| Beginselen van de Mens. De zeven
beginselen van de mens vertonen gelijkenis met, of liever zijn een kopie
van de zeven kosmische beginselen. Ze zijn in werkelijkheid het kroost of
de afspiegeling van de zeven kosmische beginselen, die in hun werking in
ons worden beperkt door de wet van karman, maar wat hun oorsprong betreft
teruggaan tot Dat wat boven alles uitgaat, tot Dat wat de essentie is van
het heelal of het universele - boven, voorbij, binnen, tot het Ongemanifesteerde,
tot het Onmanifesteerbare, tot dat eerste Beginsel waarover H.P. Blavatsky
sprak als de leidende gedachte van de wijsheid-filosofie van De Geheime
Leer. In de filosofie die de geestelijke en psychische economie van de mens in deze eeuw in het openbaar uiteenzet, telt men zeven van deze beginselen in de mens. In andere perioden telde men de beginselen of elementen van de mens op een andere manier - de Christenen spraken van lichaam, ziel en geest, en vatten de zeven samen onder deze drie hoofden. Sommige Indische denkers beschouwden de mens als een fundamenteel viervoudig wezen, anderen als een vijfvoudig. De Joodse filosofie, die we vinden in de Qabbâlâh, de esoterische traditie van de Joden, leert dat de mens vier aspecten kent: Neshâmâh, Rûahh, Nefesh en Gûf: (Zie ook onder Âtman, Buddhi Manas, Kâma, Prâ.na, Linga-s´arîra, Sthûla-s´arîra). Theosofen maken in hun publikaties over de samengestelde constitutie van de mens gemakshalve vaak gebruik van de verde Iing van de menselijke natuur in een trichotomie, dat wil zeggen een verdeling in drieën, namelijk geest, ziel en lichaam, die in dit opzicht identiek is met de algemene verchristelijkte theosofische indeling. Volgens deze trichotomie zijn deze drie elementen in de mens: ten eerste en als allerhoogste, zijn goddelijke geest of goddeliike monade, die geworteld IS in het heelal, welke geest is verbon den met het Al en die in diep mystieke zin een straal van het Al is; ten tweede het tussenliggende deel of de geestelijke monade, die in haar hogere en lagere aspecten de geestelijke en de menselijke zie] is. Ten derde het laagste deel van de samengestelde constitutie van de mens, zijn vitaal-astraal-stoffelijk deel, dat uit stoffelijke of bijna stoffelijke levensatomen bestaat. Bewustzijn. Bewustzijn in al zijn vormen en wisselende openbaringen is geest-stof-kracht en stof, of geest en substantie, zijn één - en daarom is bewustzijn de zuiverste en verhevenste vorm van energie, de wortel van alle dingen en in duur en bereik gelijk aan de kosmische ruimte. Het is derhalve de basis en essentie van goden, monaden en atomen - de drie algemene stadia, kosmisch gesproken, van het heelal. Een natuurlijke gevolgtrekking hieruit is dat het heelal belichaamd bewustzijn is of, nauwkeuriger uitgedrukt, een bijna oneindig samenstel van belichaamde bewustzijnen. Bhakti-yoga. Een Sanskrietwoord dat is afgeleid van de wortel Bhaj. Verbonden met yoga en als een van de erkende vormen hiervan, is de algemene betekenis van Bhakti-yoga toewijding, innige verbondenheid. (Zie onder YOGA).
Bhûta's. (Sanskriet). Dit woord is het verleden
deelwoord van de wortel bhû dat 'zijn' of 'worden' betekent; Bhûta's
betekent dus letterlijk 'geweest zijnden' - entiteiten die hebben geleefd
en zijn heengegaan. De Bhûta's zijn 'schillen' waaruit al het geestelijke
en intellectuele is verdwenen: alles wat de werkelijke entiteit uitmaakte
is uit deze schil verdwenen en er is niets anders overgebleven dan een ontbindend
astraal lichaam. De Bhûta's zijn de spoken, geesten, schimmen, de
overblijfselen van dode mensen; met andere woorden, de astrale droesem en
resten van menselijke wezens. Ze zijn de 'schimmen' van de Ouden, de bleke
en spookachtige fantomen die de astrale wereld bewonen, of de astrale kopieën
van mensen die eens hebben geleefd; het verschil tussen de Bhûta en
het kâma-rûpa is zeer gering. Bîja. (soms geschreven als VIJA). (Sanskriet). Dit woord betekent 'zaad' of 'levenskiem', zowel van dieren als van planten. Maar de esoterische betekenis is veel ruimer en onvergelijkelijk diepzinniger en daarom zonder behoorlijke studie moeilijk te begrijpen. In het esotericisme wordt de term gebruikt ter aanduiding van de oorspronkelijke of oorzakelijke bron en het vâhana of voertuig van de mystieke impuls of drang van een leven, of van levens, om tot uitdrukking te komen wanneer na een pralaya of na een verduistering of ook tijdens een manvantara, de tijd voor een dergelijke zelfexpressie is aangebroken. Of het nu gaat om een kosmos of een heelal, om het opnieuw verschijnen van een god, een deva, een mens, een dier, een plant, een mineraal, of een elementaal, het zaad of de levenskiem waaruit ieder van deze voortkomt, wordt met de technische term Bîja aangeduid, en dit slaat bijna in gelijke mate op de levenskiem of het voertuig zelf, als op de drang tot zelfexpressie die door het zaad of de levenskiem werkt. Het verschijnen van een avatara bijvoorbeeld is, mystiek en psychologisch, het gevolg van een impuls die ontstaat in Mahâ-S´iva of in Mahâ-Vishnu (al naar gelang van de omstandigheden), en die in beide gevallen erop is gericht een deel van de goddelijke essentie te openbaren, wanneer voor de wereld de geschikte periode voor het verschijnen van een avatâra is aangebroken. Of om een ander voorbeeld te noemen, wanneer tijdens de verschrikkelijke beproevingen van de inwijding uit de chela de ingewijde wordt geboren, zegt men dat deze pas opgestane Meester is geboren uit het mystieke Bîja of Zaad in zijn eigen wezen. De leer die met dit woord Bîja is verbonden, kan slechts op vluchtige en oppervlakkige wijze worden behandeld, aangezien ze in haar occulte en esoterische aspecten veel te diepzinnig is. Binnenronde. (Zie RONDE). Bodhi. (Sanskriet). Dit woord komt van de Sanskrietwortel budh, die 'ontwaken' betekent. Het is de toestand waarin de mens zo 'zijn geest heeft geledigd' dat deze alleen is vervuld van het Zelf, van het zelfloze Zelf van het Eeuwige. Dan verwerft hij zich een onuitsprekelijk inzicht in de werkelijkheid, in de zuivere waarheid. De mens die deze toestand bereikt, wordt een 'Boeddha' genoemd en het orgaan waarin en waardoor deze zich manifesteert noemt men 'buddhi'. (Zie aldaar). Bodhisattva. (Sanskriet). Een samengesteld woord: letterlijk 'hij wiens wezen (sattva) intelligentie (bodhi) is geworden.' Exoterisch verklaard is een Bodhisattva iemand die in de volgende incarnatie of binnen enkele incarnaties een Boeddha zal worden. Gezien vanuit het standpunt van de occulte leringen is een Bodhisattva meer dan dat. Als een mens, een menselijk wezen, de toestand heeft bereikt waarin zijn ego zich ten volle bewust is geworden van zijn innerlijke goddelijkheid, en wordt omstraald met het buddhisch licht; waarin, bij wijze van spreken, de persoonlijke mens zich nu, hier op deze aarde, daadwerkelijk heeft gehuld in de gewaden van innerlijke onsterfelijkheid - dan is die mens een Bodhisattva. Zijn hogere beginselen hebben dan bijna nirvâ.na bereikt. Doen zij dat tenslotte, dan is zo iemand een Boeddha, een menselijke Boeddha, een Mânushya-Boeddha. Het is duidelijk dat als zo'n Bodhisattva zou reïncarneren, hij in de volgende incarnatie, of binnen enkele incarnaties daarna, een Mânushya-Boeddha zou zijn. Volgens de Esoterische Leer is een Boeddha iemand wiens hogere beginselen niets meer kunnen leren. Ze hebben het nirvâna bereikt en blijven daar; maar de geestelijk ontwaakte persoonlijke mens, de Bodhisattva, hij die, om het in gewone taal uit te drukken, halfgoddelijk is geworden, blijft, in plaats van zijn beloning in het nirvâ.na van een lagere graad te aanvaarden, uit medelijden en mededogen met de lagere wezens op aarde en wordt een zogenaamde Nirmâ.nakâya (zie aldaar). In een zeer mystiek gedeelte van de Esoterische Wijsbegeerte is een Bodhisattva de vertegenwoordiger op aarde van een Dhyâni-Boeddha of Hemelse Boeddha - met andere woorden, iemand die een incarnatie of expressie van zijn eigen goddelijke monade is geworden.
Boeddha. In het Sanskriet Buddha. het verleden deelwoord
van de wortel budh, die 'bemerken', 'gewaarworden', maar ook 'ontwaken'
en 'weer bijkomen' betekent. Het woord duidt iemand aan die geestelijk is
ontwaakt, die niet langer 'de levende dood' van gewone mensen leeft, maar
zich bewust is geworden van de geestelijke invloed die vanuit zijn inner
lijk of van 'bovenaf' werkzaam is. Als de mens is ontwaakt uit de levende
dood waarin gewone stervelingen leven, als hij zich heeft bevrijd uit de
strikken van het denken en het vlees en, om de oude christelijke uitdrukking
te gebruiken, zich heeft gehuld in 'het kleed der eeuwigheid', dan is hij
ontwaakt, hij is een Boeddha. Hij is één geworden met - niet
'opgegaan in', zoals voortdurend wordt vertaald, maar één
geworden met - het Zelf der zelven, met het Paramâtman, het Opperste
Zelf.
Boeddha's van Mededogen. Een Boeddha van Mededogen
is iemand die, na alles te hebben bereikt, alles te hebben verworven - het
recht op kosmische vrede en gelukzaligheid te hebben verworven - er afstand
van doet om terug te kunnen keren als Zoon van het Licht om de mensheid,
en feitelijk al het bestaande, te helpen.
Boeddhisme. De leringen van Gautama de Boeddha.
Het hedendaagse Boeddhisme is in twee takken verdeeld, de Noordelijke en
de Zuidelijke. De Zuidelijke bewaart nog steeds de leringen van 'Boeddha's
brein', de 'Oog-leer', dat wil zeggen zijn uiterlijke wijsbegeerte, bestemd
voor de wereld in het algemeen en soms inadequaat de 'leer van de vormen
en ceremoniën' genoemd. Het Noordelijk Boeddhisme bewaart zijn 'Harteleer'-dat
wat verborgen is, het innerlijke leven, het hartebloed van de godsdienst:
de leringen omtrent het innerlijk hart van de leer.
Bol. Elke stoffelijke Bol die we verspreid in de
ruimte waarnemen, is vergezeld van zes - eigenlijk elf - onzichtbare en
hogere Bollen, die te zamen een keten vormen, zoals deze wordt genoemd in
de theosofie. Dit is het geval met iedere zon of ster, met iedere planeet,
en met iedere maan van iedere planeet. Het is eveneens het geval met de
nevelvlekken en de kometen; alle manifesteren zich als zevenvoudige entiteiten;
alle hebben een zevenvoudige - eigenlijk twaalfvoudige - samenstelling,
precies zoals de mens, die een kopie is in het klein van wat het heelal
is in het groot. De zeven gemanifesteerde Bollen worden gemakshalve met
A, B, C, D, E, F en G aangeduid; maar in meer mystieke zin spreekt men met
betrekking tot de Bollen soms van 'A tot Z', daarmee doelende op alle twaalf
Bollen van de keten zonder ze precies te noemen.
Boodschapper. Een Boodschapper, in theosofische
zin, is iemand die een opdracht heeft van de Loge van de Meesters van Wijsheid
en Mededogen om een bepaald werk in de wereld te doen.
Brahmâ. (Sanskriet). Een woord waarvan de
wortel, b.rih 'uitbreiding' betekent. Het vertegenwoordigt de geestelijke
energie-bewustzijn zijde van ons zonneheelal, d.w.z. ons zonnestelsel, en
het 'Ei van Brahmâ' is dat zonnestelsel.
Brahman. (Sanskriet). Een woord waarvan de wortel,
b.rih, 'uitbreiding' betekent. Het is dat deel van het hemelse wezen dat
het eerst het proces van manifestatie door de verschillende Brahmâ's
heen begint, de uitbreiding van het ene tot het vele. Het is wat men de
Ongemanifesteerde Logos noemt. Het kan ook het onpersoonlijke en onkenbare
beginsel van het heelal worden genoemd, maar men dient het scherp te onderscheiden
van het mannelijke Brahmâ waarvan er in het heelal vele zijn.
Brâhma.na. (Sanskriet). Een woord dat in de
heilige Hindoese geschriften verschillende betekenissen heeft. Brâhma.na
is zowel een zelfstandig als een bijvoeglijk naamwoord; als zelfstandig
naamwoord betekent het iemand die behoort tot de eerste van de vier Vedische
klassen, [Ned. Brahmaan] en als bijvoeglijk naamwoord betekent het dat wat
tot een Brâhma.na behoort of wat op een Brâhma.na betrekking
heeft. Ten tweede duidt het een bepaald gedeelte van de Vedische literatuur
aan, dat regels bevat voor het juiste gebruik van de mantra's of hymnen
bij offerplechtigheden, alsmede gedetailleerde verklaringen van deze plechtigheden,
geïllustreerd door legenden en oude verhalen. Broederschap. (Zie Universele Broederschap)
Broeders van de Schaduw. Een term die in het Occultisme
en vooral in het moderne esotericisme wordt gebruikt voor personen, mannen
zowel als vrouwen, die het 'pad van de Schaduwen', het 'linkerpad' (zie
aldaar) volgen. De term 'Schaduw' is een technische uitdrukking en betekent
meer dan wat het oppervlakkig gezien lijkt; de uitdrukking heeft namelijk
geen betrekking op personen die in werkelijke fysieke duisternis of werkelijke
fysieke schaduwen leven, want een dergelijke letterlijke uitleg zou eenvoudig
absurd zijn, maar is van toepassing op hen die het pad van de stof volgen,
dat sinds onheuglijke tijden in de esoterische scholen van het Oosten zowel
als het Westen veelal met 'Schaduw' of 'Schaduwen' wordt aangeduid. Ongetwijfeld
vond deze term zijn oorsprong in de filosofische opvatting van het woord
mâyâ (zie aldaar), want in het vroege Oosterse esotericisme
werd de term mâyâ, en in het bijzonder mahâ-mâyâ,
in een van zijn vele filosofische betekenissen gebruikt voor datgene wat
tegengesteld was aan het licht en in zekere zin zelfs een weerspiegeling
daarvan. Zoals geest kan worden beschouwd als zuivere energie, en materie,
hoewel in wezen gekristalliseerde geest, als de schaduw- of voertuigwereld,
waarin de energie of de geest of het zuivere licht werkt zo is maya, als
het gewaad of de uitdrukkingsvorm of s´akti van de goddelijke energie,
het voertuig of de 'schaduw' van de goddelijke zijde van de natuur, met
andere woorden haar negatieve of onderste pool, zoals het licht haar positieve
of bovenste pool is. Buddha. (Zie BOEDDHA).
Buddhi. (Sanskriet). Buddhi komt van de Sanskrietwortel
budh, gewoonlijk vertaald met 'verlichten', maar een betere vertaling is
'waarnemen', 'kennen', 'weer bijkomen', vandaar 'ontwaken', en bijgevolg
'begrijpen'. Van de zeven beginselen van de mens is het het tweede van bovenaf
geteld of, van beneden af, het zesde. Buddhi is het beginsel of orgaan in
de mens dat hem geestelijk bewustzijn geeft en is het voertuig van het hoogste
deel in de mens - âtman - het vermogen dat zich doet kennen als begrip,
oordeel, onderscheidingsvermogen, een sluier of gewaad van âtman,
en daarvan onafscheidelijk. Buitenronde. (Zie RONDE). Occulte Woordentolk , blz. 19-31 ©
1981 Theosophical
University Press Agency
|