Occulte verhalen
H.P. Blavatsky en W.Q. Judge

isbn 9789070328733, paperback, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever iets worden overgenomen.

© 2010  Theosophical University Press Agency

 

 
      Inhoudsopgave     
 
De echogrot
Een vreemd maar waar verhaal*
 
 

*Dit verhaal is ontleend aan het verslag van een ooggetuige, een Russische heer, heel vroom en volkomen betrouwbaar. Bovendien zijn de feiten overgenomen uit politieverslagen van P––. Genoemde ooggetuige schrijft het natuurlijk gedeeltelijk toe aan goddelijke tussenkomst, gedeeltelijk aan de Boze. – HPB

 

In een van de afgelegen gouvernementen van het Russische keizerrijk, in een stadje aan de Siberische grens, voltrok zich meer dan dertig jaar geleden een mysterieus drama. Ongeveer zes werst van het stadje P––, beroemd om het wilde landschapsschoon en de rijkdom van zijn inwoners – gewoonlijk eigenaren van mijnen of ijzergieterijen – stond een aristocratisch herenhuis. Het huishouden bestond uit de heer des huizes, een oude rijke vrijgezel, en zijn broer die weduwnaar was en vader van twee zoons en drie dochters. Het was bekend dat de eigenaar, Izvertzoff, de kinderen van zijn broer had geadopteerd, en omdat hij een bijzondere genegenheid voelde voor zijn oudste neef, Nicolaas, had hij deze tot enige erfgenaam van zijn talrijke landgoederen gemaakt.

De tijd verstreek. De oom begon oud te worden; de neef werd meerderjarig. Dagen en jaren waren kalm en eentonig voorbijgegaan toen aan de tot dan toe heldere horizon van het vredige gezin een wolk verscheen. Op een ongelukkige dag kreeg een van de nichten het in haar hoofd citer te willen studeren. Omdat het instrument van puur Duitse oorsprong was en er in die buurt daarvoor geen leraar was te vinden, zond de welwillende oom iemand naar St. Petersburg om naar beide op zoek te gaan. Na ijverig zoeken kon maar één leraar bereid worden gevonden die het aandurfde zich zo dicht bij Siberië te begeven. Het was een bejaarde Duitse musicus die zijn liefde gelijkelijk tussen zijn instrument en een aantrekkelijke, blonde dochter verdeelde en van geen van beide wilde scheiden. En zo gebeurde het dat op een mooie ochtend de oude leraar bij het herenhuis aankwam met zijn muziekkist onder de ene arm, terwijl zijn lieftallige München op de andere leunde.

Vanaf die dag begon het wolkje snel in omvang toe te nemen, want iedere trilling van het melodieuze instrument vond weerklank in het hart van de oude vrijgezel. Muziek wekt de liefde, zegt men, en wat de citer begon, werd door de blauwe ogen van München voltooid. Na zes maanden bespeelde de nicht de citer met grote kundigheid en was de oom wanhopig verliefd.

Op een ochtend riep hij zijn aangenomen gezin bij zich, omarmde allen heel teder, beloofde om hen in zijn testament op te nemen en zei ten slotte dat hij vastbesloten was met de blauwogige München te trouwen. Daarna viel hij hen om de hals en weende in stille verrukking. De familie die begreep dat de erfenis hun was ontnomen, huilde ook, maar om een andere reden. Na zo gehuild te hebben, troostten ze zich en probeerden zich te verheugen, want allen hielden oprecht van de oude heer. Maar niet allen waren blij. Nicolaas die zelf door de bevallige Duitse diep in zijn hart was geraakt, en die zich opeens van zijn schone en zijn ooms geld zag beroofd, verheugde noch troostte zich, maar verdween een hele dag.

Intussen had Izvertzoff opdracht gegeven zijn reiskoets voor de volgende dag gereed te maken, en men fluisterde dat hij naar de districtshoofdstad op enige afstand van zijn woonplaats wilde gaan om zijn testament te wijzigen. Hoewel heel rijk, had hij geen rentmeester op zijn landgoed, maar deed de boekhouding zelf. Diezelfde avond na het diner hoorde men hem op zijn kamer boos uitvaren tegen zijn bediende, die al meer dan dertig jaar bij hem in dienst was. Deze man, Iwan, was afkomstig uit Noord-Azië, uit Kamchatka. Hij was door de familie in de christelijke godsdienst opgevoed, en men dacht dat hij zeer aan zijn meester was gehecht. Enkele dagen later toen het eerste tragische voorval, waarover ik zal vertellen, de hele politiemacht naar die plek had gebracht, herinnerde men zich dat Iwan die avond dronken was, dat zijn meester, die deze slechte gewoonte verafschuwde, op een vaderlijke manier tegen hem tekeer was gegaan en hem zijn kamer had uitgejaagd en dat men Iwan de deur had zien uitwankelen onder het mompelen van dreigementen.

Op het uitgestrekte landgoed van Izvertzoff bevond zich een merkwaardige grot die de nieuwsgierigheid van alle bezoekers prikkelde. Ze bestaat nog steeds en is bekend bij elke inwoner van P___. Een dennenbos, dat enkele meters vanaf het tuinhek begint, klimt met steile terrassen omhoog naar een lange rotsachtige heuvelrug die het met een brede gordel van ondoordringbaar gewas bedekt. De toegang tot de grot, die bekendstaat als de ‘echogrot’, ligt op ongeveer een halve mijl van het landhuis, vanwaar ze een kleine uitgraving in de helling lijkt, bijna verborgen door weelderige plantengroei, maar niet zo volledig dat deze voor iemand die het terrein betreedt niet gemakkelijk waarneembaar is vanaf het terras aan de voorkant van het huis. De onderzoeker die de ingang betreedt, vindt aan de achterkant een nauwe spleet; als men daardoor gaat, komt men in een hoge grot, zwak verlicht door scheuren in het gewelfde dak, vijftig voet boven de grond. De grot zelf is enorm groot en zou gemakkelijk twee- à drieduizend mensen kunnen bevatten. Een deel ervan was in de tijd van Izvertzoff geplaveid met tegels en werd in de zomer vaak als balzaal gebruikt bij tuinfeesten. Van een onregelmatige ovaal vernauwt ze zich geleidelijk tot een brede gang die enkele mijlen ondergronds doorloopt en hier en daar in andere ruimten uitkomt, even groot en hoog als de balzaal maar, anders dan deze, slechts met een boot te bereiken, omdat ze altijd vol water staan. Deze natuurlijke bassins zouden onpeilbaar diep zijn.

Op de rand van het eerste bevindt zich een kleine verhoging waarop verschillende bemoste, rustieke banken staan opgesteld, en op deze plaats zijn de opzienbarende echo’s, die de grot haar naam gaven, hoorbaar in al hun spookachtigheid. Een gefluisterd woord, zelfs een zucht, wordt door talloze spottende stemmen opgevangen, en in plaats van, zoals bij fatsoenlijke echo’s, in volume te verminderen, wordt het geluid bij elke herhaling sterker en sterker, tot het zich ten slotte voortplant als de weerkaatsing van een pistoolschot en met een klaaglijk gejammer in de gang verdwijnt.

Op die dag maakte Izvertzoff bekend dat hij van plan was op zijn trouwdag, die hij had vastgesteld op een datum kort daarna, in deze grot een danspartij te organiseren. De volgende ochtend, toen hij zich voor de rijtoer gereedmaakte, zag zijn familie hem – alleen vergezeld van zijn Siberische bediende – de grot binnengaan. Een half uur later keerde Iwan in huis terug om een snuifdoos te halen die zijn meester in zijn kamer had vergeten, en ging daarmee weer naar de grot. Een uur later werd het hele huis door zijn luide kreten opgeschrikt. Bleek en druipnat rende Iwan als een gek het huis binnen en verklaarde dat Izvertzoff nergens in de grot was te vinden. Hij dacht dat hij in het meer was gevallen, had in het eerste bassin naar hem gedoken, en was zelf bijna verdronken.

De hele dag werden vergeefse pogingen ondernomen het lijk te vinden. Het huis was vol politie en Nicolaas, de neef, huilde nog wanhopiger dan de anderen toen hij bij zijn terugkeer het droevige nieuws hoorde.

Een dreigende verdenking viel op Iwan, de Siberiër. Hij was de avond tevoren door zijn meester geslagen en men had hem wraak horen zweren. Hij was de enige die hem naar de grothad vergezeld, en toen men zijn kamer doorzocht, vond men onder Iwans bed een doos vol kostbare familiejuwelen die altijd zorgvuldig in het appartement van Izvertzoff bewaard was geweest. Vergeefs riep de knecht God als getuige aan, dat zijn meester zelf hem de doos in bewaring had gegeven kort voor ze zich naar de grot begaven, en dat zijn bedoeling was geweest de juwelen opnieuw te laten zetten omdat hij ze zijn bruid als huwelijksgeschenk wilde geven. Hij, Iwan, wilde graag zijn eigen leven geven om zijn meester te doen herleven, als hij zou weten dat zijn meester dood was. Men sloeg echter geen acht op zijn woorden en hij werd beschuldigd van moord, gearresteerd en in de gevangenis geworpen. En daar bleef hij, want onder de Russische wet kan een misdadiger niet – dat kon hij in elk geval toen niet – worden veroordeeld voor een misdaad, hoe overtuigend de aanwijzingen ook zijn die tegen hem pleiten, tenzij hij schuld bekent.

Na een week van vruchteloos zoeken hulde de familie zich in diepe rouw, en omdat het oorspronkelijke testament zonder codicil was gebleven, ging het hele bezit over in handen van de neef. De oude leraar en zijn dochter droegen deze plotselinge wisseling van het lot met echt Duitse onverstoorbaarheid en maakten zich gereed te vertrekken. Met zijn citer weer onder de ene arm stond de oude man op het punt zijn München aan de andere mee te nemen, toen de neef hem tegenhield om zichzelf in plaats van zijn overleden oom als echtgenoot voor de blonde schone aan te bieden. De ruil werd geaccepteerd en zonder veel omhaal werden de jongelui in de echt verbonden.


.     .     .     .     .     .     .     .


Tien jaar gingen voorbij en we ontmoeten het gelukkige gezin nogmaals begin 1859. De lieftallige München was dik geworden en zag eruit als een volksvrouw. Vanaf de dag waarop de oude man verdween werd Nicolaas knorrig en teruggetrokken en velen verwonderden zich over zijn veranderde karakter, want men zag hem nooit meer lachen. Hij scheen als enige levensdoel te hebben om de moordenaar van zijn oom op te sporen, of beter gezegd, om Iwan zijn schuld te laten bekennen. Maar de man bleef volhouden dat hij onschuldig was.

Het jonge paar had één zoon gekregen en het was een vreemd kind. Het was klein, gevoelig en altijd ziek, en zijn broze leven scheen aan een zijden draad te hangen. Wanneer zijn gelaat ontspannen was, leek hij zo treffend op zijn oom dat de familieleden vaak angstig voor hem terugschrokken. Het was het bleke gerimpelde gezicht van een zestigjarige op de schouders van een negenjarig kind. Men zag hem nooit lachen of spelen, maar gedoken in zijn hoge stoel, zat hij altijd ernstig met over elkaar geslagen armen op een manier die typerend was voor wijlen Izvertzoff; en zo bleef hij urenlang zitten, suf en bewegingloos. Als zijn kindermeisjes ’s avonds naar hem toegingen, zag men ze vaak heimelijk een kruis slaan en niet één verklaarde zich bereid met hem alleen in de kinderkamer te slapen. Nog vreemder gedroeg zijn vader zich tegenover hem. Hij scheen hem hartstochtelijk lief te hebben en tegelijk bitter te haten. Hij kuste of liefkoosde het kind zelden, maar met een lijkbleek gezicht en starende ogen sloeg hij hem vaak urenlang gade wanneer de jongen op zijn kabouterachtige, ouwelijke manier rustig in zijn hoekje zat.

Het kind had het landgoed nooit verlaten, en behalve de familie wisten weinigen van zijn bestaan.

Omstreeks midden juli arriveerde een lange Hongaarse reiziger in P––. Hij kwam uit het noorden waar hij, naar men zei, vele jaren had gewoond. Geruchten over zijn excentrieke gewoonten, grote rijkdom en mysterieuze vermogens gingen aan zijn komst vooraf. Hij vestigde zich in het stadje samen met een sjamaan, of Zuid-Siberische magiër, op wie hij mesmerieke proeven zou nemen. Hij gaf diners en partijen, waarbij hij om zijn gasten te vermaken altijd zijn sjamaan liet zien, op wie hij heel trots was. Op een dag vielen de notabelen van P–– onverwachts binnen op het landgoed van Nicolaas Izvertzoff en verzochten hem zijn grot voor een avondfeest te mogen gebruiken. Nicolaas stemde met grote tegenzin toe, en slechts na nog grotere aarzeling liet hij zich overhalen zich bij het gezelschap te voegen.

De eerste grot en de verhoging bij het bodemloze meer glinsterden in de vele lichten. Honderden flikkerende kaarsen en toortsen, gestoken in rotsspleten, verlichtten de plaats en verdreven de schaduwen uit de bemoste hoeken en schuilplaatsen waar ze zich jarenlang ongestoord hadden verscholen. De stalactieten aan de wanden fonkelden, en de slapende echo’s werden plotseling gewekt door een vrolijk mengsel van gelach en gepraat. De sjamaan die door zijn vriend en beschermer nooit uit het oog werd verloren, zat in een hoek, zoals gewoonlijk in trance. Gehurkt op een vooruitspringende rots, omstreeks halverwege de ingang en het water, leek hij met zijn gerimpelde citroengele gelaat, platte neus en dunne baard meer op een afstotelijk stenen afgodsbeeld dan op een mens. Een groot deel van het gezelschap verdrong zich rondom hem en ontving juist blijkende antwoorden op hun vragen, terwijl de Hongaar vrolijk zijn gemesmeriseerde ‘subject’ aan een kruisverhoor onderwierp.

Plotseling maakte een van de aanwezigen, een dame, de opmerking dat dit dezelfde grot was waarin die oude Izvertzoff tien jaar geleden zo onverklaarbaar was verdwenen. De vreemdeling bleek geïnteresseerd te zijn in het geval en vroeg meer bijzonderheden en dus zocht men naar Nicolaas temidden van de menigte en bracht hem naar de nieuwsgierige groep. Hij was de gastheer en het bleek hem onmogelijk het verlangde verslag te weigeren. Hij herhaalde het droeve verhaal met bevende stem en bleek gelaat, terwijl er tranen glinsterden in zijn rusteloze ogen. Het gezelschap was diep onder de indruk, en gefluisterde loftuitingen voor de liefhebbende neef, die zo de nagedachtenis van zijn oom en weldoener in ere hield, deden vrijelijk de ronde, toen de stem van Nicolaas plotseling stokte. Zijn ogen puilden uit zijn hoofd, en met een onderdrukte kreet wankelde hij achteruit. Nieuwsgierig volgde elk oog uit de menigte zijn verwilderde blik die zich richtte en gefixeerd bleef op een verschrompeld gezichtje, dat van achter de rug van de Hongaar gluurde.

‘Waar kom je vandaan? Wie heeft je hier gebracht, kind?’ stootte Nicolaas uit, lijkbleek.

‘Ik was in bed, vader; deze man kwam naar me toe en droeg me in zijn armen hierheen’, antwoordde de jongen eenvoudig en wees op de sjamaan naast wie hij op de rots stond en die met gesloten ogen als een levende slinger heen en weer bleef zwaaien.

‘Dat is heel vreemd,’ merkte een van de gasten op, ‘want de man is helemaal niet van zijn plaats geweest.’

‘Mijn God! wat een buitengewone gelijkenis!’ mompelde een bejaarde inwoner van de stad, een vriend van de verdwenen man.

‘Je liegt, jongen!’ riep de vader heftig uit. ‘Ga naar bed; dit is hier geen plaats voor jou.’

‘Kom, kom,’ onderbrak de Hongaar met een vreemde uitdrukking op zijn gezicht en sloeg zijn arm om de tengere kindergestalte; ‘de kleine man heeft het dubbel van de sjamaan gezien dat soms ver van zijn lichaam ronddoolt, en hij heeft dit voor de man zelf aangezien. Laat hem een poosje bij ons blijven.’

Bij die vreemde woorden staarden de gasten elkaar in stomme verbazing aan, terwijl enkelen vroom het teken van het kruis maakten en naar opzij spuwden, vermoedelijk naar de duivel en al zijn werken.

‘Tussen twee haakjes,’ vervolgde de Hongaar met bijzondere nadruk, en hij richtte zich eerder tot het hele gezelschap dan tot iemand in het bijzonder, ‘waarom zouden we niet proberen met behulp van mijn sjamaan het mysterie dat over dit drama hangt te ontrafelen? Bevindt de verdachte zich nog altijd in de gevangenis? Wat, heeft hij nog steeds niet bekend? Dat is beslist heel vreemd. Maar nu zullen we de waarheid binnen enkele minuten weten! Laten we allen stil zijn.’

Hij ging daarop naar de Tehuktchene toe en begon onmiddellijk zijn vertoning zonder de moeite te nemen de heer des huizes om toestemming te vragen. Deze stond als aan de grond genageld, als versteend van afgrijzen en was niet in staat een woord te uiten. Het voorstel vond algemene instemming, behalve de zijne; en in het bijzonder stemde de inspecteur van politie, kol. S––, in met het plan.

‘Dames en heren,’ fluisterde de mesmerist, ‘sta me toe dat ik dit keer anders dan gewoonlijk te werk ga. Ik zal de methode van de inheemse magie volgen. Ze past meer bij deze woeste omgeving en is veel doeltreffender, zoals u zult ontdekken, dan onze Europese manier van mesmeriseren.’

Zonder antwoord af te wachten nam hij uit een tas, die hij altijd bij zich had, eerst een kleine trommel, dan twee flesjes – het ene gevuld met een vloeistof, het andere leeg. Met de inhoud van het eerste besprenkelde hij de sjamaan die nog heviger dan tevoren begon te beven en te zwaaien. De lucht was doordrongen van de geur van kruidige parfums en de atmosfeer zelf scheen helderder te worden. Daarop naderde hij de Tibetaan en haalde tot afgrijzen van de aanwezigen een kleine dolk uit zijn zak en stootte het scherpe staal in de onderarm van de man en liet bloed in het lege flesje stromen. Toen het half vol was, drukte hij de opening van de wond met zijn duim dicht, en liet het stromen van het bloed ophouden, zo gemakkelijk alsof hij een fles had gekurkt. Daarna sprenkelde hij het bloed over het hoofd van de kleine jongen. Vervolgens hing hij de trommel om zijn nek, en met twee ivoren trommelstokken waarop allerlei magische tekens en letters stonden, begon hij een soort reveille te slaan, om de geesten op te trommelen, zei hij.

De omstanders, geschrokken en bang geworden door deze ongewone handelingen, drongen nieuwsgierig om hem samen en gedurende enkele ogenblikken heerste in de hele ruimte van de imposante grot een dodelijke stilte. Nicolaas stond daar als tevoren sprakeloos en lijkbleek. De mesmerist had plaatsgenomen tussen de sjamaan en de verhoging en begon zacht te roffelen. De eerste tonen klonken gedempt en trilden zo zwak in de lucht dat ze geen echo opwekten, maar de sjamaan versnelde zijn slingerbewegingen en het kind werd onrustig. De trommelaar begon zacht te zingen, indrukwekkend en plechtig.

Toen de onbekende woorden van zijn lippen vloeiden, begonnen de vlammen van kaarsen en toortsen te flakkeren, tot ze in de maat van het gezang begonnen te dansen. Een kille wind kwam suizend uit de duistere gangen over het water, gevolgd door een klaaglijke echo. Daarop verzamelde een nevelige damp, die uit de rotsachtige grond en de wanden scheen te sijpelen, zich om de sjamaan en de jongen. De aura rondom de laatste was zilverig en doorschijnend, maar de wolk die eerstgenoemde omhulde was rood en onheilspellend. De magiër naderde de verhoging en sloeg een luidere roffel, en deze keer werd het geluid door de echo opgepakt, met angstaanjagend effect! Hij weergalmde her en der in onophoudelijke salvo’s; de ene jammerklacht volgde de andere, luider en luider, tot het donderend geloei op een duizendstemmig demonenkoor leek dat uit de peilloze diepten van het meer scheen op te stijgen. Het water zelf, waarvan het door vele vlammen verlichte oppervlak tevoren zo glad als een glasplaat was geweest, werd plotseling onrustig alsof een krachtige windvlaag over zijn rimpelloze spiegel joeg.

Een tweede lied en een roffel op de trom en de berg trilde op zijn grondvesten door salvo’s die door duistere en verre gangen rolden en op kanongebulder leken. Het lichaam van de sjamaan verhief zich een meter in de lucht en zat daar, knikkend en slingerend, door zichzelf gedragen als een spookverschijning. Maar de transformatie die zich nu in de jongen voltrok, deed iedereen huiveren, terwijl men sprakeloos het tafereel gadesloeg. De zilverige wolk rondom de jongen scheen nu ook hem in de lucht te heffen maar, anders dan bij de sjamaan, zijn voeten kwamen niet los van de grond. Het kind begon te groeien alsof het werk van jaren op miraculeuze wijze in enkele seconden werd volbracht. Hij werd lang en breed, en zijn bejaarde gezicht ging er ouder uitzien met het verouderen van zijn lichaam. Nog een paar seconden en de kindergestalte was volledig verdwenen. Ze was totaal in een ander individu overgegaan en, tot afgrijzen van degenen onder de aanwezigen die zijn verschijning kenden, was dit individu de oude Izvertzoff, en aan zijn slaap bevond zich een grote gapende wond waaruit grote druppels bloed stroomden.

Dit fantoom bewoog zich naar Nicolaas tot het vlak voor hem stilstond, terwijl hij met de haren overeind en de blik van een krankzinnige naar zijn eigen in zijn oom getransformeerde zoon staarde. De stilte als van een graf werd door de Hongaar verbroken die het kindfantoom toesprak en met plechtige stem vroeg:

‘In de naam van de grote meester, van hem aan wie alle macht toebehoort, antwoord de waarheid en niets dan de waarheid. Rusteloze geest, bent u door een ongeluk omgekomen, of door een laaghartige moord?’

De lippen van het spook bewogen, maar het was de echo die in hun plaats antwoordde met akelige kreten: ‘Vermoord! Vermoord!! Ver-moord!!!’

‘Waar? Hoe? Door wie?’ vroeg de bezweerder.

De verschijning wees met een vinger naar Nicolaas, en zonder zijn starende blik af te wenden of de arm omlaag te brengen, bewoog hij zich langzaam naar achteren naar het meer. Bij iedere schrede van het spook deed de jonge Izvertzoff, als door een onweerstaanbare betovering gedwongen, een stap in zijn richting, tot het fantoom het meer bereikte en het volgende ogenblik over zijn oppervlakte gleed. Het was een angstaanjagend, spookachtig schouwspel!

Toen hij tot op twee stappen van de rand van de waterige afgrond was gekomen, ging er een hevige schok door het lichaam van de schuldige. Hij wierp zich op de knieën en klemde zich aan een van de rustieke banken vast met een wanhopige greep, en wild voor zich uit starend slaakte hij een kreet die door merg en been ging. Het fantoom bleef nu bewegingloos op het water, kromde zijn uitgestrekte vinger, en wenkte hem langzaam naderbij te komen. Ineengedoken met een ellendig gevoel van angst gilde de ongelukkige man tot de grot ervan weergalmde: ‘Ik was het niet. . . . Nee, ik heb je niet vermoord!’

Toen volgde een plons en nu lag de jongen in het donkere water midden in het meer, worstelend voor zijn leven, terwijl dezelfde bewegingloze, strenge verschijning boven hem zweefde.

‘Vader! Vader! Red me. Ik verdrink!’ riep een jammerend stemmetje te midden van het geschreeuw van de spottende echo’s.

‘Mijn jongen!’ gilde Nicolaas met de stem van een maniak en sprong overeind. ‘Mijn jongen! Red hem! O, red hem! Ja, ik beken. Ik ben de moordenaar. Ik doodde hem!’

Een tweede plons en het fantoom verdween. Met een kreet van afschuw snelde het gezelschap naar de verhoging, maar ze stonden plotseling als aan de grond genageld toen ze te midden van wentelende draaikolken een witachtige, vormloze massa zagen die de moordenaar en de jongen nauw omklemde en langzaam wegzonk in het bodemloze meer.

Toen na deze gebeurtenissen enkelen van het gezelschap na een slapeloze nacht de volgende ochtend het verblijf van de Hongaar bezochten, vonden ze dat gesloten en verlaten. Hij en de sjamaan waren verdwenen. Velen van de oudste inwoners van P–– herinneren zich hem; de inspecteur van politie, kol. S––, stierf enkele jaren geleden vast ervan overtuigd dat de edele reiziger de duivel was. De algemene ontzetting werd nog vergroot doordat in dezelfde nacht het huis van de Izvertzoffs in brand vloog en volkomen werd vernield. De aartsbisschop verrichtte de ceremonie van duiveluitbanning, maar men acht de plaats zelfs nu nog vervloekt. Het gouvernement liet de feiten onderzoeken en . . . gaf opdracht tot stilzwijgen.


Occulte verhalen, blz. 56-67

© 2010 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag