Oceaan van theosofie
William Quan Judge

bestel boek

2de herziene druk 2013

© 2013  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     
   

 

6 Kama – verlangen

De schrijver van Esoteric Buddhism – een boek dat iedereen die theosofie bestudeert zou moeten raadplegen, omdat het werd samengesteld uit denkbeelden die door enkele adepten zelf werden gegeven – noemde het vierde beginsel in de samenstelling van de mens kamarupa. De reden daarvoor was dat het woord kama in het Sanskriet ‘verlangen’ betekent, en omdat hij duidelijk wilde maken dat het vierde beginsel ‘het lichaam of het geheel van de verlangens en begeerten’ was, voegde Sinnett het Sanskrietwoord voor lichaam – rupa – eraan toe, waardoor het samengestelde woord kamarupa ontstond. Ik zal hiervoor het equivalent in onze taal gebruiken – begeerten en verlangens – omdat die termen de aard ervan precies weergeven. En ik doe dit ook om te wijzen op het grote verschil tussen de psychologie en mentale filosofie van het Westen en van het Oosten. Het Westen verdeelt de mens in intellect, wil en gevoel, maar het is daarbij niet duidelijk of de begeerten en verlangens op zich een beginsel vormen, of dat ze geheel aan het lichaam zijn toe te schrijven. De meeste mensen beschouwen ze in feite als het resultaat van de invloed van het vlees, want ze worden vaak ‘begeerten van het vlees’ en ‘vleselijke lusten’ genoemd. De Ouden en de theosofen weten echter dat ze op zich een beginsel vormen en niet slechts aandriften van het lichaam zijn. De westerse psychologie kan ons hierbij niet helpen, want ze staat in de kinderschoenen, en ze weet niets over de innerlijke, d.w.z. de psychische natuur van de mens; en op dit punt bestaat het grootste verschil tussen haar en de theosofie.

De begeerten en verlangens worden niet door het lichaam voortgebracht, integendeel, het lichaam is het gevolg van eerstgenoemde. Door verlangen en begeerte worden we geboren en steeds opnieuw geboren in een lichaam op deze aarde of op een andere bol. Door begeerte en verlangen moeten we ons ontwikkelen door de woningen van de dood, die op aarde levens worden genoemd. Door het ontstaan van verlangen in de onbekende eerste oorzaak, het ene absolute bestaan, werd de hele verzameling werelden gemanifesteerd, en door de invloed van verlangen in de nu gemanifesteerde wereld blijft deze wereld voortbestaan.

Van de zeven beginselen is het vierde het evenwichtsbeginsel. Het staat in het midden en vandaar gaat de weg op- of neerwaarts. Het is de basis voor het handelen en de drijfveer van de wil. Zoals de oude hermetici zeiden: ‘Achter de wil staat verlangen’. Want of we nu het goede of slechte willen doen, we moeten eerst in ons het verlangen opwekken voor een van deze richtingen. De goede mens, die uiteindelijk zelfs een wijze wordt, moet in zijn vele levens ooit het verlangen hebben opgewekt naar het gezelschap van heilige mensen en moet zijn verlangen om zich te ontwikkelen levend houden om zijn weg te kunnen vervolgen. Zelfs een Boeddha of een Jezus moest in een of ander leven eerst een gelofte afleggen, d.w.z. van een verlangen getuigen dat hij de wereld of een deel ervan zou redden, en heeft met dit levende verlangen in zijn hart ontelbare levens lang moeten volharden. En aan de andere kant koesterde een slecht mens ook leven na leven lage, egoïstische, boosaardige verlangens, waardoor hij dit beginsel verlaagde in plaats van het te zuiveren. Op het stoffelijke en wetenschappelijke gebied van het occultisme – het gebruik van de innerlijke, verborgen krachten van onze natuur – kan de belangrijke kracht van de verbeelding haar werk niet doen wanneer het vierde beginsel, verlangen, niet sterk is; want al maakt de verbeeldingskracht een vorm, een blauwdruk, de wil kan niet werken tenzij hij door verlangen wordt aangespoord, geleid en op peil gehouden.

De verlangens en begeerten hebben daarom twee aspecten, het ene is laag, het andere hoog. Het lage blijkt wanneer het bewustzijn voortdurend geheel omlaag wordt gericht: op het lichaam en het astrale lichaam; het hoge komt tot uiting in de invloed van en het streven naar het verheven drievoud: denkvermogen, buddhi en geest. Dit vierde beginsel lijkt op het teken libra op de weg van de zon door de dierenriem; wanneer de zon (die de werkelijke mens is) dat teken bereikt, hangt ze aan een zijden draadje. Als ze zou teruggaan, dan zouden de werelden worden vernietigd; ze gaat verder en de hele mensheid wordt tot volmaking gevoerd.

Tijdens het leven is de gehele lagere mens de plaats voor de verlangens en begeerten – en dat geldt ook voor het astrale lichaam – en evenals bij die etherische tegenhanger van onze fysieke persoonlijkheid, kunnen ze toenemen, verminderen, verzwakken of sterker worden, worden verlaagd of gezuiverd.

Bij de dood bezielen ze het astrale lichaam, dat dan slechts een schil wordt; want als een mens sterft, verlaten zijn astrale lichaam en zijn beginsel van verlangen en begeerte beide het fysieke lichaam, en smelten samen. Pas dan mag men de term kamarupa gebruiken, want kamarupa bestaat in feite uit het astrale lichaam samen met kama, en de vereniging van deze twee brengt een gestalte of vorm voort die, hoewel gewoonlijk onzichtbaar, stoffelijk is en zichtbaar kan worden gemaakt. Hoewel het geen verstand en geweten bezit, heeft het eigen vermogens die, wanneer de omstandigheden het toelaten, kunnen worden gebruikt. Deze omstandigheden worden door het medium van de spiritisten verschaft en in elke seancekamer zijn altijd astrale schillen van overledenen aanwezig om de deelnemers, van wie het onderscheidingsvermogen door hun verbazing is verlamd, te bedriegen. Het is de ‘duivel’ van de hindoes en een grotere vijand kan het arme medium niet hebben. Want het astrale spook – of kamarupa – is slechts de hoeveelheid verlangens en begeerten, achtergelaten door de ware mens die naar de ‘hemel’ is vertrokken, en die zich niet bezighoudt met de mensen die zijn achtergebleven en het minst met seances en mediums. En zonder de edele ziel werken deze verlangens en begeerten alleen op het laagste deel van de aard van het medium, en wekken geen goede elementen op, maar altijd zijn lagere neigingen. Daarom geven zelfs de spiritisten toe dat onder de mediums veel bedrog voorkomt, en mediums hebben vaak bekend: ‘de geesten verleidden me, en overeenkomstig hun wens pleegde ik bedrog’.

Dit kamarupa-spook is ook de vijand van onze beschaving, die ons toestaat mensen voor begane misdaden ter dood te brengen en zo de massa begeerten en verlangens, die bevrijd zijn van de last van het lichaam en elk ogenblik tot een ontvankelijk mens kunnen worden aangetrokken, de ether in te sturen. En als het zo wordt aangetrokken, worden de betreurenswaardige beelden van de begane misdaden en ook het toneel van de executie en alle vervloekingen en wraakgedachten die daarmee samengaan, ingeplant in levende personen, die het kwaad niet zien en het niet kunnen afschudden. Zo worden misdaden en nieuwe plannen voor misdaden iedere dag moedwillig verspreid door die landen waar de doodstraf wordt toegepast.

De astrale schillen en het nog levende astrale lichaam van het medium, geholpen door bepaalde natuurkrachten, die theosofen ‘elementalen’ noemen, brengen bijna alle verschijnselen van het niet-frauduleuze spiritisme voort. Het astrale lichaam van het medium, dat het vermogen van uitbreiding en uittreding bezit, vormt het raamwerk voor wat ‘gematerialiseerde geesten’ worden genoemd, laat voorwerpen zonder fysieke aanraking bewegen, brengt berichten van overleden familieleden die geen van alle iets anders zijn dan herinneringen en beelden uit het astrale licht; en daarbij gebruikt het en wordt het gebruikt door de schillen van zelfmoordenaars, ter dood gebrachte moordenaars en al die spoken die zich door hun aard dicht bij dit levensgebied bevinden. Het aantal gevallen waarin een mededeling van een werkelijke geest buiten het lichaam wordt ontvangen is zo klein dat men ze op de vingers van één hand kan tellen. Maar de geesten van levende mensen komen soms, terwijl hun lichaam slaapt, naar seances en nemen eraan deel. Maar ze kunnen zich dit niet herinneren, weten niet hoe ze het doen, en worden door de mediums niet van de grote massa astrale lijken onderscheiden. Dat zulke dingen door de innerlijke mens kunnen worden gedaan, zonder dat hij zich iets ervan herinnert, bewijst niets tegen deze theorieën, want een kind kan zien zonder te weten hoe de ogen werken, en een barbaar die geen kennis heeft van de ingewikkelde processen die zich in zijn lichaam afspelen, laat de spijsvertering toch volmaakt verlopen. En dat hij zich van dit laatste niet bewust is, is juist in overeenstemming met de theorie, want deze werkingen en handelingen van de innerlijke mens zijn de onbewuste daden van het onderbewuste denken. De woorden ‘bewust’ en ‘onderbewust’ zijn natuurlijk betrekkelijk: de onbewustheid geldt slechts voor de hersenen. En door experimenten met hypnose zijn al die theorieën afdoende bewezen, zoals ooit in de nabije toekomst volledig zal worden erkend. Bovendien vertonen de astrale schillen van zelfmoordenaars en ter dood gebrachte misdadigers van alle schimmen van de Hades de grootste samenhang, bezitten de langste levensduur, en staan het dichtst bij ons, en moeten daarom de werkelijke ‘overgeganen’ van de sceancekamer zijn.

Begeerte en verlangen samen met het astrale modellichaam komen voor bij zowel mens als dier, en ook in het plantenrijk, hoewel in dit laatste slechts weinig ontwikkeld. En op een bepaald punt in de evolutie waren nog geen andere stoffelijke beginselen ontwikkeld, en de drie hogere, denkvermogen, ziel en geest, waren slechts latent aanwezig. Tot dat tijdstip waren mens en dier gelijk, want het beest in ons bestaat uit de begeerten en het astrale lichaam. De mens ontstond door de ontwikkeling van de kiemen van denkvermogen, want hieruit bestond de grote differentiatie. De innerlijke god begint met manas of het denkvermogen, en theosofen spreken over de strijd tussen deze god en het lagere beest in ons, en waarschuwen daarvoor. Het lagere beginsel wordt slecht genoemd, want dat is het vergeleken met het hogere, maar toch vormt het de basis voor ons handelen. We kunnen niet groeien, tenzij in het zelf eerst krachtig de wens bestaat om zich te verbeteren. In dit aspect wordt het rajas genoemd of de actieve en slechte eigenschap, wat men moet onderscheiden van tamas, of de eigenschap van duisternis en onverschilligheid. Groei is niet mogelijk zonder rajas die daartoe de impuls geeft, en door dit begeertebeginsel te gebruiken worden alle hogere eigenschappen ten slotte ertoe gebracht onze verlangens zo te verfijnen en te verheffen dat ze voortdurend op waarheid en geest zijn gericht. Daarmee zegt de theosofie niet dat we aan onze begeerten moeten toegeven en ze bevredigen, want een verderfelijker leer werd nooit verkondigd, maar ze geeft aan dat we van de activiteit, opgewekt door dit vierde beginsel, moeten gebruikmaken om te blijven stijgen en niet te zwichten voor de macht van de duistere eigenschap die in vernietiging eindigt na te zijn begonnen met zelfzucht en onverschilligheid.

Nu we het terrein hebben verkend en duidelijk hebben gemaakt wat de lagere beginselen zijn, zien we dat de mens volgens de theosofie in zijn huidige evolutiestadium een volledig ontwikkeld viertal is, waarbij de hogere beginselen gedeeltelijk zijn ontwikkeld. Daarom wordt ons gezegd dat de mens van nu duidelijk door begeerte en verlangen wordt gedreven. Dit wordt bevestigd als we kijken naar de wereldbeschavingen, want in alle is dit beginsel de drijfveer; en in landen zoals Frankrijk, Engeland en Amerika komt de verheerlijking ervan tot uitdrukking in de belangstelling voor vertoon, zinnelijke kunst, de strijd om macht en positie, en in alle gewoonten en leefwijzen waarin de bevrediging van de zinnen soms als het hoogste goed wordt beschouwd. Maar omdat het denkvermogen zich steeds verder ontwikkelt naarmate de ontwikkeling van onze mensheid vordert, kan er in alle landen een onderstroom worden waargenomen die wijst op het begin van een overgang van het dier dat de kiem van het werkelijke denkvermogen bezit, naar de mens met een volledig ontwikkeld denkvermogen. Bij de meesters die enkele van de oude waarheden hebben bekendgemaakt, staat deze tijd daarom bekend als het ‘overgangstijdperk’. De trotse wetenschap en de nog trotsere godsdienst geven dit niet toe, maar denken dat we altijd zullen zijn wat we nu zijn. Maar theosofen die vertrouwen hebben in hun leraar zien overal om zich heen de bewijzen dat het denken van de mensheid zich verruimt en verandert, dat de oude tijd van dogmatiek voorbij is, en dat een ‘tijd van onderzoek’ is aangebroken; dat de vragen elk jaar luider zullen klinken en dat er antwoorden worden verlangd die het denken kunnen bevredigen naarmate dit meer en meer groeit, tot ten slotte alle dogmatiek zal zijn verdwenen, de mensheid en ieder mens zelf gereed zal zijn alle problemen onder ogen te zien, en iedereen voor het algemeen welzijn zal werken, en dat het eindresultaat zal zijn de vervolmaking van hen die worstelen om het beest in zich te overwinnen. Om deze redenen worden de oude leringen opnieuw openbaar gemaakt, en theosofie vraagt iedereen na te denken of hij wil zwichten voor het lage, dierlijke, of wil opzien naar en geleid worden door de innerlijke god.

Voor een vollediger behandeling van het vierde beginsel in onze samenstelling zouden we al die vragen moeten beantwoorden die opkomen in verband met wonderdoeners van het Oosten, spiritistische verschijnselen, hypnotisme, verschijningen, krankzinnigheid en dergelijke; maar die moeten bewaard blijven voor een afzonderlijke bespreking.

 


Oceaan van theosofie, blz. 52-9

© 2013  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag