De zevenvoudige
samenstelling van de mens
|
|
In godsdienstige kringen binnen het christendom bestaan twee opvattingen over de aard van de mens. De ene is de leer zelf en de andere de gangbare opvatting erover; de eerste is beslist niet geheim in de kerk, maar er wordt in het bijzijn van leken zo zelden over uitgeweid dat ze voor de gewone mens vrijwel verborgen is. Bijna iedereen zegt dat hij een ziel en een lichaam heeft, en daar blijft het bij. Wat die ziel is, of ze de werkelijke persoon is, en of ze zelf vermogens bezit, is iets waar niet naar wordt gevraagd, en de predikanten beperken zich gewoonlijk tot het redden of verdoemen van de ziel. Door er zo over te spreken als iets dat van hemzelf verschilt, is de mens tot de grondgedachte gekomen dat hij geen ziel is, omdat hij die ziel kan verliezen. Hieruit is een geneigdheid tot materialisme ontstaan, waardoor de mens meer aandacht gaat schenken aan het lichaam dan aan de ziel; de laatste wordt aan de genade van de rooms-katholieke priester overgeleverd, terwijl onder andersdenkenden de zorg ervoor gewoonlijk wordt uitgesteld tot het stervensuur. Maar wanneer men de ware leer kent, zal men inzien dat de zorg voor de ziel, die het Zelf is, iets noodzakelijks is, dat iedere dag aandacht vereist en niet kan worden uitgesteld zonder aan de hele mens, zowel ziel als lichaam, ernstig letsel te veroorzaken. Volgens de christelijke leer, door Paulus bekrachtigd – want het dogmatische christendom rust in feite op hem – bestaat de mens uit lichaam, ziel en geest. Dit is de drievoudige samenstelling van de mens, die door theologen wordt aangenomen maar op de achtergrond gehouden, omdat het onderzoek ervan tot gevolg kan hebben dat denkbeelden die eens orthodox waren maar nu ketters zijn, weer ingang zouden vinden. Want als we de ziel op die manier tussen geest en lichaam plaatsen, wordt het bijna noodzakelijk het vraagstuk van de verantwoordelijkheid van de ziel te onderzoeken, omdat het lichaam alleen geen verantwoordelijkheid kan hebben. En om de ziel verantwoordelijk te kunnen stellen voor de verrichte handelingen, moeten we aannemen dat ze vermogens en functies heeft. Op grond hiervan komt men gemakkelijk tot het standpunt dat de ziel van rede voorzien of van rede verstoken kan zijn, zoals de Grieken soms dachten, en dan is men nog maar één stap verwijderd van het verkondigen van theosofische denkbeelden. Deze drievoudige indeling van de aard van de mens omvat in feite de theosofische leer van zijn zevenvoudige samenstelling, omdat de vier andere onderdelen, die in deze indeling niet voorkomen, kunnen worden gevonden in de vermogens en functies van lichaam en ziel, zoals ik hierna zal proberen aan te tonen. Lang geleden heerste de overtuiging dat de mens zevenvoudig is en niet slechts tweevoudig, en werd deze met de bijbehorende bewijzen aan iedereen duidelijk onderwezen; maar zoals ook andere filosofische leringen werd ze uit het oog verloren, omdat ze geleidelijk werd herroepen in een tijd toen in het oosten van Europa een zedelijk verval begon en voordat het materialisme met zijn tweelingbroeder, scepticisme, overal ging heersen. Na het herroepen ervan resteerde in het christendom het huidige dogma van lichaam, ziel en geest. De reden voor het verbergen en ook voor het nieuw leven inblazen ervan in deze eeuw wordt goed uiteengezet in De Geheime Leer (1:19) van H.P. Blavatsky. In antwoord op de vraag: ‘we kunnen niet begrijpen, hoe enig gevaar zou kunnen ontstaan door het openbaren van een zo zuiver filosofisch leerstuk zoals bijvoorbeeld de evolutie van de planeetketens’, zegt ze: Het gevaar was, dat leringen zoals die van de planeetketen of de zeven rassen direct een sleutel geven tot de zevenvoudige natuur van de mens, want ieder beginsel staat in verband met een gebied, een planeet en een ras, en de menselijke beginselen staan op elk gebied in verband met zevenvoudige occulte krachten – waarvan die van de hogere gebieden een geweldige energie bezitten . . . en waarvan het misbruik onberekenbaar kwaad voor de mensheid zou veroorzaken. Een sleutel die misschien geen sleutel is voor de huidige generatie – vooral niet voor de westerlingen – die immers worden beschermd, juist door hun blindheid en onwetend materialistisch ongeloof in het occulte; maar een sleutel die niettemin heel reëel zou zijn geweest in de vroege eeuwen van het christelijke tijdperk, voor mensen die ten volle overtuigd waren van de realiteit van het occultisme en die een cyclus van ontaarding ingingen die hen vatbaar maakte voor misbruik van occulte krachten en tovenarij van de ergste soort. A.P. Sinnett, voormalig bestuursambtenaar in India, was de eerste die in 1883 de werkelijke aard van de mens schetste in zijn boek Esoteric Buddhism, samengesteld uit door H.P. Blavatsky aan hem verstrekte kennis, direct vanuit de grote loge van ingewijden waarover we hierboven spraken. En door zo aan de westerse beschaving de oude leer voor te leggen, bewees hij zijn generatie een grote dienst en hielp hij de zaak van de theosofie aanzienlijk. Zijn indeling was: 1. Het lichaam, of rûpa 2. Levenskracht, of prâna-jîva 3. Astraal lichaam, of lingaSarîra 4. Dierlijke ziel, of kâmarûpa 5. Menselijke ziel, of manas 6. Geestelijke ziel, of buddhi 7. Geest, of âtman De cursief gedrukte woorden zijn equivalenten in het Sanskriet van de door hem gekozen termen. Deze indeling wordt tot op heden voor alle praktische doeleinden gebruikt, maar kan worden gewijzigd en uitgebreid. Zo krijgt bijvoorbeeld in een latere rangschikking het astraal lichaam de tweede positie in plaats van de derde, maar dit verandert de zaak niet wezenlijk. Dit geeft ons direct een beeld van wat de mens is, heel anders dan de vage beschrijving met de woorden ‘lichaam en ziel’, en tart ook onverschrokken de materialistische opvatting dat het denken wordt voortgebracht door de hersenen en een deel is van het lichaam. Er wordt niet beweerd dat die beginselen tot op heden onbekend waren, want ze werden alle op verschillende manieren opgevat, niet alleen door de hindoes maar ook door veel Europeanen. Maar de beknopte voorstelling van de zevenvoudige samenstelling van de mens in nauw verband met de zevenvoudige samenstelling van de bollenketen, waarop wezens zich ontwikkelen, was nog niet openbaar gemaakt. De Franse abt Éliphas Lévi schreef over het astrale rijk en het astrale lichaam, maar bezat blijkbaar geen kennis van de rest van de leer; en terwijl hindoes de overige termen in hun taal en filosofie bezaten, gebruikten ze geen zevenvoudige indeling, maar baseerden zich hoofdzakelijk op een viervoudige en hielden (als ze dit kenden) het leerstuk van een keten van zeven bollen – waaronder onze aarde – beslist verborgen. Wijlen de geleerde hindoe Subba Row beweerde dat zij een zevenvoudige indeling kenden, maar dat deze niet openbaar was of zou worden gemaakt. Als we deze samenstellende delen op een andere manier beschouwen, kunnen we zeggen dat de lagere mens een samengesteld wezen is, maar dat de mens in zijn werkelijke natuur een eenheid of onsterfelijk wezen is, een drieëenheid bestaande uit geest, onderscheidingsvermogen en denkvermogen, die vier lagere sterfelijke werktuigen of voertuigen nodig heeft door middel waarvan hij in de materie kan werken en uit de natuur ervaring kan opdoen. Deze drieëenheid wordt in het Sanskriet âtman-buddhi-manas genoemd, moeilijk te vertalen in het Nederlands. âtman is geest, buddhi is het hoogste verstandelijke vermogen, dat wat onderscheidt en oordeelt, en manas is denkvermogen. Deze drievoudige groep is de ware mens; en zonder twijfel is deze leer de oorsprong van het theologisch leerstuk van de drieëenheid van vader, zoon en heilige geest. De vier lagere werktuigen of voertuigen vindt men in de rechter kolom van onderstaande tabel:
Deze vier lagere stoffelijke bestanddelen zijn vergankelijk en zijn elk onderhevig aan ontbinding, en ook scheiden ze onderling van elkaar. Wanneer het uur voor hun scheiding aanbreekt, kan de verbinding niet langer standhouden, het stoffelijke lichaam sterft, de atomen, waaruit elk van de vier is samengesteld, beginnen zich van elkaar te scheiden en omdat de samenhang van het geheel wordt verbroken, is het niet langer geschikt als instrument voor de werkelijke mens. Dit is wat wij stervelingen ‘dood’ noemen, maar het is geen dood voor de werkelijke mens, want die kent geen dood, blijft voortbestaan en is onsterfelijk. Hij wordt daarom de triade of de onvernietigbare drieëenheid genoemd, terwijl de andere bekendstaan als het viertal of de sterfelijke vier. Dit viertal of de lagere mens is een produkt van kosmische of fysische wetten en substantie. Het is evenals elk ander stoffelijk ding in de loop van de eeuwen uit kosmische substantie ontwikkeld, en daarom is het onderworpen aan de fysische, fysiologische en psychische wetten die het mensenras als geheel beheersen. Daarom kan de lengte van zijn mogelijke bestaansduur worden berekend, evenals de grens van de spankracht in metalen, gebruikt voor bruggenbouw, door een ingenieur kan worden berekend. Iedere verzameling van deze bestanddelen in de vorm van een mens, heeft daarom een beperkte duur op grond van de wetten van de evolutieperiode waarin hij zijn bestaan heeft. Nu is dat in het algemeen zeventig tot honderd jaar, maar de mogelijke levensduur is langer. Er zijn in de geschiedenis dan ook voorbeelden van gewone mensen, die tweehonderd jaar zijn geworden; door kennis van occulte natuurwetten kan men de mogelijke levensduur verlengen tot bijna vierhonderd jaar.
Men ziet dat het fysieke deel van onze natuur zo met een tweede afdeling wordt uitgebreid, die hoewel onzichtbaar voor het fysieke oog, niettemin stoffelijk is en onderhevig aan verval. Omdat men in het algemeen de gewoonte heeft slechts dat wat men met de fysieke ogen kan zien, werkelijk te noemen, is men tenslotte gaan veronderstellen dat het ongeziene noch werkelijk noch stoffelijk is. Maar men is vergeten dat zelfs op het aardse gebied schadelijke gassen onzichtbaar zijn maar toch werkelijk, en op stoffelijk gebied een krachtige uitwerking kunnen hebben, en dat water in de lucht zwevend en onzichtbaar kan worden gehouden, totdat de omstandigheden veranderen en neerslag veroorzaken. Laten we een korte samenvatting geven voordat we op details ingaan. De ware mens is de drieëenheid âtman-buddhi-manas of geest en denkvermogen, en hij gebruikt bepaalde instrumenten en werktuigen om in contact met de natuur te komen en zo zichzelf te leren kennen. Deze instrumenten en werktuigen worden gevonden in de lagere vier – of het viertal – waarbij elk beginsel in deze categorie op zichzelf een werktuig vormt voor die bijzondere soort ervaring die tot zijn sfeer behoort; terwijl het lichaam het laagste, het minst belangrijke en meest vergankelijke van de hele reeks is. Want wanneer we op de weg omlaag vanuit het hogere denkvermogen het lichaam bereiken, kan worden aangetoond dat al zijn organen op zichzelf zinneloos en nutteloos zijn, wanneer ze het zonder de innerlijke mens moeten stellen. Gezicht, gehoor, gevoel, smaak en reuk behoren niet tot het lichaam, maar tot de tweede onzichtbare fysieke mens, omdat de werkelijke organen voor de uitoefening van die vermogens zich in het astrale lichaam bevinden; en die in het fysieke lichaam zijn slechts mechanische, uitwendige werktuigen om de interactie tussen de natuur en de werkelijke innerlijke organen tot stand te brengen. De Oceaan van Theosofie, W.Q. Judge, blz. 33-9 © 1996 Theosophical University Press Agency |