Manas

We hebben bij onze analyse van de menselijke natuur tot dusver alleen de vergankelijke elementen beschouwd die de lagere mens vormen, en zijn tot het vierde beginsel of gebied – dat van de begeerte – gekomen zonder het denkvermogen te hebben behandeld. Maar zelfs na het weinige dat we hebben gezegd, zal het duidelijk zijn dat er een groot verschil bestaat tussen de gangbare ideeën over het denkvermogen en de theosofische. Gewoonlijk wordt het denkvermogen als onstoffelijk beschouwd, of slechts als de naam voor de werking van de hersenen als voortbrenger van gedachten – een proces dat volkomen onbekend is, behalve dan door gevolgtrekking; of men zegt dat als er geen hersenen zijn, er ook geen denkvermogen kan zijn. Men heeft veel aandacht besteed aan het opsommen van een aantal mentale functies en eigenschappen, maar de termen om werkelijke metafysische en geestelijke feiten over de mens te beschrijven ontbreken geheel in onze taal. Deze verwarring en het gebrek aan woorden voor deze zaken is bijna geheel toe te schrijven ten eerste aan de dogmatische godsdienst, die vele eeuwen lang dogma’s en leringen heeft verkondigd en opgelegd die de rede niet kon aanvaarden, en ten tweede aan de onvermijdelijke strijd die tussen wetenschap en godsdienst ontbrandde, zodra de boeien door de godsdienst de wetenschap aangelegd, waren weggenomen en de laatste werd toegestaan zich met de feiten in de natuur bezig te houden. Vanzelfsprekend kon de wetenschap als reactie op de godsdienst geen ander dan een materialistisch standpunt ten opzichte van de mens en de natuur innemen. En daardoor heeft geen van beide ons de woorden verschaft om het vijfde, zesde en zevende beginsel te beschrijven, die de drieëenheid, de werkelijke mens, de onsterfelijke pelgrim vormen.

Het vijfde beginsel in de door Sinnett aangenomen classificatie is manas en dit wordt gewoonlijk met denkvermogen vertaald. Het heeft nog andere namen gekregen, maar het is de kenner, de waarnemer, de denker. Het zesde is buddhi, of geestelijk onderscheidingsvermogen; het zevende is âtman, of geest, de straal van het absolute zijn. Onze taal is wel toereikend om gedeeltelijk te beschrijven wat manas is, maar niet buddhi of âtman, en zal ook veel punten die betrekking hebben op manas onbeschreven laten.

In de loop van de evolutie ontwikkelden zich de lagere beginselen en werd tenslotte de menselijke vorm voortgebracht met een brein dat betere en diepere vermogens bezat dan dat van enig ander dier. Maar deze mens in vorm was nog niet een mens in verstand, en had het vijfde beginsel nodig, het denkende, waarnemende beginsel om zich van het dierenrijk te onderscheiden en hem het vermogen te verlenen zelfbewust te worden. De monade was in die vormen gevangen en die monade bestaat uit âtman en buddhi, want zonder de aanwezigheid van de monade kan de evolutie niet voortgaan. Als wij een ogenblik teruggaan tot de tijd dat de rassen geen denkvermogen hadden, dan rijst de vraag: ‘Wie gaf hun het denkvermogen, waar kwam dit vandaan en wat is het?’ Het is de schakel tussen de geest van god boven en het persoonlijke beneden; het werd aan de verstandeloze monaden gegeven door anderen, die in andere werelden en wereldstelsels eeuwen en eeuwen geleden dit proces geheel hadden doorlopen, en het kwam daarom uit andere evolutieperioden, die lang voor het begin van het zonnestelsel plaatsvonden en werden voltooid. Dit is de theorie die voor deze tijd vreemd en onaannemelijk is, maar die moet worden verkondigd als we de waarheid over theosofie willen vertellen; en hiermee wordt alleen doorgegeven wat anderen al eerder hebben gezegd.

De manier waarop dit licht van het denkvermogen aan de verstandeloze mens werd gegeven, wordt duidelijk door het beeld van één kaars die vele kaarsen aansteekt. Uitgaande van één brandende kaars en talloze niet-brandende kaarsen, kunnen met dat ene licht ook de andere worden aangestoken. Zo ook met manas. Het is de vlammende kaars. De verstandeloze mensen met hun vier elementaire beginselen, lichaam, astraal lichaam, leven en begeerte, zijn de niet-brandende kaarsen die zichzelf niet kunnen aansteken. De zonen van wijsheid, die de oudere broeders zijn van elke mensenfamilie op welke bol ook, bezitten het licht dat ze van anderen ontvingen en die weer van nog anderen verder terug in een eindeloze reeks, zonder begin of einde. Zij ontsteken de gezamenlijke lagere beginselen en de monade en doen op deze manier het licht van manas in de nieuwe mens ontvlammen, en bereiden zo nog een groot ras voor op de uiteindelijke inwijding. Dit ontsteken van het vuur van manas wordt in alle grote religies en in de vrijmetselarij gesymboliseerd. In het oosten verschijnt een priester die een kaars in de hand houdt die hij op het altaar heeft aangestoken, en duizenden anderen steken hun kaars aan deze ene aan. De parsi’s hebben ook hun heilig vuur dat aan een andere heilige vlam werd aangestoken.

Manas, de denker, is het reïncarnerende wezen, de onsterfelijke, die de vruchten en waarden in zich meedraagt van al de verschillende levens die hij op aarde of elders heeft gehad. Zijn aard wordt tweeledig, zodra hij met een lichaam wordt verbonden. Want de menselijke hersenen zijn een voortreffelijk organisme en manas gebruikt ze om op grond van uitgangspunten conclusies te trekken. Dit ook onderscheidt een mens van een dier, want een dier handelt op grond van automatische en zogenaamd instinctieve impulsen, terwijl een mens zijn verstand kan gebruiken. Dit is het lagere aspect van de denker of manas en niet, zoals sommigen hebben verondersteld, de hoogste en beste gave die de mens bezit. Het andere, en volgens de theosofie hogere aspect, is de intuïtie, die weet en niet afhankelijk is van het verstand. Het lagere en puur intellectuele staat het dichtst bij het begeerte-beginsel en onderscheidt zich daardoor van het andere aspect, dat verwantschap heeft met de hogere en geestelijke beginselen. Als de denker volkomen verstandelijk wordt, begint zijn hele natuur zich neerwaarts te richten, want het intellect alleen is koud, harteloos en zelfzuchtig, omdat het niet wordt verlicht door de twee andere beginselen, buddhi en âtman.

In manas worden de gedachten van alle levens opgeslagen. Dat wil zeggen: in elk leven heeft de som van de gedachten die aan alle daden in dat leven ten grondslag liggen, in het algemeen één bepaald karakter, maar kan toch in één of meer klassen worden ondergebracht. Dat wil zeggen: de huidige zakenman vormt één type; alle gedachten in zijn leven vertegenwoordigen slechts één gedachtengang. De kunstenaar is een ander type. De man die in zaken ging, maar tevens veel dacht aan roem en macht die hij nooit bereikte, is weer een ander. De grote massa zichzelf opofferende, moedige en sterke maar arme mensen die slechts weinig tijd hebben om te denken, vormen nog een afzonderlijke groep. In al deze gevallen vormt de totale hoeveelheid levensgedachten de stroom of de draad van een levensmeditatie – ‘dat waarop het hart was gericht’ – en die wordt in manas opgeslagen om op een of ander tijdstip in een volgend leven weer te voorschijn te komen, als de hersenen en de lichamelijke omstandigheden overeenkomen met die waarin dat soort gedachten werden voortgebracht.

Manas ziet de voorwerpen die aan hem worden voorgelegd via de lichamelijke organen en de ware organen binnenin ons. Wanneer het geopende oog een beeld op het netvlies ontvangt, wordt het hele toneel in de gezichtszenuwen in trillingen omgezet, die naar de hersenen verdwijnen, waar manas ze als een denkbeeld kan waarnemen. En evenzo met elk ander orgaan of zintuig. Als de verbinding tussen manas en de hersenen wordt verbroken, zal het verstand zich niet manifesteren, tenzij manas door oefening heeft ontdekt hoe het astrale lichaam uit het fysieke kan worden geprojecteerd en hij zo in contact kan blijven met zijn medemensen. Dat de organen en zintuigen de voorwerpen niet waarnemen, is nu door het hypnotisme, mesmerisme en spiritisme bewezen. Want zoals we bij proeven met mesmerisme en hypnose zien, is het voorwerp dat wordt gezien of gevoeld en waarbij alle eigenschappen als van vaste voorwerpen kunnen worden waargenomen, vaak slechts een gedachte die in de hersenen van de proefnemer bestaat. En op dezelfde manier hoeft manas, wanneer dit het astrale lichaam gebruikt, slechts een gedachte op de andere persoon af te drukken, om die ander die gedachte te laten zien en te laten omzetten in een zichtbaar voorwerp dat de gebruikelijke eigenschappen van dichtheid en gewicht schijnt te bezitten. En in het hypnotisme zijn er veel experimenten waarin wordt aangetoond, dat de zogenaamde stof niet per se vast en dicht is; dat het zien niet altijd afhankelijk is van het oog en van lichtstralen die van een voorwerp uitgaan; dat wat ontastbaar is voor één normaal stel hersenen en organen, voor een ander volkomen tastbaar kan zijn; en dat fysieke gevolgen in het lichaam alleen al door een gedachte kunnen worden veroorzaakt. De bekende proeven van het opwekken van een blaar door middel van een eenvoudig stukje papier, of van het voorkómen dat een blaartrekkend pleister een blaar veroorzaakt, door op een persoon de gedachte over te brengen dat er al of niet een blaar moet zijn, bewijzen overtuigend het vermogen om de stof te prikkelen door middel van wat manas wordt genoemd. Maar al deze verschijnselen laten de vermogens van het lagere manas zien, werkzaam in het astrale lichaam en het vierde beginsel – begeerte – waarbij het fysieke lichaam wordt gebruikt als het gebied om deze krachten te tonen.

Dit lagere manas bewaart alle indrukken van een heel leven en brengt deze soms op een vreemde manier te voorschijn in trance of in dromen, tijdens het ijlen, in kunstmatig teweeggebrachte gemoedstoestanden en hier en daar onder normale omstandigheden en heel vaak op het moment van de fysieke dood. Maar het wordt zo in beslag genomen door het brein, het geheugen en het ontvangen van indrukken dat het gewoonlijk maar enkele herinneringen aanbiedt uit de massa gebeurtenissen die het door de jaren heeft meegemaakt. Het belemmert de werking van het hogere manas, omdat juist op dit punt in de evolutie, begeerte en al de daarmee samenhangende vermogens, eigenschappen en zintuigen het meest zijn ontwikkeld en zo, als het ware, het witte licht van de geestelijke kant van manas verduisteren. Het wordt gekleurd door elk voorwerp waarmee het in aanraking komt, of dat nu een gedachte of een stoffelijk voorwerp is; d.w.z. het lagere manas, dat door middel van de hersenen werkt, neemt onmiddellijk de vorm en de eigenschappen van een voorwerp aan, mentaal of materieel. Daardoor heeft het vier bijzondere eigenschappen: ten eerste, het kan zich moeiteloos van elk punt, voorwerp of onderwerp verwijderen; ten tweede, naar een aangenaam denkbeeld bewegen; ten derde, naar een onaangenaam denkbeeld; ten vierde, passief blijven en aan niets denken. Het eerste is toe te schrijven aan het geheugen en aan de natuurlijke beweging van manas; het tweede en derde aan het geheugen alleen en het vierde betekent slaap als het niet abnormaal is, en als het abnormaal is, neigt het tot krankzinnigheid. Het hogere manas, geholpen door buddhi en âtman, moet deze mentale eigenschappen, die alle tot het lagere manas behoren, bestrijden en overwinnen. Als het hogere manas kan functioneren, wordt het wat wij soms een genie noemen; als het geheel en al onze meester is, kan men een god worden. Maar het geheugen houdt het lagere manas steeds beelden voor en het gevolg is dat het hogere manas wordt verduisterd. Soms echter zien we op onze levensweg hier en daar mensen die genieën of grote zieners en profeten zijn. Bij hen zijn de hogere vermogens van manas werkzaam en is de persoon verlicht. Zulke mensen waren de grote wijzen van het verleden, zoals Boeddha, Jezus, Confucius, Zarathoestra en anderen. Ook dichters, zoals Tennyson, Longfellow en anderen, zijn mensen bij wie het hogere manas nu en dan een heldere straal op de lagere mens werpt, om echter snel weer te worden verduisterd als gevolg van een dogmatische godsdienstige opvoeding, die het geheugen bepaalde beelden heeft gegeven waardoor manas steeds wordt belet tot volle werkzaamheid te komen.

In deze hogere drieëenheid hebben wij de god boven ieder van ons; dit is âtman en kan het hogere zelf worden genoemd.

Hierna komt het geestelijke deel van de ziel, dat buddhi wordt genoemd; als deze volledig is verenigd met manas, kan ze het goddelijke ego worden genoemd.

Het innerlijke ego, dat reïncarneert, lichaam na lichaam aanneemt, de indrukken van leven na leven opslaat, dat ervaring opdoet en die aan het goddelijke ego toevoegt, en dat gedurende een onmetelijk aantal jaren lijdt en geniet, is het vijfde beginsel – manas – niet verenigd met buddhi. Dit is de blijvende individualiteit die ieder mens het gevoel geeft zichzelf te zijn en niet een ander; het is dat wat bij alle veranderingen van de dagen en nachten, van de jeugd tot het einde van het leven, ons steeds het gevoel van één identiteit geeft; het overbrugt de kloof die door de slaap ontstaat, en op dezelfde manier overbrugt het de kloof die door [de slaap van] de dood ontstaat. Dit beginsel en niet onze hersenen verheft ons boven het dier. De diepte en verscheidenheid van de hersenwindingen in de mens worden veroorzaakt door de aanwezigheid van manas en zijn niet de oorzaak van het denkvermogen. En wanneer wij hetzij volledig, hetzij nu en dan, bewust worden verenigd met buddhi, de geestelijke ziel, dan aanschouwen we als het ware God. Dit is wat de Ouden allen wensten te zien, maar waar de mensen nu niet in geloven; laatstgenoemden geven er de voorkeur aan hun recht om een groots wezen te zijn te vergooien, en een denkbeeldige god te aanbidden, die slechts het produkt is van hun eigen verbeelding en niet veel verschilt van de zwakke menselijke natuur.

Deze blijvende individualiteit in het huidige ras heeft dus allerlei soorten ervaring gehad, want de theosofie houdt vol dat zij blijvend is en dat het noodzakelijk is dat zij blijft deelnemen aan de evolutie. Ze heeft een plicht te vervullen, die bestaat uit het verheffen tot een hogere toestand van alle materie die is betrokken bij de keten van bollen, waartoe de aarde behoort. Wij allen hebben op deze aarde geleefd en maakten deel uit van beschaving na beschaving, ras na ras, en door alle ronden en rassen gaan we daarmee door, tot het zevende is voltooid. Tegelijk moet men bedenken dat de stof van deze bol en die ermee is verbonden, ook elke soort vorm heeft aangenomen, mogelijk op enkele uitzonderingen na in heel lage gebieden van het mineralenrijk. Maar in het algemeen heeft alle zichtbare stof, of de nog ongeprecipiteerde stof die in de ruimte aanwezig is, op verschillende momenten alle mogelijke vormen aangenomen, waarvan vele zodanig waren dat wij er nu geen idee van hebben. Daarom verlopen de evolutieprocessen op sommige gebieden nu sneller dan in vroegere tijdperken, omdat zowel manas als de stof nu gemakkelijker kunnen werken. Dit geldt in het bijzonder voor de mens, die van alle dingen of wezens het verst in deze evolutie is gevorderd. Hij is nu sneller geïncarneerd en in het leven geworpen dan in vroegere perioden, toen het vele jaren kostte om een ‘rok van vellen’ te verkrijgen. Gewone mensen kunnen niet vermijden dat ze telkens weer worden geboren, omdat het lagere manas nog is gebonden aan de begeerte, het overheersende beginsel in deze periode. En omdat manas zo door begeerte wordt beïnvloed, wordt het, terwijl het in een lichaam woont, voortdurend misleid, en door deze misleiding kan het niet voorkómen dat de krachten die tijdens het leven zijn opgewekt, op hem inwerken. Deze krachten worden door manas voortgebracht, dat is door het denken tijdens het leven. Elke gedachte vormt zowel een fysieke als een mentale schakel met de begeerte waarin deze wortelt. Het hele leven is vol met zulke gedachten en wanneer de rustperiode na de dood is afgelopen, is manas als gevolg van de gedachten van het laatste leven door ontelbare elektromagnetische draden met de aarde verbonden, en daarom door begeerte, want begeerte was de oorzaak van zoveel gedachten en onwetendheid over de ware aard van de dingen. Als men deze leer begrijpt dat de mens werkelijk een denker is en een voortbrengsel van het denken, zal al het andere met betrekking tot incarnatie en reïncarnatie duidelijk worden. Het lichaam van de innerlijke mens bestaat uit gedachten. Daaruit moet volgen dat als de gedachten meer verwant zijn aan het aardse leven dan aan het leven elders, een terugkeer naar het leven hier onvermijdelijk is.

Manas is nu nog niet volledig werkzaam in de mens, omdat begeerte nog op de eerste plaats komt. In de volgende cyclus van het menselijke tijdperk zal manas volledig werkzaam en ontwikkeld zijn. De mensen op aarde zijn dus nog niet tot het punt gekomen waarop ze bewust een keuze moeten doen met betrekking tot de weg die ze willen gaan; maar wanneer in de genoemde cyclus manas werkzaam is, zullen allen worden gedwongen in vol bewustzijn tussen rechts of links te kiezen; het ene leidt tot de volkomen en bewuste vereniging met âtman, en het andere tot de vernietiging van de wezens die aan dat pad de voorkeur geven.