Occulte verhalen
H.P. Blavatsky en W.Q. Judge

isbn 9789070328733, paperback, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever iets worden overgenomen.

© 2010  Theosophical University Press Agency

 

 
      Inhoudsopgave     
 
Een eigenaardig verhaal
 

Deel 1

De lezers van dit tijdschrift hebben op deze bladzijden veel vreemdere verhalen gelezen die hun geloof op de proef stelden dan het verhaal waarvan ik hier enkele fragmenten zal geven. Men zal niet gauw het opmerkelijke Russische verhaal vergeten over een adept in het kasteel van een rijke man waarin het kind de uiterlijke verschijning van een oude man aannam. Hoewel het volgens de schrijver niet iets nieuws en uitzonderlijks bevat, verschilt dit verhaal daarin van vele andere verhalen dat ik iets ga vertellen dat ik zelf heb gezien. Ook deze keer komt het op het juiste moment, en misschien kunnen sommige zaken die hier worden beschreven verklaringen geven van verschillende merkwaardige dingen die de laatste vijf jaar in India en Europa zijn gebeurd.

Om te beginnen is dit gedeeltelijke verhaal geschreven volgens een aanwijzing die werd ontvangen uit een bron die ik niet kan negeren en alleen al daarom zal het interessant zijn, omdat we erover gaan nadenken waarom het juist nu nodig is.

Bijna al mijn vrienden in India en Europa zijn ervan op de hoogte dat ik vaak heb gereisd naar het noordelijke deel van het Zuid-Amerikaanse continent en ook naar Mexico. Dat feit is in dit tijdschrift inderdaad genoemd. Op een heel warme dag in juli 1881 stond ik in het portaal van de kerk van St. Theresa in de stad Carácas in Venezuela. Deze stad werd gesticht door de Spanjaarden die Peru en Mexico binnenvielen en bezit een Spaans sprekende bevolking. Een grote menigte mensen stond bij de deur en op dat moment kwam er een processie langs waarbij een klein jongetje vooruit rende en met een ratel veel lawaai maakte om de duivel te verjagen. Toen ik dit zag, zei een stem in het Engels tegen me ‘eigenaardig dat ze die oude uitzonderlijke gewoonte levend hebben gehouden’. Toen ik omkeek, zag ik een merkwaardig uitziende oude man die vreemd glimlachte en zei, ‘Kom met me mee en laten we een praatje maken.’ Ik stemde in en snel leidde hij me naar een huis dat me vaak was opgevallen; boven de deur hing een merkwaardige oude Spaanse gedenkplaat die de plaats wijdde aan de bescherming door Jozef en Maria. Op zijn uitnodiging ging ik naar binnen en zag onmiddellijk dat dit niet een gewoon huis was zoals die in Carácas staan. In plaats van vieze luie Venezolaanse bedienden waren er alleen nette hindoes, zoals ik die vaak had gezien op het naburige Engelse eiland Trinidad; in plaats van de onaangename geur van knoflook en andere dingen die gebruikelijk waren in de stad, hingen er in de lucht verrukkelijke parfums die alleen aan oosterlingen bekend zijn. Dus concludeerde ik onmiddellijk dat me een heerlijk avontuur overkwam.

