Oceaan van theosofie
William Quan Judge

bestel boek

2de herziene druk 2013

© 2013  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     
   

 

14 Cyclussen

De leer van de cyclussen is een van de belangrijkste in het hele theosofische stelsel, hoewel de minst bekende en een lering waarnaar het minst wordt verwezen. Westerse onderzoekers hebben al enkele eeuwen vermoed dat gebeurtenissen zich in cyclussen afspelen, en enkele schrijvers van de Europese literatuur hebben zich met het onderwerp beziggehouden, maar allemaal op een heel onvolledige manier. Deze onvolledigheid en het gemis aan nauwkeurige kennis zijn te wijten aan het gebrek aan geloof in spirituele dingen en het verlangen alles in overeenstemming met de materialistische wetenschap te brengen. Ook beweer ik niet de wet van de cyclussen hier volledig te geven, want deze is door de meesters van wijsheid niet in detail bekendgemaakt. Maar er is genoeg van onthuld, en er was gedurende lange tijd aan de Ouden genoeg van bekend om onze kennis aanzienlijk uit te breiden.

Een cyclus is, zoals de afleiding van het woord aangeeft, een kringloop, een rondgang. De daarmee overeenkomstige woorden in het Sanskriet zijn yuga, kalpa, manvantara, maar van deze woorden komt yuga het dichtst bij cyclus, omdat het minder lang duurt dan de andere. Het begin van een cyclus moet een moment zijn dat, aan andere momenten toegevoegd, een dag vormt, en deze samengevoegd vormen maanden, jaren, tientallen jaren en eeuwen. Het Westen gaat nauwelijks verder. Het kent de maancyclus en de grote sterrencyclus, maar beschouwt beide en ook de andere slechts als tijdperken. Als we ze slechts als tijdsduur moeten beschouwen, hebben ze geen waarde, behalve voor droge studie of voor een astronoom. En op deze manier worden ze nu door Europese en Amerikaanse denkers beschouwd, die zeggen dat cyclussen bestaan maar dat ze geen grote invloed op het menselijk leven hebben en zeker niet op een daadwerkelijke terugkeer van gebeurtenissen of op het weer op het toneel van het leven verschijnen van mensen die eens in deze wereld leefden. De theosofische theorie is beslist anders; dat moet ook wel als ze steunt op de reïncarnatieleer, waaraan in de voorgaande bladzijden veel aandacht is besteed. Niet alleen worden cyclussen werkelijke fysieke feiten in de tijd genoemd, maar zij en andere tijdperken hebben een grote invloed op het menselijk leven en op de evolutie van de aarde met alle daarop voorkomende levensvormen. Een cyclus begint met een moment, gaat door en vormt een dag, en wordt volgens deze theorie een veelomvattende kringloop die alles binnen zijn grenzen omvat. Als het moment de basis is, dan rijst over de grote cyclussen de vraag: Wanneer was het eerste moment? Hierop kan geen antwoord worden gegeven, maar men kan zeggen dat de oude theosofen als waarheid aannamen dat op de eerste ogenblikken van het verharden van deze aardbol de hoeveelheid stof die daarbij betrokken was, een bepaalde frequentie kreeg die tijdens alle veranderingen in elk deel ervan zal blijven bestaan, totdat de tijd voor ontbinding aanbreekt. Deze frequenties bepalen de verschillende cyclussen; en in tegenstelling tot de opvattingen van de westerse wetenschap wordt geleerd dat er een eind komt aan het zonnestelsel en de aardbol waarop we ons nu bevinden, wanneer de kracht die achter de hele massa zichtbare en onzichtbare stof staat volgens de cyclische wet zal zijn uitgewerkt. En ook hier verschilt onze leer van zowel de godsdienstige als de wetenschappelijke. We nemen niet aan dat de kracht eindigt doordat een God zijn bescherming terugneemt of plotseling een andere kracht op de aardbol laat werken, maar zeggen dat de kracht die hier werkt en die ook de grote cyclus bepaalt, die van de mens zelf is, opgevat als spiritueel wezen; wanneer hij ophoudt deze aardbol te gebruiken, verlaat hij deze, en met hem verdwijnt de kracht die alles samenhoudt; het gevolg is ontbinding door vuur, water of iets anders, en deze verschijnselen zijn eenvoudig gevolgen en geen oorzaken. Volgens de gangbare wetenschappelijke opvattingen over dit onderwerp zou de aarde op de zon kunnen vallen, of zou een compacte komeet de aardbol kunnen vernietigen of zouden we in botsing kunnen komen met een grotere, bekende of onbekende planeet. Deze dromen zijn voorlopig zinloos.

Omdat reïncarnatie de grote wet van leven en vooruitgang is, is ze verweven met die van de cyclussen en karma. Deze drie werken samen, en in de praktijk is het bijna onmogelijk reïncarnatie en de wet van de cyclussen los van elkaar te zien. Individuen en volkeren komen in bepaalde stromen en met regelmatige tussenpozen op aarde terug en brengen dan de kunsten, de beschaving en dezelfde mensen met zich mee die eens daarop werkten. En omdat de eenheden van een volk of een ras door sterke onzichtbare draden met elkaar zijn verbonden, herenigen zich op verschillende tijden grote groepen van die eenheden, die samen langzaam maar zeker voortgaan, en telkens weer in een nieuw ras en een nieuwe beschaving tevoorschijn komen, terwijl de cyclussen hun vastgestelde omwentelingen volbrengen. En dus zullen de zielen die de oudste beschavingen opbouwden, weer terugkomen en de denkbeelden en de essentie van die oude beschaving met zich meebrengen, en gevoegd bij wat anderen aan de ontwikkeling van het karakter en de kennis van de mensheid hebben bijgedragen, zullen ze een nieuwe en hogere graad van beschaving voortbrengen. Deze nieuwere en betere ontwikkeling zal niet zijn te danken aan boeken, verslagen, kunst of techniek, want al het fysieke bewijsmateriaal daarvoor wordt periodiek vernietigd; maar omdat de ziel altijd in manas de kennis bewaart die ze eens heeft verkregen, en de hogere beginselen en vermogens steeds tot vollediger ontwikkeling aanzet, blijft de essentie van de vooruitgang bewaard en zal – zo zeker als de zon schijnt – tevoorschijn komen. En langs deze weg zijn er punten waarop de kleine en grote cyclussen van avatara’s ten bate van de mens grote figuren voortbrengen, die van tijd tot tijd de mensheid hervormen.

De cyclus van de avatara’s omvat enkele kleinere cyclussen. De grotere worden gekenmerkt door het verschijnen van Rama en Krish.na onder de hindoes, van Menes onder de Egyptenaren, van Zarathoestra onder de Perzen en van Boeddha voor de hindoes en andere oosterse volkeren. Boeddha is de meest recente van de grote avatara’s en behoort tot een grotere cyclus dan die van Jezus voor de joden, want de leringen van laatstgenoemde zijn dezelfde als die van Boeddha, en zijn gekleurd door wat Boeddha aan degenen die Jezus onderwezen, had geleerd. Een andere grote avatara, overeenkomend met Boeddha en Krish.na samen, moet nog komen. Krish.na en Rama waren van een militaire, wereldlijke, religieuze en occulte soort, Boeddha van een ethische, religieuze en mystieke waarin hij door Jezus werd gevolgd. Mohammed was een minder grote die tussen andere in verscheen, gekomen voor een bepaald deel van het ras, en was wereldlijk, militair en religieus. Bij deze cyclussen horen ook gemengde figuren die een grote invloed op een volk hebben gehad, zoals koning Arthur, Farao, Mozes, Karel de Grote, gereïncarneerd als Napoleon Bonaparte, Clovis van Frankrijk, gereïncarneerd als keizer Frederik III van Duitsland, en Washington, de eerste president van de Verenigde Staten van Amerika, waar de wortels voor het nieuwe ras worden gevormd.

Als de grote cyclussen elkaar snijden, brengt dit dynamische gevolgen met zich mee die de oppervlakte van de planeet veranderen door middel van het verschuiven van de polen van de aardbol of door andere verstoringen. Dit is geen algemeen aanvaarde theorie, maar volgens ons is ze waar. De mens is een grote dynamo die energie voortbrengt, opslaat en uitstraalt, en wanneer grote groepen mensen die samen een ras vormen zó energie voortbrengen en verspreiden, heeft dit een dynamische uitwerking op het materiaal van de aardbol die krachtig genoeg is om op te vallen en wereldrampen te veroorzaken. Dat er grote en ontzaglijke verstoringen in de geologische lagen van de aarde zijn geweest, wordt algemeen aangenomen en behoeft hier geen bewijs; deze verstoringen waren, wat de geologie betreft, het gevolg van aardbevingen en ijsvorming; maar over de diersoorten leert de wet van de cyclussen dat bepaalde soorten die nu zijn uitgestorven en ook bepaalde menselijke vormen die niet bekend zijn, hoewel het bestaan ervan soms wordt vermoed, in hun eigen cyclus zullen terugkeren; en bepaalde menselijke talen waarvan men weet dat ze nu dood zijn, zullen op het vastgestelde cyclische uur opnieuw worden gebruikt.

‘De metonische cyclus is die van de maan. Het is een periode van ongeveer 19 jaar, waarna de nieuwe en de volle maan op dezelfde dagen van de maand terugkeren.’

‘De zonnecyclus is een periode van 28 jaar, na afloop waarvan de dominica of zondagsletters weer op hun vroegere plaats terugkeren en weer in dezelfde volgorde staan overeenkomstig de Juliaanse kalender.’

Het grote siderische jaar is de tijd die de nachteveningspunten nodig hebben om in hun precessie een volledige omloop aan de hemel te beschrijven. Het telt bijna 25.868 zonnejaren. Men zegt dat het laatste siderische jaar ongeveer 9.868 jaar geleden eindigde, en er moet toen op onze aarde een hevige wereldramp of een reeks wereldrampen hebben plaatsgevonden en ook een verspreiding van volkeren. Na het voltooien van deze grote periode komt de aarde in nieuwe ruimten van de kosmos, niet als gevolg van het verloop van haar baan, maar doordat de zon zich in een eigen baan beweegt die door geen enkele waarnemer van nu kan worden gemeten, maar die door sommigen wordt vermoed en in een van de sterrenbeelden wordt gelokaliseerd.

De cyclussen die speciaal de mens beïnvloeden, zijn de spirituele, psychische en morele, en daaruit ontstaan de nationale, de ras- en de individuele cyclussen. De ras- en nationale cyclussen zijn historisch. De individuele cyclussen zijn die van reïncarnatie, van gewaarwording en van indrukken. De lengte van de individuele reïncarnatiecyclus bedraagt voor het grootste deel van de mensheid 1500 jaar, en dit geeft ons weer een grote historische cyclus die nauw verband houdt met de vooruitgang van de beschaving. Want, omdat grote aantallen mensen uit devachan terugkomen, zullen het Romeinse, het Griekse, het oude Indo-Europese en andere tijdperken opnieuw verschijnen, en dit kan voor een groot deel duidelijk worden gevolgd. Maar de mens wordt ook beïnvloed door sterrenkundige cyclussen, omdat hij een onlosmakelijk deel van het geheel is, en die cyclussen markeren de tijdperken waarin de mensheid als geheel een verandering zal ondergaan. Deze worden in de heilige boeken van alle volkeren vaak genoemd, en zijn te vinden in de Bijbel van de christenen, bijvoorbeeld in het verhaal van Jonas in de buik van de walvis. Dit alles is absurd als het historisch wordt opgevat, maar niet als het als een sterrenkundige cyclus wordt gezien. ‘Jonas’ is in een van de sterrenbeelden, en wanneer dit sterrenkundige punt dat de mens voorstelt een plaats in de dierenriem bereikt, precies tegenover de buik van Cetus, de walvis, gelegen aan de andere kant van de cirkel – een feit dat oppositie wordt genoemd – dan zegt men dat Jonas in het centrum van de vis is, en wordt hij aan het einde van die periode ‘uitgeworpen’ wanneer dit mens-punt zover langs de dierenriem is voortgegaan dat het niet meer in oppositie staat met de walvis. En zo komt ditzelfde punt, terwijl het zich van eeuw tot eeuw langs de dierenriem beweegt, in oppositie met de verschillende sterrenbeelden die precies ertegenover liggen. Tijdens deze voortgang vinden onder de mensen en op aarde veranderingen plaats die door de sterrenbeelden nauwkeurig worden aangeduid wanneer de betekenis ervan wordt verklaard volgens de juiste regels van de symboliek. Hiermee wordt niet beweerd dat de conjunctie de gevolgen veroorzaakt, maar dat eeuwen geleden de meesters van wijsheid alle problemen betreffende de mens hebben doorgrond, en aan de hemel de middelen vonden om de juiste tijdstippen te weten waarop gebeurtenissen zich ongetwijfeld zullen herhalen; en doordat ze de symboliek van de dierenriem in het denken van de oude volkeren inprentten, konden ze het verslag en de voorspelling bewaren. En zoals een horlogemaker ons kan zeggen hoe laat het is, omdat de wijzers of het mechanisme van het horloge op een bepaald vastgesteld punt zijn gekomen, kunnen de wijzen het uur voor het plaatsvinden van gebeurtenissen aflezen van de zodiakale klok. Dit wordt nu natuurlijk niet geloofd, maar in toekomstige eeuwen zal het goed worden begrepen; en omdat de volkeren van deze aarde nu alle dezelfde symbolen voor de dierenriem hebben, en men deze ook vindt in de monumenten van langgeleden uitgestorven rassen, is het niet waarschijnlijk dat de geest van vandalisme in de westerse 19de eeuw dit waardevolle erfstuk van onze evolutie zal kunnen uitwissen. In Egypte vertelt de Dendera dierenriem ons hetzelfde verhaal als dat wat door de oude beschaving van het Amerikaanse continent is overgeleverd, en ze komen alle uit dezelfde bron; ze zijn het werk van de wijzen die aan het begin van de grote menselijke cyclus verschijnen en de mens, wanneer deze aan de moeizame opgaande weg van ontwikkeling begint, die grootse symbolen en denkbeelden van de astronomie geven die gedurende alle cyclussen blijven bestaan.

Aan het begin en het einde van de grote cyclussen vinden er grote wereldrampen plaats, en de belangrijkste wetten die de gevolgen ervan beheersen zijn die van karma en wederbelichaming of reïncarnatie, die een cyclische werking hebben. Niet alleen de mens wordt door deze wetten beheerst maar ook elk stoffelijk atoom, en de grote hoeveelheid materie ondergaat voortdurend veranderingen tegelijk met de mens. Ze moet daarom wijzigingen vertonen die overeenkomen met die van de denker. Op het fysieke gebied worden gevolgen teweeggebracht door elektrische en andere fluïda die met de gassen inwerken op de vaste stoffen van de aarde. Bij de overgang na een grote cyclus bereiken deze wat men het explosiepunt zou kunnen noemen, en veroorzaken dan hevige rampen van de volgende categorieën: (a) aardbevingen, (b) overstromingen, (c) vuur, (d) ijs.

Aardbevingen kunnen volgens deze filosofie door twee algemene oorzaken worden teweeggebracht: ten eerste, verzakking of verheffing onder onze aardkorst als gevolg van hitte en stoom; ten tweede, elektrische en magnetische veranderingen die water en aarde tegelijk beïnvloeden. Laatstgenoemde hebben het vermogen de aarde plotseling vloeibaar te maken, zonder haar eerst te doen smelten, en veroorzaken zo reusachtige en heftige verplaatsingen in grote of kleine golven. En dit verschijnsel wordt ook nu soms in aardbevingsgebieden waargenomen wanneer soortgelijke elektrische oorzaken op kleinere schaal aan het werk zijn.

Overstromingen van normale omvang worden veroorzaakt door de verplaatsing van water als gevolg van de verzakking of verheffing van land, en door deze beide in combinatie met veranderingen van elektrische aard die een overvloedige neerslag teweegbrengen. Dit laatste gebeurt niet slechts omdat een wolk zich leegt, maar omdat grote hoeveelheden vloeistoffen en vaste stoffen zich plotseling omzetten in water.

Wereldwijde branden ontstaan door elektrische en magnetische veranderingen in de atmosfeer, waardoor het vocht aan de lucht wordt onttrokken en laatstgenoemde in een vurige massa verandert; en ten tweede door een plotselinge uitbreiding van het magnetische centrum van de zon tot zeven van die centra, waardoor de aarde in brand raakt.

IJsrampen ontstaan niet alleen door een plotselinge verschuiving van de polen, maar ook door een verlaging van de temperatuur, veroorzaakt door verplaatsing van de warme zeestromen en de hete magnetische stromen in de aarde; de eerste zijn aan de wetenschap bekend, de laatste niet. Het vocht in de onderste lagen van de dampkring bevriest dan plotseling, en grote oppervlakten land worden in één nacht met een dikke laag ijs bedekt. Dit kan gemakkelijk met de Britse eilanden gebeuren als de warme zeestromen langs de kusten ervan worden verlegd.

Zowel de Egyptenaren als de Grieken kenden hun cyclussen, maar hebben die volgens ons overgenomen van de Indiase wijzen. De Chinezen waren altijd een volk van astronomen en hebben lang voor de christelijke jaartelling hun waarnemingen opgetekend; maar omdat ze tot een oud ras behoren dat gedoemd is uit te sterven – hoe vreemd deze bewering misschien ook klinkt – zullen hun gevolgtrekkingen niet opgaan voor de Indo-Europese rassen. Met het aanbreken van het christelijke tijdperk viel in het Westen een zware sluier over het denken van de mens, en werd India eeuwenlang geïsoleerd om deze grootse denkbeelden tijdens Europa’s mentale nacht te bewaren. Deze afzondering werd met opzet teweeggebracht als een noodzakelijke voorzorgsmaatregel van die Grote Loge waarover ik in het eerste hoofdstuk heb gesproken, omdat haar adepten, die de cyclische wetten volkomen kennen, de filosofie voor toekomstige generaties wilden bewaren. Omdat een bespreking van de onbekende saros en naros en andere cyclussen van de Egyptenaren slechts boekenwijsheid en speculatie zou zijn, zal ik de brahmaanse geven, omdat die bijna geheel met de juiste lengten van de tijdperken overeenkomen.

Een periode of het verschijnen van universele manifestatie wordt een brahma.n.da genoemd, dat is een volledig leven van Brahma, en Brahma’s leven bestaat uit zijn dagen en jaren die elk, omdat ze kosmisch zijn, ontzaglijk lang duren. Zijn dag duurt evenals die van de mens ongeveer 24 uur, zijn jaar telt ongeveer 360 dagen; het aantal van zijn jaren bedraagt 100.

Als we nu deze aardbol beschouwen – want we houden ons nu niet met een andere bezig – zien we dat de evolutie ervan plaatsvindt onder leiding van manu (of de ‘mens’), en hiervan is de term manvantara of ‘tussen twee manu’s’ afgeleid. Het verloop van de evolutie wordt verdeeld in vier yuga’s voor elk ras, in zijn eigen tijd en op zijn eigen manier. Deze yuga’s beïnvloeden niet de hele mensheid op hetzelfde moment, want sommige rassen zijn in een bepaald yuga, terwijl andere zich in een andere cyclus bevinden. De indiaan bijvoorbeeld staat aan het einde van zijn stenen tijdperk, terwijl de Indo-Europeanen zich in een heel andere toestand bevinden. Deze vier yuga’s zijn: krita, of satya, het gouden yuga; treta; dvapara; en kali of het zwarte yuga. Het huidige tijdperk voor het Westen en voor India is het kaliyuga, vooral wat betreft de morele en spirituele ontwikkeling. Het eerste van deze is langzaam vergeleken met de andere, en het huidige – kali – verloopt heel snel omdat de beweging ervan wordt versneld op precies dezelfde manier als bepaalde sterrenkundige perioden van de maan, die nu wel bekend zijn, maar nog niet volledig worden doorgrond.

Overzicht  
  Aardse jaren
(ongeveer) 360 aardse dagen zijn gelijk aan 1
kritayuga heeft 1.728.000
tretayuga heeft 1.296.000
dvaparayuga bevat 864.000
kaliyuga heeft 432.000
mahayuga, of de vier bovengenoemde samen, heeft 4.320.000
71 mahayuga’s vormen de regeerperiode van één manu of 306.720.000
14 manu’s zijn gelijk aan 4.294.080.000
Voeg daaraan toe de schemeringen tussen elke manu 25.920.000
Deze regeerperioden en de schemeringen vormen 1000 mahayuga’s, een kalpa, of dag van Brahma 4.320.000.000
Brahma’s nacht is gelijk aan zijn dag. Dag en nacht samen zijn gelijk aan 8.640.000.000
360 van deze dagen vormen Brahma’s jaar 3.110.400.000.000
100 van deze jaren vormen het leven van Brahma 311.040.000.000.000

Het einde van de eerste 5000 jaar van kaliyuga ligt tussen 1897 en 1898. Dit yuga begon ongeveer 3102 jaar vóór de christelijke jaartelling, op het moment van Krish.na’s dood. Omdat de jaren 1897/98 niet veraf zijn, zullen de mensen van de wetenschap nu de gelegenheid hebben te zien of het einde van de vijfduizendjarige cyclus zal worden voorafgegaan of worden gevolgd door enige natuurrampen of grote veranderingen op staatkundig, wetenschappelijk of fysiek gebied, of al deze tegelijkertijd. Er vinden nu cyclische veranderingen plaats, omdat jaar in jaar uit zielen afkomstig uit vroegere beschavingen incarneren in deze periode waarin vrijheid van denken en handelen in het Westen niet zo beperkt zijn als vroeger op grond van dogmatisch godsdienstig vooroordeel en fanatisme het geval was. En we zijn nu in een cyclus van overgang waarin, zoals in een tijdperk van overgang zou moeten blijken, alles op het gebied van filosofie, religie en maatschappij aan het veranderen is. In een overgangstijd worden de volledige cijfers en regels over de cyclussen niet bekendgemaakt aan een generatie die geld boven ideeën stelt en spot met een spirituele opvatting over de mens en de natuur.

 


Oceaan van theosofie, blz. 136-47

© 2013  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag