geboren nadat de raja jarenlang kinderloos was geweest, en hij was het enige kind waarop de vader eer en macht kon overdragen. Hij werd Rama genoemd naar de grote avatara. Vanaf het moment van zijn geboorte en tot hij kon spreken, kon men in zijn babyogen altijd een vreemde blik zien; een blik die u zonder te knipperen aanstaarde; stoutmoedig, berekenend, alsof hij iets met u van plan was; en toch scheen het soms dat hij om zichzelf lachte; maar soms ook leek hij bedroefd en melancholiek. Rama groeide op en verblijdde zijn vader met zijn goedheid en geestkracht. De vreemde blik in zijn ogen die hij als baby had, was er nog steeds, zodat, hoewel iedereen van hem hield, men ook duidelijk respect voelde en soms ontzag. Hij voltooide zijn studie en op zijn verzoek maakte hij al heel snel een korte pelgrimstocht naar een beroemd heiligdom; en hij begon deel te nemen aan de regeringszaken van de oude en nu zwakke raja. Elke dag trok hij zich alleen terug in zijn kamer; in drie van zijn vertrekken mocht niemand binnenkomen; en op de veertiende van de maand bracht hij de hele dag in afzondering door. Laten we in gedachten met hem meegaan op een van die maandelijkse retraites en luisteren met zijn toestemming.

 

2

De kamer is een gewone hindoekamer. Harde chunam vloer, het bed opgerold in de hoek, aan de muur een of twee metalen plaketten met email ingelegd waarop verschillende goden en helden staan afgebeeld. Hij gaat naar binnen en loopt naar de muur voor een van de plaketten – Krishna. De vreemde blik in zijn ogen wordt dieper, sterker, en er schijnt een lichtstraal uit te schieten naar het voorwerp aan de muur. Zijn lippen bewegen.

‘Atmanam atmana . . .’, schijnt hij te zeggen; de rest wordt zo zacht gemompeld dat we het niet kunnen verstaan. De woorden zijn in zijn eigen dialect, maar in het denken van de toehoorder vertalen ze zichzelf. Hij zegt:

‘Dit gewicht op mijn hart komt niet van dit leven. Ik heb geen verdriet gekend, geen voorwerp verloren waarvan ik hield. Mijn ambities zijn vervuld; het heden is schitterend, de toekomst vertoont geen schaduwen. Wanneer, o Krishna, zal ik weten wat ik nu nog niet weet, en wat ik verlang te weten? Zelfs nu al komt er ongemerkt een straaltje hoop mijn ziel binnen.’

Op het moment dat hij de laatste woorden uitsprak, kwam er een rinkelend geluid van de metalen plaket en Rama keek er standvastig naar. De plaket trilde, en een subtiele geur verspreidde zich eruit over de hele kamer. De lucht scheen langzaam te trillen, en te golven, en er scheen zich op de grond een oogverblindende gedaante van een jongeman te vormen, terwijl de trilling zich in de vorm scheen te concentreren, en de geur veranderde in licht. Rama keek met een vaste blik naar dit wezen dat daar rechtop en schrikaanjagend stond, maar toch kalm en sterk met een vrede overal rondom zich. Het was de kalmte en kracht ervan die schrik aanjoeg. Terwijl Rama keek, sprak hij:

‘Ben je de Upanishad vergeten, ‘De twee vogels die in één boom zitten; de ene eet de vruchten ervan en de ander kijkt toe’?’

‘Nee’, zei Rama, ‘Ik ben ze niet vergeten. Ze zijn het persoonlijke en het universele. De vogel die toekijkt is mijn hogere zelf – atman.’

‘Ik ben je hogere zelf. Ik ben gekomen om je te vertellen over de drie woorden. Vergeet ze niet, vergeet mij niet. Ze zijn: handeling, wet, het resultaat van handeling.’

‘Deze’, zei Rama, ‘heb ik gehoord. Handeling en wet ken ik, maar het resultaat van handeling is dat wat binnenin ons knaagt?’

De schone gedaante antwoordde: ‘Het is de onwetendheid ervan die je pijn doet. Je bent gebonden in je toekomst. Je huidige geboorte maakt het je mogelijk het karma voor je volgende geboorte uiteindelijk beter te maken, maar die zal altijd duister en pijnlijk zijn als niet nu een verbetering wordt aangebracht. In dit heden ligt je toekomst. In het heden ligt potentieel het gevolg van de weg die je inslaat.’

Na één blik als een pijl recht in de ogen van Rama vervaagde de vorm, en de plaket liet als afscheid een klank horen. Op de muur scheen een beeld te verschijnen van armoede en rijkdom, van hutten en stenen gebouwen. De volgende dag verliet Rama de kamer en scheen daarna nooit te treuren of geïrriteerd te zijn. Zijn oude vader stierf, en hij zette de regering jarenlang voort, en verspreidde zegeningen in alle richtingen, tot er een rivaliserende raja verscheen en al zijn bezittingen opeiste, en hen een aanspraak liet zien van een vergeten tak van de familie. In plaats van de aanspraak die gerechtvaardigd was te verwerpen, in plaats van de rivaal te doden wat hij had kunnen doen, deed Rama afstand van alles, en trok zich terug in het woud, en stierf na enkele jaren van ascese.

 

3

Het wiel van de tijd rolde verder en Rama werd wedergeboren in een stad die werd geregeerd door de raja die eens in een vorig leven de bezittingen van Rama had opgeëist. Maar nu was Rama arm, onbekend, een paria, een chandala die straatvuil veegde en hoopte dat karma hem zou helpen. Hij wist niet dat hij Rama was; hij veegde alleen het straatvuil bij het paleis van de raja.

Door de raja werd een plechtige audiëntie gehouden waarbij alle priesters en waarzeggers aanwezig waren. Bezorgd door een droom die hij de nacht tevoren had gehad, riep de bijgelovige heerser hen te hulp om deze te interpreteren, met hun kennis de oorzaken aan te wijzen, en om de volgens de geschriften voorgeschreven verzachtende maatregelen te nemen. Hij had gedroomd dat terwijl hij in de tuin wandelde, hij van zijn minister van financiën een verslag had gehoord van zijn toegenomen rijkdom, maar er rees plotseling een enorm stenen gebouw voor hem op. Toen hij verbaasd stilhield, viel het om en scheen hem en zijn rijkdom te begraven. De droom werd drie keer herhaald en dit vervulde hem met angst.

De astrologen trokken zich terug en raadpleegden hun boeken. De remedie was duidelijk, stelde één van hen voor. ‘Laat de koning morgen een enorme som geld geven aan de eerste persoon die hij ziet na het ontwaken.’ Deze beslissing werd aanvaard, en degene die het had voorgesteld was van plan vroeg ter plekke te zijn zodat hij het geld kon opeisen. De raja stemde in met de aanwijzing van de sterren, en trok zich terug voor de nacht, vervuld van zijn besluit om de volgende dag enorme giften te geven. Geen boze dromen verstoorden zijn slaap. De twinkelende sterren bewogen langs het hemelgewelf en van al die menigten scheen de maan boven de stad te glimlachen alsof ze, omdat ze dichtbij stond, alles had gehoord en alles wist. In de koude vroege ochtend, die nog donker was van de belofte van de dageraad, was de chandala – die vroeger Rama was – straatvuil aan het vegen dichtbij het paleis waar de raja binnen juist wakker werd. De laatste ster aan de hemel scheen stil te staan alsof hij verlangde dat Rama bij zijn vegen langs die kant van het paleis zou komen waar het raam van de raja openging. Langzaam ging de chandala verder met zijn taak, langzaam maar zeker. Langzaam keerde het waakbewustzijn van de raja terug, en toen dat terugkeerde, flitste een akelige herinnering aan zijn droom door zijn hoofd. Hij sprong op van de mat waarop hij lag, stond op en scheen na te denken.

‘Wat moest ik doen? O ja, geschenken geven. Maar het is nog niet dag. Maar toch zei het orakel ‘onmiddellijk na het wakker worden.’

Terwijl hij aarzelde kwam de arme straatveger buiten dichter in de buurt van zijn raam. De ondergaande ster leek bijna een straal door de muur te zenden die hem raakte en hem tegen het raam duwde. Hij gooide de luiken open om frisse lucht te krijgen, keek naar beneden en daar stond de arme chandala voor hem met een lendendoek en zonder tulband; hij zweette van de inspanning, en ging haastig verder met zijn taak; wanneer hij daarmee klaar was zou het terrein van de raja schoon zijn en gereed voor zijn heer.

‘Dank de goden’, zei de raja, ‘het is het lot; een rechtvaardige beslissing; aan de armen en de vromen moeten geschenken worden gegeven.’

Vroeg in de ochtend liet hij zijn ministers en priesters bij hem komen en zei:

‘Ik geef geschenken aan de deva’s via de armen; ik kom mijn belofte na. Roep de chandala die vanochtend vroeg mijn erf heeft geveegd.’

Rama werd geroepen en dacht dat hij naar de gevangenis werd gebracht of werd gedood. Maar de raja bracht hem in verbazing door hem vele duizenden roepies te schenken, en toen de chandala flauwviel, meende hij een vreemde bekende geur te ruiken en zag een oogverblindende gedaante voorbijflitsen. ‘Dit’, dacht hij, ‘is een deva.’

Het geld had Rama rijk gemaakt. Hij vestigde zich en nodigde geleerde brahmanen uit om anderen te onderwijzen; hij deelde aalmoezen uit, en op een dag liet hij een enorm stenen gebouw oprichten met aan beide kanten gebroken ketenen van steen om weer te geven hoe het lot zijn ketenen had verbroken. En later vertelde een wijze ziener, een ascetische brahmaan die zijn leven overzag, hem in het kort,

‘In het volgende leven zul je vrij zijn. Je naam is Rama.’


Occulte verhalen, blz. 219-23

© 2010 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag