|
Kâma begeerte
|
|
De schrijver van Esoteric Buddhism – een boek dat allen die de theosofie bestuderen zouden moeten raadplegen, omdat het werd samengesteld uit wenken die door enkele adepten zelf werden gegeven – noemde het vierde beginsel in de samenstelling van de mens kâmarûpa. De reden daarvoor was dat het woord kâma in het Sanskriet ‘begeerte’ betekent, en omdat hij duidelijk wilde maken dat het vierde beginsel ‘het lichaam of het geheel van de begeerten en hartstochten’ was, voegde Sinnett het Sanskrietwoord voor lichaam – rûpa – eraan toe, waardoor het samengestelde woord kâmarûpa ontstond. Ik zal hiervoor het equivalent in onze taal gebruiken – hartstochten en begeerten – omdat die termen de aard ervan precies weergeven. En ik doe dit ook om te wijzen op het grote verschil tussen de psychologie en mentale filosofie van het westen en van het oosten. Het westen verdeelt de mens in intellect, wil en gevoel, maar het is daarbij niet duidelijk of de hartstochten en begeerten op zichzelf een beginsel vormen, of dat ze geheel aan het lichaam zijn toe te schrijven. De meeste mensen beschouwen ze inderdaad als het resultaat van de invloed van het vlees, want ze worden vaak ‘begeerten van het vlees’ en ‘vleselijke lusten’ genoemd. De Ouden en de theosofen weten echter dat ze op zichzelf een beginsel vormen en niet slechts aandriften van het lichaam zijn. De westerse psychologie kan ons hierin niet helpen, want ze staat in de kinderschoenen, en het ontbreekt haar aan kennis over de innerlijke, dat is de psychische natuur van de mens; en op dit punt bestaat het grootste verschil tussen haar en de theosofie. De hartstochten en begeerten worden niet door het lichaam voortgebracht, integendeel, het lichaam is het gevolg van de eerstgenoemde. Door begeerte en hartstocht worden we geboren en keer op keer wedergeboren in een lichaam op deze aarde of op een andere bol. Door hartstocht en begeerte moeten we ons ontwikkelen door de woningen van de dood, die op aarde levens worden genoemd. Door het ontstaan van begeerte in de onbekende eerste oorzaak, het ene absolute bestaan, werd de hele verzameling werelden gemanifesteerd, en door de invloed van begeerte in de nu gemanifesteerde wereld blijft deze wereld voortbestaan. Van de zeven beginselen is het vierde het evenwichtsbeginsel. Het staat in het midden en vandaar gaat de weg op- of neerwaarts. Het is de basis voor het handelen en de drijfveer van de wil. Zoals de oude Hermetici zeiden: ‘Achter de wil staat begeerte’. Want of wij het goede of slechte willen doen, we moeten eerst in ons de begeerte opwekken voor een van deze richtingen. De goede mens, die tenslotte zelfs een wijze wordt, moet in zijn vele levens ooit het verlangen hebben opgewekt naar het gezelschap van heilige mensen en moet zijn verlangen om zich te ontwikkelen levend houden om zijn weg te kunnen vervolgen. Zelfs een Boeddha of een Jezus moest in een of ander leven eerst een gelofte afleggen, dat is een begeerte dat hij de wereld of een deel ervan zou redden, en heeft met dit verlangen levend in zijn hart ontelbare levens lang moeten volharden. En aan de andere kant koesterde een slecht mens ook in leven na leven lage, zelfzuchtige, boosaardige begeerten, waardoor hij dit beginsel verlaagde in plaats van het te zuiveren. Op het materiële en wetenschappelijke gebied van het occultisme – het gebruik van de innerlijke, verborgen krachten van onze natuur – kan de belangrijke kracht van de verbeelding haar werk niet doen wanneer het begeerte-beginsel niet sterk is; want al maakt de wil een vorm, een blauwdruk, hij kan niet werken tenzij hij door begeerte wordt aangespoord, geleid en op peil gehouden. De begeerten en hartstochten hebben daarom twee aspecten, het ene is laag, het andere hoog. Het lage blijkt wanneer het bewustzijn voortdurend geheel omlaag wordt gericht: op het lichaam en het astrale lichaam; het hoge komt tot uiting in de invloed van en het streven naar het verheven drievoud: denkvermogen, buddhi en geest. Dit vierde beginsel lijkt op het teken libra op de weg van de zon door de dierenriem; wanneer de zon (die de werkelijke mens is) dat teken bereikt, hangt ze aan een zijden draadje. Als ze zou teruggaan, dan zouden de werelden worden vernietigd; ze gaat verder en de hele mensheid wordt tot vervolmaking gevoerd. Tijdens het leven is de gehele lagere mens de plaats voor de begeerten en hartstochten – en dat geldt ook voor het astrale lichaam – en evenals bij die etherische tegenhanger van onze fysieke persoonlijkheid, kunnen ze toenemen, verminderen, verzwakken of sterker worden, worden verlaagd of gezuiverd. Bij de dood bezielen ze het astrale lichaam, dat dan slechts een schil wordt; want als een mens sterft, verlaten zijn astrale lichaam en zijn beginsel van hartstocht en begeerte beide het fysieke lichaam, en smelten samen. Pas dan mag men de term kâmarûpa gebruiken, want kâmarûpa bestaat in feite uit het astrale lichaam samen met kâma, en de vereniging van deze twee brengt een gestalte of vorm voort die, hoewel gewoonlijk onzichtbaar, stoffelijk is en zichtbaar kan worden gemaakt. Hoewel het geen verstand en geweten bezit, heeft het eigen vermogens die, wanneer de omstandigheden het toelaten, kunnen worden gebruikt. Deze omstandigheden worden door het medium van de spiritisten verschaft en in elke seancekamer zijn altijd astrale schillen van overledenen aanwezig om de deelnemers, van wie het onderscheidingsvermogen door hun verbaasdheid is verlamd, te bedriegen. Het is de ‘duivel’ van de hindoes en een grotere vijand kan het arme medium niet hebben. Want het astrale spook – of kâmarûpa – is slechts de hoeveelheid begeerten en hartstochten, achtergelaten door de ware mens die naar de ‘hemel’ is vertrokken, en die zich niet bezighoudt met de mensen die zijn achtergebleven en het minst met seances en mediums. En zonder de edele ziel werken deze begeerten en hartstochten alleen op het laagste deel van de aard van het medium, en wekken geen goede elementen op, maar altijd zijn lagere neigingen. Daarom geven zelfs de spiritisten toe dat onder de mediums veel bedrog voorkomt, en mediums hebben vaak bekend: ‘de geesten verleidden mij en op hun verlangen pleegde ik bedrog’. Dit kâmarûpa-spook is ook de vijand van onze beschaving, die ons toestaat mensen voor begane misdaden ter dood te brengen en zo de massa hartstochten en begeerten, die bevrijd zijn van het gewicht van het lichaam en elk ogenblik tot een gevoelig mens kunnen worden aangetrokken, de ether in te sturen. En als het zo wordt aangetrokken, worden de betreurenswaardige beelden van de begane misdaden en ook het toneel van de executie en alle vervloekingen en wraakgedachten die daarmee samengaan, ingeplant in levende personen, die het kwaad niet zien en het niet kunnen afschudden. Zo worden misdaden en nieuwe plannen voor misdaden iedere dag moedwillig verspreid door die landen waar de doodstraf wordt toegepast. De astrale schillen en het nog levende astrale lichaam van het medium, geholpen door bepaalde natuurkrachten, die theosofen ‘elementalen’ noemen, brengen bijna alle verschijnselen van het niet-frauduleuze spiritisme voort. Het astrale lichaam van het medium, dat het vermogen van uitbreiding en uittreding bezit, vormt het raamwerk voor wat ‘gematerialiseerde geesten’ worden genoemd, doet voorwerpen zonder fysieke aanraking bewegen, brengt berichten van overleden familieleden die geen van alle iets anders zijn dan herinneringen en beelden uit het astrale licht; en daarbij gebruikt het en wordt het gebruikt door de schillen van zelfmoordenaars, ter dood gebrachte moordenaars en al die spoken die zich door hun aard dicht bij dit levensgebied bevinden. Het aantal gevallen waarin een mededeling van een werkelijke geest buiten het lichaam wordt ontvangen, is zo klein, dat men ze op de vingers van één hand kan tellen. Maar de geesten van levende mensen komen soms, terwijl hun lichaam slaapt, naar seances en nemen eraan deel. Maar ze kunnen zich dit niet herinneren, weten niet hoe ze het doen, en worden door de mediums niet van de grote massa astrale lijken onderscheiden. Dat zulke dingen door de innerlijke mens kunnen worden gedaan, zonder dat hij zich iets ervan herinnert, bewijst niets tegen deze theorieën, want een kind kan zien zonder te weten hoe de ogen werken en een barbaar, die geen kennis heeft van de ingewikkelde processen die zich afspelen in zijn lichaam, laat de spijsvertering toch volmaakt verlopen. En dat hij zich van dit laatste niet bewust is, is juist in overeenstemming met de theorie, want deze werkingen en handelingen van de innerlijke mens zijn de onbewuste daden van het onderbewuste denken. De woorden ‘bewust’ en ‘onderbewust’ zijn natuurlijk betrekkelijk: de onbewustheid geldt slechts voor de hersenen. En door experimenten met hypnose zijn al die theorieën afdoende bewezen, zoals ooit in de nabije toekomst volledig zal worden erkend. Bovendien vertonen de astrale schillen van zelfmoordenaars en ter dood gebrachte misdadigers van alle schimmen van de Hades de grootste samenhang, bezitten de langste levensduur, en staan het dichtst bij ons, en moeten daarom de werkelijke ‘overgeganen’ van de sceancekamer zijn. Hartstocht en begeerte samen met het astrale modellichaam komen voor bij zowel mens als dier, en ook in het plantenrijk, hoewel in dit laatste slechts weinig ontwikkeld. En op een bepaald punt in de evolutie waren nog geen andere stoffelijke beginselen ontwikkeld en de drie hogere, denkvermogen, ziel en geest, waren slechts latent aanwezig. Tot dat tijdstip waren mens en dier gelijk, want het beest in ons bestaat uit de hartstochten en het astrale lichaam. De mens ontstond door de ontwikkeling van de kiemen van denkvermogen, want hierdoor ontstond de grote differentiatie. De innerlijke god begint met manas of het denkvermogen, en theosofen spreken over de strijd tussen deze god en het lagere beest in ons, en waarschuwen daarvoor. Het lagere beginsel wordt slecht genoemd, want dat is het vergeleken met het hogere, maar toch vormt het de basis voor ons handelen. Wij kunnen niet groeien, tenzij in het zelf eerst krachtig de wens opkomt om zich te verbeteren. In dit aspect wordt het rajas genoemd of de actieve en slechte eigenschap, wat men moet onderscheiden van tamas of de eigenschap van duisternis en onverschilligheid. Groei is niet mogelijk zonder rajas om de impuls te geven, en door dit beginsel van hartstocht te gebruiken worden alle hogere eigenschappen tenslotte ertoe gebracht onze begeerten zo te verfijnen en te verheffen dat ze voortdurend op waarheid en geest zijn gericht. Daarmee zegt de theosofie niet dat we aan onze hartstochten moeten toegeven en ze bevredigen, want een verderfelijker leer werd nooit verkondigd, maar ze geeft aan dat we van de activiteit, opgewekt door dit vierde beginsel, gebruik moeten maken om te blijven stijgen en niet te zwichten voor de macht van de duistere eigenschap, die in vernietiging eindigt na te zijn begonnen met zelfzucht en onverschilligheid. Nu we het terrein hebben verkend en duidelijk hebben gemaakt wat de lagere beginselen zijn, zien we dat de mens volgens de theosofie in het huidige stadium van zijn evolutie een volledig ontwikkeld viertal is, waarbij de hogere beginselen gedeeltelijk zijn ontwikkeld. Daarom wordt ons gezegd dat de mens van nu er blijk van geeft door hartstocht en begeerte te worden gedreven. Dit wordt bevestigd als we kijken naar de wereldbeschavingen, want in alle is dit beginsel de drijfveer; en in landen zoals Frankrijk, Engeland en Amerika komt de verheerlijking ervan tot uitdrukking in de belangstelling voor vertoon, zinnelijke kunst, de strijd om macht en positie, en in alle gewoonten en leefwijzen waarin de bevrediging van de zinnen soms als het hoogste goed wordt beschouwd. Maar omdat het denkvermogen zich steeds verder ontwikkelt naarmate de ontwikkeling van ons mensenras vordert, kan er in alle landen een onderstroom worden waargenomen die wijst op het begin van een overgang van het dier dat de kiem van de werkelijke rede bezit, naar de mens met een volledig ontwikkeld denkvermogen. Bij de meesters die enkele van de oude waarheden hebben bekendgemaakt, staat deze tijd daarom bekend als het ‘overgangstijdperk’. De trotse wetenschap en de nog trotsere godsdienst geven dit niet toe, maar denken dat we altijd zullen zijn wat we nu zijn. Maar theosofen die vertrouwen hebben in hun leraar zien overal om zich heen de bewijzen dat het denken van het mensenras zich uitbreidt en verandert, dat de oude tijd van dogmatiek voorbij is, en dat een ‘tijd van onderzoek’ is aangebroken; dat de vragen elk jaar luider zullen klinken en dat er antwoorden worden verlangd die het denken kunnen bevredigen naarmate dit meer en meer groeit, tot tenslotte alle dogmatiek zal zijn verdwenen, de mensheid en ieder mens zelf gereed zal zijn alle problemen onder ogen te zien, en allen voor het algemeen welzijn zullen werken, en dat het eindresultaat zal zijn de vervolmaking van hen die worstelen om het beest in zich te overwinnen. Om deze redenen worden de oude leringen opnieuw openbaar gemaakt, en theosofie vraagt iedereen na te denken of hij wil zwichten voor het lage, dierlijke, of wil opzien naar en geleid worden door de innerlijke god. Voor een meer volledige behandeling van het vierde beginsel in onze constitutie zouden we al die vragen moeten behandelen die opkomen in verband met wonderdoeners van het oosten, spiritistische verschijnselen, hypnotisme, verschijningen, krankzinnigheid en dergelijke; maar die moeten bewaard blijven voor een afzonderlijke behandeling. De Oceaan van Theosofie, W.Q. Judge, blz. 52-9 © 1996 Theosophical University Press Agency |