Nadat we gingen zitten in een kamer die was behangen met wandkleden en werd gekoeld door wuivende punkahs die kennelijk nog niet lang waren opgehangen, begonnen we een gesprek. Ik probeerde erachter te komen wie deze man was, maar hij ontweek mijn vragen. Hoewel hij niet wilde toegeven of ontkennen dat hij de Theosophical Society, Madame Blavatsky of de mahatma’s kende, maakte hij voortdurend toespelingen waardoor ik er zeker van was dat hij alles over ze wist en me bij de kerk doelbewust had benaderd. Na een tamelijk lang gesprek, waarbij ik zag dat hij me waarnam en de invloed voelde van zijn oog, zei hij dat hij de vrijheid nam om iets uit te leggen omdat we voldoende vertrouwd met elkaar waren geworden. Hij was niet voor zijn plezier hierheen gekomen of om daarmee zijn voordeel te doen, maar uitsluitend uit plicht. Ik sprak over de onderaardse gangen vol schatten die in Peru zouden bestaan, en toen zei hij dat het verhaal waar was en dat zijn aanwezigheid daarmee samenhing. Die gangen strekten zich uit van Peru tot Carácas waar we toen waren. In Peru werden ze verborgen gehouden en versperd zodat de mensen ze niet konden bereiken; maar op deze plek was de ingang niet zo goed bewaakt, hoewel in 1812 een vreselijke aardbeving veel van de stad met de aarde gelijk had gemaakt. De Venezolanen waren roofzuchtig en deze mensen in India, die het geheim kenden, hadden hem daarheen gestuurd om te voorkomen dat iemand de ingangen ervan zou vinden. Alleen in bepaalde seizoenen was het mogelijk ze te ontdekken; als het seizoen voorbij was, kon hij veilig vertrekken, want tot dat jaargetijde terugkwam, kon niemand de openingen zonder toestemming of hulp van de adepten vinden. Juist op dat moment klonk er een merkwaardig belgeluid in de lucht en hij verzocht me dringend te blijven tot hij was teruggekeerd, want hij werd weggeroepen; en toen verliet hij de kamer. Ik wachtte lange tijd, vervuld van speculaties, en omdat het laat werd en al na etenstijd, stond ik op het punt te vertrekken. Juist toen kwam er een hindoebediende haastig binnen en ging voor de enige deur staan. Terwijl hij daar stond, hoorde ik een stem als door een lange buis zeggen: ‘Sta nog niet op.’ Ik ging weer zitten, en zag dat aan de muur een merkwaardige brede zilveren plaat hing die helder schitterde, maar die was me nog niet eerder opgevallen. Het moment van de dag was gekomen waarop het licht van de zon op deze plaat viel, en ik zag dat daarop figuren zichtbaar werden die ik niet kon duiden. Ik keek toevallig naar de muur ertegenover en zag dat de plaat een weerspiegeling maakte op een oppervlak dat kennelijk daarvoor was gereedgemaakt en daar werd het hele oppervlak van de plaat weergegeven. Het was een diagram met een kompas, een symbool en vreemde tekens. Ik liep dichterbij om het te bekijken, maar juist op dat moment dook de zon achter de huizen en de figuren waren weg. Het enige wat ik kon herkennen was dat de letters leken op overdreven Tamil of Telugu – misschien Zend. Nog een vage bel klonk en de oude man keerde terug. Hij verontschuldigde zich, en zei dat hij ver weg was geweest, maar dat we elkaar weer zouden ontmoeten. Ik vroeg hem waar en hij zei: ‘In Londen.’ Ik beloofde terug te keren en vertrok snel. De volgende dag kon ik hem helemaal niet vinden en ontdekte dat er twee huizen aan Jozef en Maria waren gewijd en kon niet zeggen in welk van beide ik hem had gesproken. Maar in beide trof ik Spanjaarden aan, Spaanse bedienden en Spaanse geuren.

In 1884 ging ik naar Londen en was het avontuur vergeten. Op een dag wandelde ik een oud straatje in om de oude Romeinse muur aan het Strand te onderzoeken die 2000 jaar oud zou zijn. Toen ik binnenging en het werk bekeek, zag ik een man met een buitenlands uiterlijk staan die naar me keek toen ik binnenkwam. Ik had het gevoel dat hij me kende of dat ik hem had ontmoet, maar was er totaal niet zeker van. Zijn ogen schenen niet bij zijn lichaam te horen en zijn verschijning was tegelijk opzienbarend en aantrekkelijk. Hij sprak met de suppoost, maar zijn stem hielp me niet verder. Toen ging de suppoost naar buiten, en hij kwam naar me toe en zei:

‘Bent u het huis van Jozef en Maria vergeten?’ In een seconde herkende ik de uitdrukking die door de vensters van de ziel keek, maar toch was dit niet dezelfde man. Vastbesloten hem niet tevreden te stellen zei ik eenvoudig ‘nee’ en wachtte.

‘Bent u erin geslaagd de weerspiegeling op de zilveren plaat op de muur te ontcijferen?’ Hier was een volledige identificatie van de plaats, maar niet van de persoon.

‘Wel,’ zei ik, ‘ik zag uw ogen in Carácas maar niet uw lichaam.’ Toen lachte hij en zei, ‘dat was ik vergeten, ik ben dezelfde man, maar ik heb dit lichaam tijdelijk geleend en moet het in feite enige tijd gebruiken, maar ik vind het nogal moeilijk het onder controle te houden. Het is niet echt naar mijn zin. De uitdrukking van mijn ogen kent u natuurlijk, maar ik vergat dat u met gewone ogen naar het lichaam kijkt.’

Ik vergezelde hem opnieuw naar zijn woning en als ik niet aan zijn persoon dacht, maar alleen luisterde met de ziel, vergat ik de verandering. Toch was die altijd aanwezig, en hij was zo vriendelijk me verslag uit te brengen van enkele dingen die met hemzelf verband hielden en interessant en boeiend waren. Hij begon als volgt.

‘Ik liet toe dat ik mezelf bedroog, en in dat toevluchtsoord in Noord-India waar ik vele jaren heb doorgebracht, vergat ik de Bhagavad Gita waarin wordt gezegd dat een mens de vriend en de vijand van zijn ziel is. Maar de kans deed zich voor om de schade die was opgelopen te herstellen en ik kreeg de mogelijkheid om dit lichaam aan te nemen.’

Op dit punt hoorde ik weer het belgeluid en hij verliet me nogmaals. Toen hij terugkwam, hervatte hij zijn verhaal.

Als ik binnenkort weer de gelegenheid daartoe heb, zal ik dat voorval beschrijven, maar voorlopig moet ik het hierbij laten.

 

Deel 2

Er zijn veel mensen die niet kunnen geloven dat ik ervan ben weerhouden het hele verhaal in een keer te vertellen, en ze hebben geglimlacht toen ze lazen dat ik het zou afmaken ‘als me dat werd toegestaan’. Maar ieder die me goed kent, zal aanvoelen dat er enige waarheid zit in die uitspraak. Het zal degenen die tussen de regels kunnen lezen interesseren te weten dat ik verschillende keren heb geprobeerd het verhaal af te maken om het als één geheel naar het tijdschrift te sturen, maar elke keer als ik het punt bereikte waar het eerste hoofdstuk eindigt, werden mijn ogen troebel, of werden de aantekeningen die klaarlagen voor het werk eenvoudig onzin, of trad er een andere moeilijkheid op, zodat ik tot dit moment niet verder kon komen dan de vorige aflevering. Het is me maar al te duidelijk dat het niet zal worden voltooid, hoewel ik heel goed weet wat ik wil zeggen. Dit deel moet daarom het laatste zijn, omdat toen ik tot een conclusie probeerde te komen veel tijd werd verspild met het vechten tegen wat het ook is dat tracht te voorkomen dat ik volledig in details treedt. Om zelfs zoveel naar buiten te brengen als dit, ben ik dus gedwongen veel gebeurtenissen weg te laten die voor sommige mensen misschien interessant zouden zijn; maar ik zal proberen me vooral die dingen te herinneren en te vertellen die van filosofische aard zijn en me zijn meegedeeld.

Terwijl ik daar zat te wachten op de terugkeer van mijn gastheer, voelde ik de morele invloed van nog een geest, die als een verkoelende bries vanaf de bergen waaide. Het was de geest van iemand die ten minste dat punt had bereikt waar hij niets anders verlangde dan wat karma hem zou brengen, en juist toen die invloed over me kwam, begon ik een stem te horen die als het ware door een buis sprak waarvan het uiteinde in mijn hoofd was, maar die zich over een enorme afstand uitstrekte tot in de ruimte waardoor die stem zwak en veraf klonk. Ze zei:

‘De mens bij wie de hartstochten zijn hart binnengaan zoals water in de niet aanzwellende passieve oceaan vloeit, verkrijgt geluk; niet hij die zich verlustigt in zijn lusten. De man die de lusten van het vlees heeft opgegeven, die zonder buitensporige verlangens werkt, zonder aanmatiging, en vrij van trots, verkrijgt geluk. Dit is vertrouwen in het goddelijke. Een mens die dit vertrouwen in het hoogste heeft, raakt niet op het verkeerde pad: zelfs op het uur van de dood, als dat zou aanbreken, zal hij opgaan in de niet-lichamelijke aard van brahman. Wie geniet van de amrita die is overgebleven van zijn offers, verkrijgt de eeuwige geest van brahman, het hoogste’ (Bhagavad Gita, hfst. 2 en 3).

De atmosfeer van de kamer scheen het geheugen grote kracht te geven, en toen ik die avond naar mijn kamer terugkeerde, troffen mij die zinnen uit de Bhagavad Gita. Ik wist dat ze tot me waren gekomen uit een plaats of van een persoon voor wie ik respect zou moeten hebben.

Vol van dat soort gedachten merkte ik niet dat mijn gastheer was teruggekeerd, en toen ik opkeek was ik nogal verbaasd dat hij aan de andere kant van het vertrek een boek zat te lezen. De Engelse kleren waren weg, en hij was gehuld in een witte Indische lendendoek, en ik kon zien dat hij om zijn lichaam het brahmaanse koord droeg. Om een of andere reden hing aan een ketting om zijn nek een versiersel dat, zo niet van de rozenkruisers, toch heel oud was.

Toen zag ik nog een verandering. Er schenen samen met hem andere bezoekers te zijn binnengekomen, maar niet door de deur; het waren geen mensen. Eerst kon ik ze niet zien, hoewel ik me bewust was van hun aanwezigheid, en na enkele ogenblikken wist ik dat, wat ze ook waren, ze door de kamer heen en weer snelden alsof ze geen doel hadden. Ze hadden nog geen vorm. Dit hield me weer zoveel bezig dat ik niets zei, en mijn gastheer zweeg ook. Na enkele ogenblikken hadden deze rondsnellende bezoekers genoeg materiaal uit de atmosfeer gehaald om gedeeltelijk zichtbaar te worden. Nu en dan veroorzaakten ze een trilling in de lucht alsof ze het medium waarin ze heen en weer bewogen verstoorden, evenals de vin van een vis het wateroppervlak ondoorzichtig maakt. Ik begon te denken aan de elementale vormen waarover we lezen in Bulwer-Lyttons Zanoni, en die worden toegelicht in het merkwaardige boek van Henry Khunrath over de kabbala van de Hebreeën.

‘Wel,’ zei mijn vreemde vriend, ‘ziet u ze? U hoeft niet bang te zijn, want ze zijn ongevaarlijk. Ze zien u niet, op een na, en hij schijnt u te kennen. Mij werd gevraagd om uit te zoeken of u ze kon zien, en ik ben blij dat u dat kunt.’

‘En degene die mij kent’, zei ik. ‘Kunt u die op een of andere manier identificeren?’

‘Wel,’ zei hij, ‘laten we het een hij noemen. Hij schijnt u te hebben gezien – heeft een indruk ontvangen van uw gedaante, zoals een foto op een plaat – ergens op een of andere plek, en ik zie ook dat hij met u is verbonden door een naam. Ja, het is ––.’

En toen gaf hij de naam van een zogenaamde elementaal of natuurgeest waar men ooit enkele jaren geleden in New York over kon horen.

‘Hij kijkt nu naar u, en schijnt iets te zoeken. Wat heeft u in uw bezit gehad of heeft u gemaakt, waar hij van wist?’

Ik herinnerde me toen een bepaalde plaat, een kopie van een Egyptische papyrus van de Hal van de Twee Waarheden waarop de beproeving van de dood stond afgebeeld, en dus antwoordde ik dat ik het betreurde dat ik haar niet bij me had om aan mijn vriend te laten zien. Maar op het moment dat ik dat zei, zag ik juist die plaat op de tafel liggen. Waar ze vandaan kwam, wist ik niet, omdat ik me niet herinnerde haar te hebben meegebracht. Ik stelde echter geen vragen en wachtte, terwijl mijn gastheer intensief keek naar de ruimte boven mijn hoofd.

‘Ah, daar was hij naar op zoek, en hij schijnt heel tevreden te zijn’, zei hij, alsof ik hem evenals hij kon horen en zien. Ik wist dat hij doelde op de elementaal.

Op een ander moment werd mijn aandacht sterk gericht op de plaat. Het oppervlak ervan boog op en neer alsof er golven overheen gingen, en er klonken krakende geluiden uit elk deel ervan. Ze werden luider en de beweging hield op, terwijl uit een bepaald punt een dunne witachtige damp opsteeg die onbestendig heen en weer zweefde. Intussen schenen de vreemde bezoekers, waarvan ik sprak, dichtbij het papier heen en weer te razen, terwijl een van hen nu en dan een duikvlucht leek te maken van de ene kant van de kamer naar de andere, wat gepaard ging met een zwak metaalachtig gegons dat op zijn snelle beweging volgde.

Hier moet ik met tegenzin een sluier laten vallen. Laat ik de eenheid en de structuur van het verhaal geweld aandoen door slechts een paar zinnen te geven en het aan de verbeelding overlaten om conclusies te trekken.

‘Die vreemde aanduidingen van vormen? Heel eenvoudig. Ze werden gezien door de zieneressen in de tempel. Het is waar dat elementalen als zodanig geen vorm hebben. Maar er zijn ongetwijfeld typen, en [die] Egyptenaren waren geen mensen die de dingen onwetenschappelijk benaderden. Er is een occulte reden waarom deze bepaalde gedaanten, hoewel ze geen vorm hebben, werden aangenomen. En omdat ze al een keer zijn aangenomen en door de ziener zo werden gezien, herhaalden ze altijd die vorm voor die personen. Dus de vertegenwoordiger van het astrale licht of van wijsheid of van de optekenende engel, heeft een gele kleur, is heel lang met een lange snavel zoals een ooievaar. Of degene die het gewicht van de ziel draagt, wordt altijd afgebeeld met de kop van een jakhals. Nee, het is niet verboden de occulte reden te vertellen. Maar dit is het geval: er wordt ons gezegd dat er maar één op de duizend toehoorders de betekenis of de reden ervan zou begrijpen. Denk ook eens na over het eigenaardige feit dat alle rechters die daarboven zitten gelijksoortige hoofden hebben, hoewel ze van kleur verschillen, en elk van hen heeft een veer, het symbool van de waarheid, op zijn hoofd. Nee, het is niet iets van de hindoes, en toch is het hetzelfde. Ze zeiden meestal, en ik denk dat u het in een van hun boeken kunt vinden, dat ‘alles in de hoogste ziel bestaat, en de hoogste ziel in alles’ (Bhagavad Gita, 6:30-31). De grote waarheid is dus één, terwijl deze op duizend verschillende manieren kan worden gezien. Wij [Egyptenaren] hadden een bepaalde opvatting en voerden elk symbool consequent door in een stelsel dat overeenstemt met die opvatting. En evenals de hindoes ervan worden beschuldigd afgodenvereerders te zijn omdat ze Krishna hebben voorgesteld met acht armen en staande op de grote olifant, worden wij die niet het beeld van een achtarmige godheid gebruiken, ervan beschuldigd jakhalzen, katten en vogels te hebben vereerd.

Ja, het is jammer, maar het zand dat Egypte bedekt, heeft de grote stem van de sfinx, de esoterische leer, niet kunnen smoren. Maar die stem spreekt niet door ons behalve op de een of andere manier, zoals hier, af en toe. In India brandt het licht, en daar ligt de sleutel nog steeds bij een levend volk ––.’

Juist toen begon de plaat opnieuw te golven en dezelfde witachtige kolom zweefde erboven. Het zwakke gegons van de luchtelementalen begon weer en vroeg nogmaals mijn aandacht, en toen werd het beeld stil.

Ik kan zeggen dat niet de hele conversatie is gegeven. Het is niet nodig dat dat gebeurt. Mijn gastheer bleef al die tijd volkomen stil, en scheen op mijn stem te wachten, dus zei ik:

‘Wat heeft u ertoe gebracht die vredige plaatsen te verlaten waar ware vooruitgang kan worden geboekt?’

‘Wel,’ antwoordde hij, ‘ze waren waarschijnlijk erg vredig en inderdaad was er vooruitgang mogelijk, maar je realiseert je misschien niet dat er ook gevaren zijn. Je hebt Zanoni gelezen en misschien heb je een overdreven idee van de verschrikkelijke wachter op de drempel, en maak je er een werkelijk persoon of ding van. Maar de werkelijkheid is veel erger. Als je komt in wat je de ‘vredige plaatsen’ hebt genoemd, wordt deze kracht tien keer zo sterk als op het gebied waarin we nu in Londen leven.’

‘Waarom, ik dacht dat de neofiet daar, vrij van de vernietigende zorgen van het moderne leven, een gelukkige doortocht maakte over zuivere wateren naar de oevers van de eilanden van geluk.’

‘Verre van dat. Hoewel dat gebied door de geestelijke zon de weldadige invloed ondergaat van die grote wijzen die terwijl ze paranirvana ingaan, hun verzamelde goedheid afwerpen ter wille van ons, wordt het ook getroffen door de duistere invloed die door de donkere kant van de maan wordt geconcentreerd, en wel met onverminderde kracht. De kleine verleidingen en moeilijkheden van uw leven zijn niets vergeleken bij die strijd, want dan realiseert men zich dat ‘het zelf de vijand is van het zelf, en ook zijn vriend’ (Bhagavad Gita, 6:5).’

‘Maar,’ zei ik, ‘was het een grote fout waardoor u tot die taak werd veroordeeld?’

‘Nee, niet groot zoals u het uitdrukt. Maar toch groot genoeg; en als gevolg daarvan moest ik een keuze maken. In Carácas zag u me als een bepaald soort illusie. Daar deed ik wat werd verlangd; de illusie is, afgezien van de ogen ervan, volmaakt. Nu ziet u een andere illusie, en toch tegelijk een werkelijkheid in de betekenis die moderne wetenschappers aan dat woord geven. Het is een lichaam dat leeft en zal sterven. Het karma is misschien hard, maar ik mopper niet. Maar het is niet in elk opzicht een illusie, als u weet dat hoewel dit lichaam spreekt en denkt, ik, de spreker, voor u toch niet zichtbaar ben.’

Dit zijn niet mijn woorden. Als sommige ervan de lezer zinloos of vreemd voorkomen, maak de schrijver dan geen verwijten. Er zijn mensen die het kunnen begrijpen. Er zijn anderen die latente gedachten hebben die slechts deze woorden nodig hebben om die te activeren. Ik kan over hem niet verder in detail gaan dan wat hierboven is gezegd, want hij had zijn redenen om mij daarvan te weerhouden, hoewel hijzelf aan een ander misschien meer erover zou zeggen.

Hij heeft één merkwaardig en interessant feit genoemd, dat het denken van sommigen van u zal stimuleren. Toen ik verwees naar het lichaam dat hij gebruikte, of leende, zei hij:

‘Weet u niet dat er op die manier veel experimenten mogelijk zijn, en dat sommige leerlingen op een ongewone wijze worden onderwezen? Ik heb vele keren naast deze aardse tabernakel gestaan om degenen binnen te laten die, hoewel ze de machinerie goed gebruikten en er een heel respectabel gebruik van maakten, niet wisten wat ze deden. Ze waren, zo u wilt, aan het dromen. Terwijl ze hier in dit lichaam waren, waren ze op dat moment in wezen dat lichaam, spraken de woorden ervan en dachten de gedachten ervan en konden deze niet beheersen. Ze wilden dat in feite niet, omdat ze er volledig mee werden geidentificeerd. Toen ze wakker werden in hun eigen woning, fluisterde óf een bijzondere droom fragmenten van een lied in hun brein, óf ze behielden er geen enkele herinnering aan. In dat geval kan het lichaam, dat in feite de meester is, die dingen doen of zeggen die ik niet zou zeggen – of die de bewoner, die tijdelijk sterk is, zou zeggen op grond van een werkelijke herinnering aan dingen die alleen verband houden met dat leven waarvan zijn toehoorders geen kennis zouden hebben.’

Op dat moment sloeg een klok. De atmosfeer scheen helderder te worden. Een vreemd en toch niet onbekend parfum zweefde door de kamer, en mijn gastheer zei, ‘Ja, ik zal u een vers laten zien dat ik van iemand aan u moet laten zien.’

Hij liep naar de tafel, nam een vreemd boekje met een tekst in het Sanskriet op; het was geel van ouderdom en scheen veel te zijn gebruikt. Hij opende het en las:

‘Deze hoogste geest, dit onvergankelijke wezen, zelfs als het in het lichaam is, handelt niet, en wordt niet beïnvloed, omdat de natuur ervan geen begin en geen eigenschappen heeft. Zoals het albewegende akasa, of de ether, omdat zijn delen uiterst klein zijn, overal heen gaat zonder te worden beïnvloed, zo ook blijft de alomtegenwoordige geest in het lichaam zonder te worden beïnvloed. Zoals een enkele zon de hele wereld verlicht, zo ook verlicht de geest ieder lichaam. Zij die met het oog van wijsheid het lichaam en de geest als verschillend zien, en zien dat er een uiteindelijke verlossing is van de dierlijke natuur, gaan naar de Allerhoogste.’ (Bhagavad Gita, 13:31-34)


Occulte verhalen, blz. 237-47

© 2010 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag