Occulte verhalen
H.P. Blavatsky en W.Q. Judge

isbn 9789070328733, paperback, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever iets worden overgenomen.

© 2010  Theosophical University Press Agency

 

 
      Inhoudsopgave     
 
De galerij van de levende beelden
 

Hoewel aan de beeldengalerij waarover ik nu ga schrijven sinds lang geen aandacht is besteed – en, nadat zijn bewakers die plek hebben verlaten, daar nooit meer is gezien – bestaan er nog steeds soortgelijke galerijen op plaatsen waar men niet kan komen, tenzij men erheen wordt geleid. Ze zijn nu op afgelegen en ontoegankelijke plaatsen verborgen: in de bergen van de Himalaja, en aan de andere kant ervan in Tibet, in het onderaardse India en op dat soort mysterieuze plaatsen. Er is geen behoefte aan verslagen van spionnen of bekentenissen van overtreders bij de geheime broederschappen die over zulke vreemde verslaggevers beschikken van de gedragingen, gedachten en de toestand van hen die ze uitbeelden. In de rooms-katholieke orden of in de vrijmetselarij kan een overtreding van de regels niet worden behandeld als niet iemand de schuldige aanbrengt of als deze zelf geen bekentenis aflegt. Menig vrijmetselaar breekt elke dag zowel de geest als de letter van zijn afgelegde geloften, maar als niemand ervan weet of beschuldigingen uitspreekt, blijft hij niettemin een vrijmetselaar van goede naam. De soldaat in het kamp of op het slagveld overtreedt de strikte disciplinaire voorschriften, maar als hij het zo doet dat zij die er ruchtbaarheid aan kunnen geven of hem kunnen straffen het niet zien, blijft hij een vrij man. En in de verschillende godsdienstige organisaties breken de leden voortdurend, hetzij in hun daden of in hun denken, alle geboden, buiten weten van hun medeleden en de hoofden van de kerk, zonder hun goede naam te verliezen. Maar noch de machtige roomse kerk, noch de vrijmetselaars, noch welke godsdienstige sekte ook, bezit zo’n galerij als die waarover ik zal proberen u iets mee te delen, één waarin elke, ook de geringste, daad of gedachte wordt vastgelegd.

Ik bedoel niet het grote astrale licht dat getrouwe afbeeldingen bewaart van alles wat we doen – of we nu theosoof of spotter, katholiek of vrijmetselaar zijn – maar een werkelijke verzameling doelbewust geconstrueerde evenbeelden, waarbij een bijzonder gebruik wordt gemaakt van een van de vele functies van het astrale licht.

Tijdens een van mijn gesprekken met de oude man die in een dolend oog veranderde, hoorde ik voor het eerst van deze verbazingwekkende galerij, en na zijn dood werd mij die plaats getoond. Ze werd beschermd op het Heilige Eiland, waar sinds eeuwen vele magische zaken bestonden en eigenaardige gebeurtenissen plaatsvonden. U zou me kunnen vragen, waarom ze er nu niet meer worden gevonden, maar u zou me evengoed kunnen verzoeken om uit te leggen waarom Atlantis onder de golven is verzonken of waarom het grote Assyrische Rijk is verdwenen. Ze hebben hun tijd gehad, evenals onze huidige hooggeprezen beschaving haar einde zal bereiken en zal worden uitgewist. De werking van de wet van cyclussen kan niet worden gestuit, en even zeker als de getijden op aarde wisselen en het bloed in het lichaam vloeit, zo zeker zullen grote gebeurtenissen hun einde bereiken en machtige volkeren verdwijnen.

Ik weet niet of het was omdat de oude man zijn einde voelde naderen of dat hij in opdracht van zijn meerderen sprak, toen hij me slechts enkele maanden voor zijn dood vele dingen onthulde en toespelingen maakte op andere zaken. Op een dag betuigde hij spijt over zijn vele fouten, richtte zich tot mij en zei:

‘En heb je nooit de galerij gezien, waar je werkelijke geestelijke toestand zichzelf vastlegt?’

Omdat ik niet wist wat hij bedoelde, antwoordde ik: ‘Ik wist niet dat er hier één was?’

‘Jazeker, ze bevindt zich in de oude tempel ginds bij de berg en de diamant verspreidt daar meer licht dan elders.’

Bang blijk te geven van mijn verregaande onwetendheid, niet alleen over wat hij bedoelde, maar ook over de aard van deze galerij, vervolgde ik het gesprek op een manier waardoor ik meer informatie zou verkrijgen; en in de veronderstelling dat ik op de hoogte was van het bestaan van andere begon hij deze galerij te beschrijven. Maar toen hij bij het belangrijkste deel van de beschrijving kwam, veranderde hij even snel van onderwerp als dat hij het had aangesneden, zodat ik aan nieuwsgierigheid ten prooi bleef. En tot de dag van zijn dood kwam hij er niet op terug. De bijzondere manier van zijn heengaan, gevolgd door het eigenaardige dolende oog, verdreef de gedachte aan de beelden uit mijn geest.

Maar het leek erop of de inwerking van dit zwevende, eenzame, intelligente oog op mijn karakter een aanduiding of voorteken was van mijn kennismaking met de galerij. Zijn terloopse vraag in verband met zijn eigen tekortkomingen en de les die mij werd ingeprent door de verscherping en concentratie van zijn hele natuur in één steeds over het Eiland ronddolend oog, deed me mijn gedachten op mijn innerlijk richten om de zaden van het kwaad in mijzelf te ontdekken en te vernietigen. Intussen verrichtte ik ijverig al mijn plichten in de tempel waarin ik woonde. Op een avond, na in een bepaalde geestelijke toestand te zijn gekomen, sliep ik rustig in, terwijl het witte maanlicht op de vloer scheen, en droomde dat ik de oude man opnieuw ontmoette – zoals tijdens zijn leven – en dat hij me vroeg of ik de beeldengalerij al had gezien. ‘Nee,’ zei ik in de droom, ‘ik heb er niet meer aan gedacht’, waarna ik door het geluid van mijn eigen stem wakker werd. Ik keek omhoog en zag in het maanlicht de gestalte staan van iemand die ik in geen van de tempels had ontmoet. Dit wezen staarde me aan met heldere, koele ogen, en uit de verte klonk wat volgens mij zijn stem was.

‘Volg me.’

Ik stond op en ging naar buiten, de nacht in, en volgde mijn laconieke gids. Het was volle maan; ze stond hoog aan de hemel en vulde de hele omgeving met haar stralenglans. In de verte leken de muren van de tempel, die zich het dichtst bij de berg met de diamant bevonden, lichtgevend te zijn. De gids liep daarheen, en we bereikten de nu wijd openstaande deur. Toen ik de drempel betrad, zweefde plotseling het eenzame, grijze, dolende oog van mijn oude, gestorven vriend en medeleerling mij voorbij en keek diep in de mijne, en in zijn uitdrukking dacht ik te lezen:

‘De beeldengalerij is hier.’

We gingen naar binnen en hoewel daar enkele priesters waren, scheen niemand me op te merken. We gingen over een binnenhof, door een hal en een lange gang, en betraden daarna een hoge ruimte zonder dak en met maar één deur. Alleen de sterren aan de hemel sierden de ruimte boven ons, terwijl vanuit de diamant meer dan maanlicht naar binnen stroomde, waardoor er geen schaduwen waren, en er geen verlichting nodig was. Terwijl de deur geluidloos achter ons dichtviel, zweefde droevige muziek door de ruimte en zweeg. Op dat moment scheen er op een bepaalde plek plotseling een schaduw op te komen, maar ze werd snel door het licht verzwolgen.

‘Neem zorgvuldig waar, maar raak niets aan en wees nergens bang voor’, zei mijn zwijgzame begeleider. Met deze woorden keerde hij zich om en liet me alleen.

Maar hoe had ik me alleen kunnen wanen? De ruimte was vol gezichten. Ze waren over de hele lengte van de hal in rijen opgesteld; bij de vloer, daarboven, en hoger, aan de muren, in de lucht, overal behalve in één gangpad; maar geen enkel bewoog zich van zijn plaats, en toch schenen alle beelden te leven. En met tussenpozen verschenen vreemde, waakzame schepsels uit de wereld van de elementalen, die zich van de ene naar de andere plaats begaven. Bewaakten ze mij of de gezichten? Het ene ogenblik dacht ik dat ze mij in het oog hielden, want uit de hoeken van hun ogen keken ze soms plotseling in mijn richting, maar het volgende moment gebeurde er iets waaruit bleek dat ze de gezichten bewaakten of bekeken.

Ik keek naar het gezicht van een oude vriend van ongeveer mijn eigen leeftijd, die naar een ander deel van het eiland was gestuurd; en dit vervulde me met een onverklaarbaar gevoel van verdriet. Een van de merkwaardige elementale wezens naderde het geruisloos. Met verbazing keek ik gespannen toe, want het beeld van mijn vriend scheen duidelijk alle kleur te verliezen. De uitdrukking ervan wisselde elk ogenblik. Van wit werd het grijs en geel en weer grijs en werd toen plotseling volkomen zwart, als door een snelle ontbinding. Daarop zweefde weer die droevige muziek voorbij, die ik had gehoord toen ik binnenkwam, terwijl de zwartheid van het gelaat een schaduw scheen te werpen, maar dit duurde niet lang. Het elementaal wierp zich op het nu zielloze, zwartgeworden gelaat, scheurde het in stukken en verspreidde de atomen ervan door een aan hem bekend proces en herstelde de helderheid van de plek. Maar helaas! Het beeld van mijn oude vriend was verdwenen en ik voelde innerlijk een bijna ondraaglijke zwaarmoedigheid als van wanhoop.

Toen ik aan de omgeving gewend raakte, hoorde ik zo nu en dan lieflijke, maar lage tonen, die uit de gezichten schenen te komen. Dus koos ik er een uit, ging er tegenover staan en sloeg het gade. Het was stralend en zuiver. Zijn ogen keken in de mijne met de gedeeltelijke bewustheid van een droom. Ja, af en toe keek het iets helderder, en terwijl dat gebeurde hoorde ik de zachte muziek. Dit gaf me de overtuiging dat de veranderingen in de gezichtsuitdrukking met de muziek samenhingen.

Maar omdat ik bang was te worden weggeroepen, begon ik de verzameling zorgvuldig te onderzoeken en ontdekte dat al mijn medediscipelen daar waren afgebeeld, maar ook honderden die ik nooit had ontmoet, en elke priester van hoge of lage rang die ik op het eiland had gezien. Maar dezelfde droeve muziek herinnerde me elke keer aan het zwartworden van het beeld van mijn vriend. Ik wist dat ze het zwartworden en de vernietiging van andere beelden betekende door de waakzame elementalen, die ik vaag kon onderscheiden, terwijl ze zich telkens als die tonen weerklonken ergens op wierpen. Ze deden denken aan geweeklaag van engelen als ze weer een sterveling morele zelfmoord zien plegen.

Na enige tijd begon ik de betekenis van deze galerij te begrijpen. Hier bevonden zich levende beelden van alle leerlingen en priesters van de door de adepten van de Diamantberg gestichte orde. De met leven begiftigde beelden waren door onzichtbare draden verbonden met het karakter van hen die zij voorstelden, en als via een telegraaf deden ze ogenblikkelijk en nauwkeurig verslag van de gemoedstoestand van de discipel. Als deze volledig faalde werd het zwart en werd vernietigd; als hij op geestelijk gebied vooruitgang boekte, gaf de mate van helderheid nauwkeurig het punt aan dat hij had bereikt. Toen ik tot deze conclusie kwam, vervulden sterkere en machtiger klanken de zaal. Vlak voor me stond een mooi en vredig gelaat; zijn glans overtrof het omringende licht en ik wist dat een onzichtbare broeder – hoe ver weg of nabij was me onbekend – een hoge graad van ontwikkeling had bereikt, die met zulke klanken overeenkwam. Op dat moment trad mijn gids weer binnen; ik ontdekte dat ik me nabij de deur bevond; ze stond open, en samen gingen we naar buiten en namen dezelfde weg terug waarlangs we waren binnengekomen. Eenmaal buiten gaf de ondergaande maan aan hoelang ik in de galerij was geweest. Het zwijgen van mijn gids voorkwam een gesprek, en hij keerde met me terug naar de kamer die ik had verlaten. Daar bleef hij staan en staarde naar me, en nogmaals hoorde ik als uit de verte zijn vragende stem, die slechts scheen te zeggen:

‘Wel?’

In mijn geest vormde zich de vraag: ‘Hoe worden deze gezichten gemaakt?’

Uit zijn hele omgeving, maar niet van zijn lippen, kwam het antwoord:

‘U kunt het niet begrijpen. Het zijn geen personen en toch zijn ze uit hun geest en hun lichaam gevormd.’

‘Was mijn gedachte juist dat ze door onzichtbare draden met hen die zij voorstellen zijn verbonden, en dat de toestand van de persoon daarlangs wordt doorgegeven?’

‘Ja, volkomen. En ze vergissen zich nooit. Van dag tot dag veranderen ze ten goede of ten kwade. Zodra de leerling het pad heeft betreden, wordt daar zijn beeld gevormd, en we hebben geen spionnen, geen dienstwillige medediscipelen nodig om beschuldigingen te uiten, noch rapporten of organisatorische rompslomp. Alles registreert zichzelf. We hoeven slechts het beeld te beschouwen om precies te weten hoe de discipel voor- of achteruitgaat.’

‘En die merkwaardige elementalen,’ dacht ik, ‘voeden ze zich met de zwartgeworden beelden?’

‘Zij zijn onze aaskevers. Ze verzamelen en verspreiden de ontbonden en schadelijke atomen die de beelden hebben gevormd vóór ze zwart werden – en niet langer geschikt zijn voor zulk goed gezelschap.’

‘En de muziek, was die afkomstig van de beelden?’

‘O, mijn jongen, je moet nog veel leren. Ze was van hen afkomstig, maar ze is ook van elke andere ziel. Ze is de trilling van de gedachten en het geestelijke leven van de discipel; het is de muziek van zijn goede daden en zijn broederlijke liefde.’

Toen kwam een verschrikkelijke gedachte in mij op. ‘Hoe kan iemand – als dat al mogelijk is – zijn eenmaal zwartgeworden beeld in de galerij herstellen?’

Maar mijn gids was verdwenen. Er was slechts een zwak ruisend geluid – en drie diepe van veraf klinkende tonen als van een grote bronzen klok!


Occulte verhalen, blz. 206-12

© 2010 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag