|
[‘Ik beschuldig nog veel meer.’]
DE GETUIGE-DESKUNDIGE
Ik begin dit deel met een beschrijving van het werk van
een getuige-deskundige zoals dat in Engelse rechtbanken voorkomt, en met
speciale verwijzing naar handschriftkundigen.
De getuige-deskundige is er om de rechtbank
te helpen in gevallen waarin specialistische kennis van een onderwerp
is vereist. Hij moet nooit proberen als advocaat op te treden,
en hij is in de eerste plaats verantwoording verschuldigd aan de rechtbank
en niet aan de verdediger, persoon, of organisatie die hem heeft aangetrokken.
Als hij wordt aangetrokken door de verdediging en oordeelt dat hij een
mening moet geven die in het voordeel is van de officier van justitie,
zo zij het. Hij moet nooit onder dwang van zijn opdrachtgever van mening
veranderen.
Om door de rechtbank te worden geaccepteerd,
moeten rapporten van getuigen gewoonlijk de vorm aannemen van een getuigenverklaring
zoals voorgeschreven in Artikel 9 van de Criminal Justice Act [Wetboek
van Strafrecht] van 1967. Deze begint met de verklaring:
Deze verklaring bestaande uit ___ bladzijden
die elk zijn getekend door mij is naar mijn beste kennis en overtuiging
waar en ik leg deze af wetende dat, als deze wordt overgelegd als bewijs,
ik me blootstel aan gerechtelijke vervolging als ik daarin moedwillig
iets heb vermeld waarvan ik weet dat het onjuist is of waarvan ik geloof
dat het niet waar is.
Deze verklaring moet worden ondertekend, gedateerd en door
getuigen worden medeondertekend. Na de verklaring is het rapport gewoonlijk
op de volgende manier opgebouwd.
Er zijn twee hoofdgedeelten van het rapport.
Deel A bestaat uit vier paragrafen. De eerste geeft een omschrijving van
de kwalificaties van de deskundige voor zijn werk en beschrijft zijn ervaring.
Hij kan daarover door de rechtbank worden ondervraagd. De tweede moet
een nauw keurige identificatie geven van de documenten die hij voor onderzoek
heeft ontvangen. Voor een brief bijvoorbeeld zouden moeten worden gegeven
de datum (als deze bekend is), aan wie en door wie de brief is geschreven,
en de openings- en slotzinnen. Men kan niet volstaan met ‘een brief geschreven
op groen papier’. De derde paragraaf moet de instructies voor de deskundige
bevatten – een precieze omschrijving van wat hij gevraagd werd te doen.
Hij zal zich normaliter aan die instructies houden. De slotparagraaf moet
de mening van de deskundige bevatten, gebaseerd op het bewijsmateriaal
dat hem is gegeven, en een indicatie van de kracht van die mening die
kan variëren van bijna zekerheid voor of tegen tot een neutrale of ‘ik
weet het niet’ positie.
Een mening is een formele verklaring van
de redenen voor een ge geven oordeel, een oordeel dat vaak moet worden
gebaseerd op argumenten bij onvoldoende bewijs. Hier moet de verklaring
zo kort en zo duidelijk mogelijk zijn, waarbij de gedetailleerde redenen
in Deel B van het rapport worden gegeven. Een mening die eenmaal is gegeven
moet standhouden tenzij er nieuw bewijsmateriaal aan het licht komt waardoor
een herziening noodzakelijk wordt.
Deel B van het rapport bevat de gedetailleerde
redenen voor de mening van de deskundige, die hij in de rechtbank moet
verdedigen als het rapport wordt aangevochten (wat vaak voorkomt). In
dat geval moet hij zijn bewijzen in eigen persoon en onder ede leveren.
Hij moet bereid zijn het hoofd te bieden aan een streng kruisverhoor van
‘de andere kant’, en bovenal, hij moet zijn zelfbeheersing bewaren. Rechtszittingen
zijn in hoge mate strijdperken, maar gewoonlijk zonder persoonlijke rancune.
Ze staan veraf van academische discussies.
Soms is de getuigenverklaring volgens ‘Artikel
9’ niet genoeg, en moet het rapport als een beëdigde verklaring worden
aangeboden, opgesteld door, en ondertekend en gezworen bij een notaris,
en keurig voorzien van een blauw lint.
De getuige-deskundige moet altijd bedenken
dat hij niet beschrijft wat er gebeurt wanneer zwavelzuur op zink wordt
gegoten: hij draagt bij aan het vellen van een oordeel over een medemens
van wie het leven misschien ingrijpend en definitief wordt beďnvloed als
zijn getuigen verklaring onzorgvuldig, bevooroordeeld of gebrekkig is.
Het is een ontzagwekkende verantwoordelijkheid, vooral wanneer het beschikbare
bewijsmateriaal mager of tegenstrijdig is. Het is goed als parapsychologen
bedenken dat ze zich in dezelfde positie kunnen bevinden.
Ik vermeld dit alles omdat het duidelijk
is dat Hodgson, evenals Gallio, [Handelingen 18:17.] zich om al deze dingen
niet bekommerde. Ik geef toe dat de rechtsprocedure toen misschien minder
strikt was dan nu (hoewel ik hiervan niet zeker ben), maar Hodgsons methoden
zijn onvergeeflijk laks en zouden tegenwoordig in een rechtszaak niet
overeind blijven.
ONDERZOEKSMETHODEN
Onderzoeksmethoden verschillen in detail afhankelijk van
de onderzoeker, maar er zijn een aantal basisbeginselen die de meesten
volgen.
Ten eerste, er is het ‘gevoel’ van het
handschrift als geheel. Hodgson zegt:
Het is goed genoeg bekend bij mensen die
ook maar enigszins vertrouwd zijn met het vergelijken van handschriften
dat er weinig belang kan worden gehecht aan alleen het algemene voorkomen
van een geschreven document. – blz. 283
Dit wordt krachtig ontkend door Charles Hamilton die aanspraak
maakt op enige ervaring bij het onderzoeken van documenten (In Search
of Shakespeare: A Study of the Poet’s Life and Handwriting, Robert
Hale, Londen, 1986, blz. 7-8):
Het gevoel dat men krijgt van een handschrift
is niets anders dan de onmiddellijke indruk die het op een geoefend oog
maakt. In plaats van een inhoud loze toets van authenticiteit te zijn,
is het gevoel in feite het totaal van de kennis van de beschouwer, het
samengaan van intuďtie en een enorme hoeveelheid ervaring. Nadat de deskundige
op het gebied van manuscripten tot een gevoelsoordeel is gekomen, kan
zijn ogenblikkelijke indruk worden uitgewerkt door een gedetailleerd onderzoek
van het handschrift. . . .
Het gevoel is een belangrijke factor bij
het vergelijken van handschriften of bij het beoordelen van de authenticiteit
ervan. Wie maar af en toe betwiste handschriften onderzoekt is misschien
niet ontvankelijk voor het gevoel. Hij kan de vorming van de individuele
letters in een document uitgebreid bestuderen. . . .
Sommige factoren die bijdragen aan het
gevoel van een manuscript zijn: de hoeveelheid ruimte tussen de woorden
en tussen de regels; de grootte van het handschrift; het gemak, of het
gebrek daaraan, waarmee het handschrift vloeit; de druk van de pen bij
het vormen van de halen, vooral de neergaande halen; de lengte van de
neergaande halen, zoals bij de y’s en g’s; de algehele leesbaarheid
van het handschrift; de positie van de punten boven de i’s en de
dwarsbalk van de t’s; de dikte van de halen met de pen; en de haast,
of het gebrek aan haast, waarmee de woorden en letters zijn gevormd. .
. .
Nadat een manuscript de gevoelstest heeft
ondergaan, moeten de individuele woorden en letters grondig worden onderzocht.
Aan de lijst van Hamilton zou ik willen toevoegen: de relatieve
grootte van hoofdletters ten opzichte van kleine letters; de relatieve
lengte van letters met een haal omhoog of omlaag ten opzichte van de romp
van de kleine letters; abnormale verkorting of verlenging in de schrijfwijze
van woorden; stijl, met losstaande letters of aaneengeschreven; consequentie
en vloeiendheid.
Als een handschrift er niet in orde uitziet,
is het vaak niet in orde; maar er kan een gedetailleerd onderzoek
nodig zijn om vast te stellen waarom het niet in orde is. ‘Gevoel’
krijgt men alleen door ervaring.
Na de ‘gevoels’test begint het tweede stadium
van het onderzoek waarbij het handschrift woord voor woord, letter voor
letter, onder een vergrootglas wordt bekeken. Men probeert vast te stellen
hoe de individuele letters zijn gevormd, de volgorde van de halen van
de pen en de variaties in de daarop uitgeoefende druk. Microfoto’s gemaakt
met een vergroting van rond 4 x de diameter zijn vaak informatief en waardevol.
Men moet bedenken dat de verschillen even belangrijk zijn als de overeenkomsten,
vaak zelfs nog belangrijker.
Tenslotte komt het onderzoek naar belangrijke,
gewoonlijk onbewuste, eigenaardigheden, die ertoe kunnen bijdragen om
het identificeren van een handschrift nog betrouwbaarder te maken. Zulke
eigenaardig heden kunnen zo klein zijn als de manier waarop de punt boven
de letter i wordt geplaatst. In mijn eigen handschrift worden de
lussen van de letters a, g, o en q alle gemaakt met een
continue beweging van de pen met de wijzers van de klok meedraaiend.
Dit is zeldzaam en niet direct voor de hand liggend.
Ik besluit dit gedeelte met een paar belangrijke
opmerkingen. Het is vaak relatief gemakkelijk een handtekening uit de
vrije hand en uit het hoofd te vervalsen. Het is veel moeilijker een oorspronkelijke
brief van één bladzijde in een aangenomen hand te schrijven zonder op
een of ander punt te vervallen in de normale manier van schrijven. Het
is nog moeilijker bladzijde na bladzijde van een oorspronkelijke verhandeling
in antwoord op specifieke vragen in een aangenomen hand en literaire
stijl te schrijven, zonder terug te vallen in de normale manier van schrijven.
Een of twee van de brieven van KH hebben meer dan 16.000 woorden en gaan
over diepzinnige onderwerpen.
Vanuit het standpunt van een onderzoeker,
is het vaak heel gemakkelijk te zeggen dat een geschreven stuk is vervalst:
het is veel moeilijker te zeggen door wie het werd vervalst. Om
te beweren dat één bepaalde persoon daarvoor verantwoordelijk was, met
uitsluiting van alle anderen, kan heel riskant zijn.
Heel recent werd ik in mijn eigen praktijk
gevraagd het handschrift te onderzoeken van een dreigbrief die een rol
speelde in een strafzaak. Zoals gebruikelijk is bij documenten in een
strafzaak, werd het briefje als officieel bewijsstuk in een doorzichtige
envelop geplaatst waaraan een identificatielabel werd gehecht. De details
werden ingevuld door de politie man die de getuige had ondervraagd die
het officiële bewijsstuk had aangeleverd, en de getuige had het label
ondertekend om de authenticiteit ervan te bevestigen. Ik ontdekte, tot
mijn verwondering, dat het handschrift van de politieman bijna identiek
was aan het schrift van het dreigbriefje; maar het was niet waarschijnlijk
dat de politieman verantwoordelijk was voor de misdaad en de overeenkomst
van het handschrift was toeval. Het is heel verkeerd en gevaarlijk, om
één verdachte eruit te pikken met uitsluiting van alle anderen, en dan
naar bewijsmateriaal te zoeken om die ene verdachte als de schuldige aan
te wijzen. Dat is wat Hodgson heeft gedaan en ik vind zijn gedrag onvergeeflijk.
Het Hodgson Rapport
DE ‘VERSCHIJNSELEN’
Ik heb weinig te zeggen over het eerste (veruit het langste)
gedeelte van het Hodgson Rapport. Ik beschik niet over middelen om te
kunnen zeggen of enige van de ‘verschijnselen’ die aan HPB worden toegeschreven
echt zijn of niet. Ik was er toen niet bij; alle getuigen van de verschijnselen
zijn sindsdien allang gestorven; en elk tastbaar bewijs zoals de ‘schrijn’
is verloren gegaan of vernietigd. De hele zaak is gehuld in de mist van
geschiedenis en legende, en het lijkt onwaarschijnlijk dat er nu nog enig
nieuw bewijs aan het licht zal komen. De ‘verschijnselen’ kunnen zijn
teweeggebracht door goochelarij; of ze op die manier zijn voortgebracht,
kan ik niet zeggen. Ik ben daarom onwetend in de zin zoals T.H. Huxley
het verwoordde: ‘Ik weet het niet’. Gelukkig is de blijvende waarde van
HPB’s geschriften niet afhankelijk van ‘verschijnselen’.
Na dit te hebben gezegd, wijs ik op de
vijandigheid van Hodgson tegenover HPB en de minachting waarmee alle getuigen
op twee na worden afgewezen, vaak om belachelijke redenen. [De eerste
brief van KH die we kennen werd rond 1870 door een ‘geheimzinnige vreemdeling’
bezorgd volgens het getuigenis van Mw. Fadjejev. Dit getuigenis wordt
door Hodgson afgewezen op grond van het feit dat ‘we moeten bedenken dat
ze een Russische dame is, en de tante van Mw. Blavatsky, en dat Mw. Blavatsky
misschien politieke motieven liet meespelen bij het stichten van de Theosophical
Society.’ Ik denk dat het mogelijk is dat zelfs Russische dames af en
toe de waarheid kunnen spreken. Het citaat komt uit blz. 292 van het Hodgson
Rapport en de hele voetnoot verdient bestudering als voorbeeld van de
manier van redeneren van Hodgson.] De enige twee getuigen die Hodgson
zonder meer op hun woord gelooft zijn de Coulombs; en als zij onbetrouwbaar
blijken te zijn, stort het bouwwerk van Hodgson ineen.
HET HANDSCHRIFT
De Blavatsky-Coulomb Brieven
Deze brieven zijn van cruciaal belang, want als
de bezwarende gedeelten van de brieven echt zijn, zou daaruit blijken
dat HPB betrokken was bij frauduleuze praktijken. Als ze daarentegen geheel
of gedeeltelijk vervalsingen zijn, zijn de enige andere verdachten de
Coulombs; en de vervalsingen zouden betekenen dat de Coulombs logen en
dat hun uitspraken over andere zaken niet kunnen worden vertrouwd.
Sinds het schrijven van ‘J’accuse’ heb
ik kunnen profiteren van Michael Gomes’ nauwgezette onderzoek naar de
Coulomb affaire [Michael Gomes, ‘The Coulomb Case 1884-1984’, The Theosophist,
december 1984, januari 1985, februari 1985, blz. 95-102, 138-47, 178-86.]
en van zijn waardevolle bibliografie met verklarende aantekeningen [Michael
Gomes, Theosophy in the Nineteenth Century: An Annotated Bibliography,
Garland Reference Library of Social Sciences, Deel 532 (Religious Information
Systems, Deel 15), Garland Publishing, New York & Londen, 1994.], waarvan
Hoofdstuk 8 bijzonder relevant is voor deze studie. Het werk van Beatrice
Hastings [Beatrice Hastings, Defence of Madame Blavatsky, Deel
1 & 2, The Hastings Press, Worthing, Engeland, 1937.] over het Coulomb
pamflet [Emma Coulomb, Some Account of My Intercourse with Madame Blavatsky
from 1872-1884, Higginbotham & Co., Madras, 1884.] is niet gemakkelijk
beschikbaar, maar het is essentiële lectuur.
Helaas schijnt het dat deze brieven, die
van essentieel belang zijn, zijn vernietigd. Wat we erover weten kan als
volgt worden samengevat:
Enkele van de brieven van HPB aan Emma
Coulomb (en er moeten er veel zijn geweest) bevatten korte passages die
instructies zouden bevatten voor EC om frauduleuze verschijnselen teweeg
te brengen.
Aan weinig theosofen (zelfs niet aan HPB
zelf) werd toegestaan deze brieven te onderzoeken. Maj. Gen. H.R. Morgan,
die een ervan onderzocht waarin naar hem werd verwezen, verklaarde dat
het een vervalsing was. [Reply by H.R. Morgan to a Report of an Examination
of the Blavatsky Correspondence by J.D.B. Gribble, Ootacamund, 1884.]
Er werd geen facsimile van deze brieven
gepubliceerd door Hodgson, die heel onbenullige redenen gaf om dat niet
te doen.
De hoofdgetuige is hier Netherclift; zijn
kwalificaties en zijn achtergrond heb ik niet kunnen achterhalen. Zijn
rapport, zoals dat door Hodgson is gepubliceerd, is verminkt; er is een
deel uit weggelaten, en het draagt twee dateringen. Zoals gezegd kunnen
sommige van de documenten die Netherclift opsomt niet worden geďdentificeerd,
en zij die wel kunnen worden geďdentificeerd zijn niet bezwarend. Sommige
zijn alleen enveloppen. In zijn rapport merkt Hodgson enkele fragmenten
van documenten met een sterretje waarvan hij zegt dat hij ze naar Netherclift
heeft gestuurd voor onderzoek, maar het is moeilijk dit ‘voorzien van
een sterretje’ in overeenstemming te brengen met de lijst van Netherclift.
Een tweede partij niet geďdentificeerde
documenten werd naar Netherclift gestuurd, die ze terugstuurde met een
bevestiging op de envelop die ze bevatte dat ze alle in het handschrift
van HPB waren. De envelop zou heel goed HPB’s lijst van wasgoed hebben
kunnen bevatten.
Ik beschik over enige informatie betreffende
Sims van het Brits Museum.[Zie Deel 1, blz. 10.] Hij schijnt weinig meer
te hebben gedaan dan Netherclift zonder nadenken te volgen. Het Hodgson
Rapport bevat geen geschreven rapport van hem.
Het schijnt dat Hodgson
het handschrift van Alexis Coulomb nooit heeft onderzocht. Het leek erg
veel op dat van HPB. [Zie
Deel 1.] Toen ik ‘J’accuse’ schreef was ik me er niet van bewust dat
dit feit aan theosofen goed bekend was. Er wordt verteld dat tenminste
bij één gelegenheid Coulomb ‘als grap’ vervalste instructies van HPB maakte.
[Sylvia Cranston, HPB: Het bijzondere leven en de invloed van Helena
Blavatsky, Theosophical University Press, Den Haag, 1995, blz. 264.]
Degene van wie bekend is dat hij als laatste
de brieven ontving was Elliott Coues die ze kocht voor zijn verdediging
in een rechtszaak. [Michael Gomes, ‘Witness for the Prosecution: Annie
Besant’s Testimony on behalf of H.P. Blavatsky in the New York Sun/Coues
Law Case’, Occasional Paper, Theosophical History, Fullerton, CA,
1993.] Als ze echt zouden zijn, zouden ze belastend bewijsmateriaal hebben
bevat in zijn voordeel. Hij heeft ze niet gebruikt. HPB’s dood maakte
een eind aan de rechtszaak, maar een jaar later publiceerde de redactie
van de New York Sun een herroeping van Coues’ artikel. [De tekst
van de herroeping is weergegeven in Cranston, HPB, blz. 368.]
De cheque voor de brieven is bewaard in
Coues’ papieren [Cranston, HPB, blz. 265.] maar de brieven zelf
zijn niet gevonden ondanks ijverig speurwerk ernaar door Anita Atkins
en anderen.[Informatie van Anita Atkins. Zie Deel 1, blz. 7-8.]
Na de dood van Coues werd een hoeveelheid
correspondentie van Blavatsky door Coues erfgenaam verbrand. [Informatie
van Walter A. Carrithers. Zie Deel 1, blz. 8.]
Het is nu onwaarschijnlijk dat we ooit
in staat zullen zijn de bezwarende gedeelten van die brieven aan een onafhankelijk
onderzoek te onderwerpen, maar er is sterk indirect bewijs dat ze vervalsingen
waren door Alexis Coulomb. Hij had zowel het motief als de mogelijkheid
om dat te doen. Ik kan niet geloven dat Coues de brieven niet zou hebben
gebruikt om HPB schade toe te brengen als ze echt waren geweest. Toen
Coues zich realiseerde dat ze voor hem nutteloos waren, liet hij ze misschien
vernietigen, zodat ze niet in handen zouden kunnen vallen van het Blavatsky-kamp.
De Mahatma Brieven
Gelukkig zijn de meeste Mahatma Brieven bewaard in de British
Library waar ze werden gedeponeerd door de executeur-testamentair van
Sinnett. Ze zijn beschikbaar om op verzoek te worden bestudeerd in het
Department of Manuscripts (Additional MSS 45284, 45285 en 45286). ZE
VORMEN OORSPRONKELIJK BEWIJSMATERIAAL. Er zijn echter moeilijkheden
om ze in de British Library te onderzoeken. De brieven zelf zijn gebonden
in drie zware en omvangrijke delen zodat het naast elkaar leggen en vergelijken
van verschillende brieven vaak moeilijk of onmogelijk is. Om gegronde
redenen mag men geen pen, potlood of tekeninstrument in de leeszaal gebruiken.
Foto’s maken is verboden. Alleen het gebruik van een vergrootglas is toegestaan.
Zelfs een mini-pocketmicroscoop met een vergroting van 30 x werd door
de suppoosten van de bibliotheek met wantrouwen bekeken en moest discreet
in mijn zak worden weggestopt. Voor wie buiten de agglomeratie van Londen
wonen, kan het werken in de British Library zowel veel tijd als geld kosten.
De Theosophical Society met het Internationaal
Hoofdkwartier in Pasadena, Californië, heeft mij enkele jaren lang een
waardevolle set van 1323 kleurendia’s geleend van de volledige verzameling
Mahatma Brieven in de British Library, die ik in detail heb kunnen bestuderen
zolang als ik dat nodig achtte. Ik kan nu veel meer over de Brieven zeggen
dan in ‘J’accuse’ mogelijk was.
De tekst van de Brieven is uitgegeven door
Barker. [A. Trevor Barker, ed., The Mahatma Letters to A.P. Sinnett,
facsimile 2nd Edition (1926), Theosophical University Press, Pasadena,
1994; Third and Revised Edition, The Theosophical Publishing House, Adyar,
Madras, 1962. Vertaling: De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett, Theosophical
University Press, Den Haag, 1979.] Deze omvat brieven, fragmenten en aantekeningen
van KH (108), M (26), HPB (9), Subba Row (3, waarvan één met eraan toegevoegde
commentaren door KH), A.O. Hume (2), A.P. Sinnett (2), de ‘Onterfde’ (1),
Stainton Moses (1) en Damodar (1). De brieven zijn op zichzelf het lezen
waard, maar ze kunnen moeilijk te volgen zijn omdat de onderwerpen kunnen
worden aangeboden zonder duidelijke volgorde en ze kunnen antwoorden zijn
op niet opgetekende vragen. KH heeft de neiging lang van stof te zijn
en af te dwalen; en hij kan vaak beginnen met het beantwoorden van één
vraag, en al snel afdwalen om een andere (niet gestelde) vraag te beantwoorden.
Het bekijken van de dia’s was een moeizaam
en tijdverslindend karwei. Om het vereiste detail te krijgen, werd elk
van de dia’s onder een microscoop met een vergroting van 50 x onderzocht,
waarbij de mechanisch te verstellen objecttafel van de microscoop werd
gebruikt om de tekst regel voor regel te onderzoeken. Na een uur van dit
soort werk moest men pauzeren.
Het papier dat werd gebruikt voor
de Brieven schijnt elk stukje papier te zijn dat beschikbaar was. Volgens
KH was papier een schaars product en alle beschikbare stukjes werden gebruikt,
zelfs de delen die blanco waren gelaten door een vorige correspondent.
Een aantal van de brieven had de dikte van ‘rijstpapier’.
De inkt levert enige problemen op.
Hij is niet vervaagd op de manier waarop gewone schrijfinkt uit die tijd
vervaagt, die in de loop van een eeuw verbleekt via bruin en geel tot
algehele onleesbaarheid. Deze is leesbaar gebleven en het lijkt alsof
hij was beperkt tot een dunne laag aan de oppervlakte van het papier.
Er is weinig ‘doordruk’. Dit is een term die wordt gebruikt bij drukkers
om het doordringen van de inkt door de poriën van het papier naar de andere
kant aan te geven. Victoriaanse schrijfinkt ging door dun papier heen
en maakte het schrijven op de achterkant onmogelijk (zie Deel 1, Figuren
10a en 10b).
Onderhandelingen met de beheerders van
de Brieven om deze inkt te laten testen op de chemische samenstelling
– door een universiteit op een manier waarbij geen beschadigingen ontstaan
– leidden tot niets; en nu de brieven zijn versterkt door ze te verpakken
in een doorzichtig archiefweefsel, is verder onderzoek van dit vraagstuk
misschien onmogelijk geworden.
Blauw potlood: een lastig probleem
vormt het schrift dat met blauw potlood of crayon schijnt te zijn gemaakt.
Veel van dit schrift (maar niet alles) heeft een duidelijke, scherpe,
gestreepte structuur die lijkt op een hemel met schapenwolkjes. Het
ziet eruit alsof het door een moderne precisielijnscanner is gemaakt
(zie Figuur 11). Voor
mij blijft de reden voor deze manier van productie een mysterie. Emma
Coulomb zou hebben gezegd dat het effect ontstond doordat ze waren geschreven
terwijl het papier op een stoffen boekomslag rustte. Ik kan niet begrijpen
waarom iemand zou willen schrijven met het papier op een boekomslag;
in elk geval lukt het mij niet om dat effect op die manier te bereiken.
De on regelmatigheden van het boekomslag en het trekken van de kleurstof
in de stroken die schoon zouden moeten blijven vallen direct op. Deze
merkwaardige eigenschap van het schrift is door de meeste schrijvers
over het onderwerp De Mahatma Brieven, van wie ik het werk ken, genegeerd.
Correcties: Een ander kenmerk van
de KH brieven is dat er heel zorgvuldig correcties zijn gemaakt in de
tekst. Deze correcties betreffen vaak het uitwissen van volledige woorden,
of zelfs van hele zinnen, en het schrijven van correcties over het uitgewiste
heen. Het wissen is niet gebeurd door met een hard stuk gom te wrijven
of door met een mes te schrapen, want er is geen plaatselijke verzwakking
van het papier. Het ziet eruit alsof een chemische inktverwijderaar is
gebruikt; maar toepassing van een vloeibaar reagens verstoort gewoonlijk
de oppervlaktevezels van het papier en laat vage vlekken achter die moeilijk
zijn te verwijderen. Het zou nuttig zijn te weten op basis van laboratoriumtests
of er op die plaatsen sporen zijn van de resten van chemische middelen.
Als die er niet zijn, is het mogelijk dat de correcties in de originelen
werden aangebracht, waarvan de brieven in de British Library kopieën zijn.
Omdat ik niets weet over de manier van overbrengen van die brieven, weet
ik niet of deze suggestie plausibel is.
De geschiedenis van deze brieven en een
groot aantal verwijzingen zijn gegeven door Gomes. [Michael Gomes, ‘The
Coulomb Case 1884-1984’, The Theosophist, december 1984, januari
1985, februari 1985, blz. 95-102, 138-47, 178-86.] De laatste brief die
afkomstig zou zijn van KH werd in 1900 ontvangen door Annie Besant. Ik
bezit nu een fotokopie van deze brief en mijn mening is dat het een goede
nabootsing is van het handschrift van KH, maar niettemin een vervalsing.
De literaire stijl is anders dan die van KH.
DE KWALIFICATIES VAN HODGSON,
NETHERCLIFT EN SIMS
Op dit punt aangekomen is de vraag gepast welke kwalificaties
en ervaring Hodgson had als onderzoeker van de omstreden documenten. Uit
de verslagen is niet duidelijk dat hij hetzij kwalificaties of ervaring
had voor dat werk. Integendeel, zijn methoden wekken de indruk dat hij
niet getraind was en onlogisch te werk ging, met weinig gevoel voor rechtvaardigheid.
Mw. Blavatsky omschrijft het goed als ze verwijst naar
de uitgebreide maar verkeerd gerichte onderzoekingen
van Hodgson, zijn voorgewende precisie waarbij hij oneindig veel geduld
heeft voor kleinigheden en blind is voor belangrijke feiten, zijn tegenstrijdige
redenering en zijn duidelijk onvermogen om zich met die problemen bezig
te houden die hij probeerde op te lossen. . . . – H.P. Blavatsky: Collected
Writings 7:9
De gerapporteerde meningen van Netherclift en Sims moeten
buiten beschouwing worden gelaten voorzover ze over de Mahatma Brieven
gaan. Ik herhaal: we hebben van beiden geen geschreven en ondertekend
verslag, alleen Hodgsons versie van wat hij zegt dat ze hem hadden verteld.
De documenten die aan hen werden voorgelegd kunnen niet worden geďdentificeerd.
Ze veranderden hun mening daartoe gedwongen door Hodgson. Tenslotte, en
wat heel belangrijk is, er werd geen ander dan HPB als verdachte beschouwd.
Geen enkele rechtbank zou zo’n getuigenis aanvaarden.
De manuscripten
van KH
Laten we nu de belangrijkste kenmerken bekijken van deze
reeks manuscripten.
Algemene kenmerken: De volgende algemene kenmerken
worden overal in de hele reeks aangetroffen:
Het schrift heeft een voorwaartse helling van ongeveer
30° ten opzichte van de loodlijn.
De hoogte van de romp van de kleine letters (met uitzondering
van halen naar boven en naar beneden) is opvallend gelijkmatig. Laten
we deze hoogte aangeven met H.
De halen omhoog gaan tot een hoogte van ongeveer 2H boven
de grondlijn, en de halen omlaag gaan tot ongeveer 1H onder de grondlijn.
De ruimte tussen de regels is ongeveer 3,5 H.
De hoogte van de hoofdletters is ongeveer 3H.
De ruimte tussen de woorden is ongeveer 2H.
Het handschrift is vloeiend, niet gehaast, en zorgvuldig
gemaakt.
De druk van woord tot woord is gelijkmatig.
De dwarsbalken van de t’s zijn een opvallend kenmerk.
Ze zijn lang, soms extreem lang, naar rechts iets oplopend.
Punten boven de i’s zijn zorgvuldig geplaatst dichtbij
het verlengde van de stam van de i.
Stabiele lettertekens die in de hele reeks constant
blijven: Er zijn een paar hoogst karakteristieke letters die vanaf
het begin worden aangetroffen en in de hele reeks KH manuscripten blijven
voorkomen. Het zijn:
| h |
die eruitziet als li zonder punt,
dus . |
| p |
die er gewoonlijk uitziet als een haarspeld
waarbij de rechtertand is verkort en een kleine neerwaartse curve
heeft die aan het uiteinde is toegevoegd, dus . |
| n |
met zijn uitgediepte ‘slinger’ waardoor
deze niet is te onder scheiden van een u, en |
| x |
die de vorm van een St. Elizabethletter
aanneemt, dus . |
Lettertekens die in de vroegste manuscripten variëren:
De rest van de letters is tamelijk stabiel met uitzondering van vijf:
f, g, k, t en y. Deze vertonen een variatie van vormen in
de eerste brieven, maar stabiliseren snel in de loop van een paar weken.
Ik breng nu de EERSTE HOOFDUITSPRAAK
van Hodgson in herinnering:
Dat er duidelijke tekenen zijn van een ontwikkeling
in het handschrift van K.H., waarbij verschillende sterke overeenkomsten
met het gewone handschrift van Mw. Blavatsky geleidelijk werden weggewerkt.
– blz. 283
Over de eerste brief die Sinnett heeft ontvangen (Barkers
Brief 1, onze Figuur 12),
zegt Hodgson:
In deze, die werd ontvangen rond oktober
1880, zijn de sporen van het handwerk van Mw. Blavatsky talloos en opvallend,
en vanaf deze brief zijn een geleide lijke ontwikkeling van de gebruikelijke
kenmerken van K.H. en een geleidelijke eliminatie van de vele eigenaardigheden
van Mw. Blavatsky, duidelijk zichtbaar. De handschriften van K.H. die
aan Netherclift [voor onderzoek] waren voorgelegd, werden geschreven nadat
Mw. Blavatsky jaren had kunnen oefenen. – blz. 282-3
Deze uitspraken worden ronduit tegengesproken door het
directe bewijs dat voor ons is bewaard gebleven, waaronder het Hodgson
Rapport zelf. We bekijken nu enkele brieven van KH in detail. [Noot vert.
De verwijzingen hierna naar Barker betreffen de Engelse uitgaven van The
Mahatma Letters to A.P. Sinnett.]
FIGUUR 12
|
BRIEF 1 |
| Barker, blz. 5 |
Dia no. K36015 |
| ONTVANGEN in Simla op of rond 15 oktober 1880 |
DAG 0
Dit is een bladzijde uit de eerste brief die Sinnett
in Simla ontving op of rond 15 oktober 1880 – geďdentificeerd als de brief
waarnaar in het Hodgson Rapport wordt verwezen als K.H. no. 1. Het schrift
is wat rommeliger en wat moeilijker te lezen dan in de KH brieven die
erna volgen. Er is een opmerkelijk verschil van ‘gevoel’ vergeleken met
de latere manuscripten. De letters zijn minder gerond en regelmatig; maar
de al gemene kenmerken en de stabiele lettertekens zijn er vanaf het begin.
Wat de variabele letters betreft, vinden we:
| f |
Deze wordt gemaakt met alleen de onderste lus of
helemaal zonder lus.
|
| g |
Deze neemt een veelheid aan vormen aan. In Figuur
12 vinden we .
Op de bladzijden van deze brief komen ook enkele andere vormen
voor die niet zijn afgebeeld. We zullen later zien dat geen enkele
van die vormen bijzonder Blavatskyaans is met uitzondering van
en .
In plaats van exclusief Blavatskyaans te zijn, komt de eerste
ervan algemeen voor, en de tweede heeft een oude oorsprong en
komt veel voor in het ‘Elizabethan Secretary Script’.
|
| y |
Deze treedt op in de vormen .
De tweede hiervan is de Blavatskyaanse vorm, maar er is niets ongewoons
aan.
|
Er dient hier te worden opgemerkt dat gevallen waarbij
een schrijver dezelfde letter op twee of meer duidelijk verschillende
manieren maakt en kennelijk naar willekeur gebruikt, veel voorkomen. Veel
schrijvers maken
de letter e in de vormen
en , en d
in de vormen en
; en de alternatieven kunnen op dezelfde bladzijde worden aangetroffen
of zelfs binnen hetzelfde woord.
__________
| FIGUUR
13 |
BRIEF 2 |
| Barker, blz. 8 |
Dia no. K36023 |
| ONTVANGEN in Simla 19 oktober 1880 |
DAG 4
Deze kwam maar vier dagen later aan dan Brief 1, en ze
laat al een meer elegant handschrift zien. We vinden dat:
__________
| FIGUUR
14 |
BRIEF 3c |
| Barker, blz. 11 |
Dia no. K36034 |
| ONTVANGEN ongeveer 20 oktober 1880 |
DAG 5
__________
| FIGUUR
15 |
BRIEF 4 |
Barker, blz. 16-17
GEDATEERD 29 oktober 1880 |
Dia no. K36050 |
DAG 14
| f |
verschijnt met alleen de bovenste lus.
|
| g |
neemt de vormen aan.
|
|
y
|
en worden
geprefereerd, maar verschijnt nu voor het eerst.
|
Dus binnen veertien dagen zijn we dichtbij het volledig
‘ontwikkelde’ KH handschrift.
__________
FIGUUR 2, Deel 1
GEDATEERD 1 november 1880
Dit is een deel van Hodgsons K.H. (i) uit een brief aan
A.O. Hume. Deze staat niet in Barker, en komt evenmin voor in de verzameling
van de British Library. De illustratie is slechts een ‘facsimile’ van
het origineel, maar het laat duidelijk zien dat:
| f |
alleen met een boog aan de bovenkant wordt aangetroffen.
|
| g |
de vormen en aanneemt.
|
|
y
|
De voorkeur wordt gegeven aan de vormen en ,
maar
en komen
voor.
|
Dit is bijna de uiteindelijke vorm van het handschrift,
gedateerd slechts veertien dagen na aankomst van Brief 1. Dit wordt
ontleend aan het Hodgson Rapport zelf. We zien dus wat er klopt van HPB’s
‘jaren om te oefenen’.
Hebben Gurney, Myers & Co., en de generaties
die na hen kwamen, het Hodgson Rapport nooit kritisch bekeken?
__________
| FIGUUR
16 |
BRIEF 6 |
| Barker, blz. 24 |
Dia no. K36070 |
| ONTVANGEN omstreeks 10 december 1880 |
DAG 56
| f |
verschijnt met alleen de bovenste lus.
|
| g |
wordt geprefereerd, maar
en worden
ook aangetroffen. |
|
y
|
De vormen
en worden
aangetroffen.
|
__________
| FIGUUR
17 |
BRIEF 8 |
| Barker, blz. 26 |
Dia no. K36078 |
| ONTVANGEN ongeveer 20 februari 1881 |
DAG 107
| f |
verschijnt met alleen een lus vanboven of met beide
lussen.
|
| g |
De vorm
wordt bijna uitsluitend gebruikt. |
|
y
|
De vormen
en worden
aangetroffen.
|
Dit is een uitstekend voorbeeld van het handschrift van KH
met t’s met lange dwarsbalken.
__________
Ik besluit deze paragraaf met een voorbeeld van latere datum.
| FIGUUR
18 |
BRIEF 25 |
Barker, blz. 191-2 (2de ed.), 189 (3de ed.)
ONTVANGEN 2 februari 1883 |
Dia no. K36496 |
DAG 840
De dwarsbalken van de t’s zijn hier meer
opvallend dan in Brief 8, overigens verschilt het handschrift niet daarvan
behalve in enkele details.
De overgang van de instabiliteit van de vorm van het vroegste
KH handschrift naar een stabiel schrift is nog een raadselachtig kenmerk
van deze handschriften en de reden daarvoor is onduidelijk; maar hij is
zeker niet ‘geleidelijk’. Hij was bijna voltooid binnen veertien dagen.
Ik vind nergens ‘talloze en opvallende sporen van het handwerk van Mw.
Blavatsky’. Evenmin is ‘duidelijk zichtbaar’ dat de ‘eigenaardigheden
van Mw. Blavatsky’ werden weggewerkt tijdens een proces van geleidelijke
ontwikkeling van het handschrift. Inderdaad verdwenen er een aantal vormen
van g en y na de eerste paar weken dat de manuscripten werden
ontvangen, maar dit betrof niet typisch Blavatskyaanse vormen.
Na Brief 7 zijn de variaties in het handschrift
van KH niet meer dan men zou verwachten van dezelfde schrijver die verschillende
pennen en potloden gebruikt, en verschillende stemmingen heeft of van
wie de gezondheid wisselt. De meest in het oog lopende verandering in
de latere brieven is de lengte van de dwarsbalken van de t, die
buitensporig lang worden en een overigens elegant en leesbaar handschrift
bederven.
We komen nu bij Hodgsons TWEEDE HOOFDUITSPRAAK.
Dat speciale vormen van letters die eigen
zijn aan het gewone handschrift van Mw. Blavatsky, en niet aan het handschrift
van K.H., soms in dat van laatst genoemde voorkomen.
Deze stelling houdt niet veel in. Hodgson verwijst vaag
naar voorbeelden die hij in de documenten die hij bezit heeft gevonden,
maar het is mij onmogelijk gebleken ze op te sporen, en er worden geen
voorbeelden gegeven.
Er zijn veel uitwissingen en correcties
in de brieven, maar die zijn het werk van een schrijver die, terwijl hij
over een woord of een zin nog eens had nagedacht, niet het hele vel wilde
herschrijven en niet over een tekstverwerker beschikte. U zult talrijke,
wat Hodgson noemt ‘toevoegin gen, veranderingen, verhullingen en uitwissingen’,
vinden in mijn eigen handschrift.
Hodgson zegt op bladzijde 287 van zijn
rapport:
De letter e in het gewone handschrift
van Mw. Blavatsky wordt onveranderlijk gemaakt volgens het gewone type
dat ons allen wordt geleerd in schrijfboeken, maar wanneer deze aan het
begin staat van een woord in het K.H. handschrift, wordt deze gevormd
volgens het type van de hoofdletter E in het gewone handschrift van Mw.
Blavatsky. In de vroege K.H. documenten zijn er evenwel veel voorbeelden
waarin de kleine e aan het begin eerst goed werd gevormd op de
gewone manier, en later werd dit veranderd in het andere type door toevoeging
van een tweede curve bovenaan; er zijn ook voorbeelden waarin de verandering
nooit plaatsvond, en het gewone type e aan het begin is blijven
staan.
Mij zijn een aantal voorbeelden van dit type verandering
in de dia’s opgevallen, maar ik moet zeggen dat het gebruik van beide
typen e wijdverbreid is. E is de meest voorkomende letter
in de Engelse taal; en de e laat veel minder variaties toe dan
de meeste andere letters van het alfabet. Er is in die speciale e’s
niets dat bijzonder karakteristiek is voor HPB. Welke mogelijke
rechtvaardiging had Hodgson om ze aan Mw. Blavatsky toe te schrijven met
uitsluiting van alle anderen? Ze zouden door bijna iedereen kunnen zijn
gemaakt, onder wie KH zelf.
Hodgson maakt veel ophef over een of twee
exemplaren van de letter x die hij heeft gevonden in de documenten
in zijn bezit. Ik kan die documenten niet identificeren in de dia’s, maar
een losse x komt voor in het woord ‘Quixottes’ dat voorkomt in
K.H. (v) van Plaat 3 van zijn rapport. Deze vorm doet denken aan de x
van HPB, maar ik kan niet veel waarde hechten aan een geďsoleerd voorbeeld.
KH kan gemakkelijk een valse start hebben gemaakt met de St.Elizabethletter
x die hij gewoonlijk gebruikt en hebben besloten dat het zowel
gemakkelijker en netter zou zijn om de x op de Blavatskyaanse manier
te schrijven om de brief te voltooien.
Hodgson wijst op enkele overeenkomsten
tussen de hoofdletters die worden gebruikt door KH en HPB; maar de overeenkomsten
zijn niet erg nauw en de gebruikte vormen zijn heel gewoon. Ik denk niet
dat ze enige betekenis hebben.
Hodgsons DERDE HOOFDUITSPRAAK is
Dat er bepaalde heel opvallende eigenaardigheden
van het gewone handschrift van Mw. Blavatsky overal voorkomen in het handschrift
van K.H. – blz. 283
Volgens mij is deze stelling aantoonbaar onjuist; en omdat
ik me er uitgebreid in Deel 1 mee heb beziggehouden, hoef ik hier niet
te her halen wat ik heb geschreven. Tijdens mijn onderzoek van de 1323
kleurendia’s heb ik speciale aandacht besteed aan die dia’s die voorbeelden
bevatten van HPB’s handschrift. Ik kon niet één enkel kenmerk van
haar handschrift vinden dat, als het in een manuscript voorkomt, zonder
enige twijfel zou bewijzen dat zij de schrijfster ervan was. Wat Hodgson
de ‘linkergat haal’ noemt vindt men ook bij andere schrijvers en het is
veel minder belangrijk dan Hodgson dacht.
De manuscripten van M
Dit is een goed moment om de reeks brieven van M te beschrijven
waaraan Hodgson geen aandacht besteedt. Er zijn er zesentwintig in de
verzameling van de British Library – minder dan het aantal brieven van
KH, maar genoeg om belangrijk te zijn. De brieven van M verschillen zowel
in handschrift als in literaire stijl opvallend van de brieven van KH
en HPB. KH heeft een individueel handschrift dat, afgezien van enkele
van de eerste brieven, elegant, leesbaar en gemakkelijk te herkennen is.
Zijn stijl is aristocratisch, hoffelijk, nogal formeel en gereserveerd,
breedvoerig en soms ronduit langdradig; maar af en toe geeft hij blijk
van een gevoel voor humor. Het handschrift van M is heel anders. Hij geeft
gewoonlijk de voorkeur aan rode inkt. Hij houdt niet van schrijven, en
zegt dat ook. Hij is direct en kortaf, zegt wat hij te zeggen heeft, en
ondertekent. M staat meer met beide benen op de grond dan KH, en wanneer
hij schrijft ontbreekt het hem nooit aan humor. De handschriften van zowel
KH als M staan veraf van de explosieve uitbarstingen van HPB die doen
denken aan een waarschuwing van de Meteorologische Dienst voor de nadering
van orkaan Helena.
Omdat maar weinig mensen de brieven van
M kunnen hebben gezien, geef ik een typisch voorbeeld ervan in Figuur
19. Dit zal voldoende zijn omdat het handschrift van M bij lange
na niet zoveel varieert als dat van KH in zijn eerste brieven.
| FIGUUR
19 |
BRIEF 29 |
Barker, blz. 227-8 (2de ed.), 225 (3de ed.)
Niet gedateerd |
Dia no. K36592 |
Dit is de laatste bladzijde van een lange brief.
HOOFDKENMERKEN VAN M’s HANDSCHRIFT
Algemeen
Het meest opvallende kenmerk van het handschrift van M
is de ‘regelmatige onregelmatigheid’ van de kleine letters. Sommige, zoals
de r, zijn consequent groter dan gemiddeld, terwijl andere, bijvoorbeeld
de e, kleiner zijn dan gemiddeld. Het is daarom moeilijk om de
gemiddelde hoogte (H) van de romp van de kleine letters te schatten. Ze
passen niet netjes tussen twee evenwijdige lijnen zoals de lettertekens
van KH. Deze eigenschap geeft het schrift een sterk individueel karakter.
De helling van het handschrift is consequent en ongeveer
40° naar voren vanuit de loodlijn, duidelijk groter dan in de manuscripten
van KH.
Ondanks de variabiliteit van de kleine letters, houden
ze zich gewoonlijk aan de grondlijn.
Het schrift wordt zorgvuldig gemaakt en
is vloeiend, maar niet alle letters binnen een woord zijn verbonden.
De hoogte van de hoofdletters is ongeveer 2,5 H.
De afstand tussen de regels is kleiner dan in het schrift
van KH – ongeveer 3H.
De druk van de pen is van woord tot woord
gelijkmatig.
Enkele karakteristieke letters. Sommige bijzonder
interessante lettervormen zijn:
Bovendien zijn de g en y vaak verhoudingsgewijs
klein.
Het handschrift van H.P.
Blavatsky
Ik ga nu fragmenten uit twee brieven van HPB bestuderen
die worden bewaard in de verzameling van de British Library. De bijzonderheden
ervan zijn:
| FIGUUR
20 |
BRIEF 134 |
Barker, blz. 463-4 (2de ed.), 456-7 (3de ed.)
GEDATEERD: Dehra Dun vrijdag de 4de |
Dia no. K37262 |
| FIGUUR
21 |
BRIEF 136 |
Barker, blz. 466 (2de ed.), 458-9 (3de ed.)
GEDATEERD: 17 maart |
Dia no. K37268 |
HOOFDKENMERKEN
VAN HPB’S HANDSCHRIFT
Algemeen
Dit handschrift vertoont een sterke gedrevenheid. Het is
snel, maar grotendeels leesbaar hoewel men meer afhankeljk is van de context
dan bij de handschriften van KH en M. Er zijn grote variaties in de druk
die op de pen is uitgeoefend, en een sterke neerwaartse druk is vooral
merkbaar bij de letters d en p. Dit kan zelfs op de dia’s
worden gezien. Het effect van de druk is geheel verloren gegaan in de
facsimile’s van Hodgsons Plaat 2, die daarmee een misleidende indruk geeft
van het schrift als geheel.
De helling van het schrift is 45° naar rechts vanaf de loodlijn,
en bereikt soms 50°.
De romp van de kleine letters is klein (soms bijna tot verdwijnens
toe) vergeleken met de ruimte ertussen.
Vergeleken met de hoogte van de romp van de kleine letters,
zijn de halen omhoog en omlaag lang. Halen omlaag kunnen 6H bereiken en
halen omhoog 4H.
De hoogte van de hoofdletters wordt geschat op ongeveer
3H en de afstand tussen de regels op 3H.
Enkele karakteristieke letters. Opmerkelijk zijn:
Zie ook de vergelijkingstabel van de lettervormen afgebeeld
op blz. 63.
Vergelijking van de handschriften van KH, M en HPB.
Ik zie geen bewijs voor een gemeenschappelijk auteurschap van de handschriften
van KH, M en HPB. Vergelijking van hun algemene kenmerken, die Hodgson
negeert, alsmede van de gedetailleerde constructie van de individuele
letters, laat zien dat het hier drie verschillende handschriften betreft.
Ik schrijf ze toe aan verschillende auteurs.
Het handschrift van A.P.
Sinnett
Bij zijn inspanningen om HPB verdacht te maken, schijnt
het nooit bij Hodgson te zijn opgekomen dat men naar het handschrift van
andere mogelijke vervalsers zou moeten kijken alvorens conclusies te trekken.
Eén mogelijke verdachte is A.P. Sinnett zelf. Zijn twee boeken, The
Occult World en Esoteric Buddhism, bleken bestsellers te zijn,
en men zou kunnen suggereren dat hij de Mahatma Brieven heeft vervalst
om aan zijn werk een pseudo-autoriteit toe te kennen. Dit is in ieder
geval een geloofwaardiger motief dan de suggestie van Hodgson dat HPB
de brieven heeft vervalst om aan te zetten tot rebellie in Brits India.
Sinnetts handschrift wordt getoond in
Figuur 22, en de bijzonder
heden zijn:
| FIGUUR
22 |
BRIEF 20b |
Barker, blz. 125 (2de ed.), 121-2 (3de ed.)
GEDATEERD: Simla 25 juli
ONTVANGEN augustus 1882
|
Dia no. K36266
|
Als we het handschrift van Sinnett in Figuur
22 vergelijken met dat van KH in Figuur
17 zien we dat er tal van overeenkomsten zijn. Het schrift van Sinnett
is hoekiger dan dat van KH en het is meer uitgerekt in horizontale richting.
Maar de stijl ervan staat veel dichter bij die van KH dan de stijl van
HPB.
HOOFDKENMERKEN
VAN HET HANDSCHRIFT VAN A.P. SINNETT
Algemeen
De helling is ongeveer 30° naar voren ten opzichte van
de loodlijn.
De hoogte van de romp van de kleine letters
(H) is tamelijk gelijk matig.
De opgaande halen komen tot ongeveer 1,75
H boven de grondlijn en de halen omlaag gaan tot ongeveer 2H onder de
grondlijn. Ze zijn minder opvallend dan in het handschrift van KH.
De hoogte van de hoofdletters is ongeveer 2H.
De ruimte tussen de regels is ongeveer 3H en de ruimte
tussen de woorden is eveneens ongeveer 3H.
Deze ruwe metingen en het algemene ‘gevoel’ van het handschrift
zijn ge noeg om te laten zien dat het voor Sinnett veel gemakkelijker
zou zijn ge weest om zijn handschrift aan te passen aan de stijl van KH
dan voor HPB.
Vergelijking van individuele letters met die van KH.
Vergelijk de volgende:
Letter KH’s handschrift (Fig. 14) APS’ handschrift
(Fig. 22)
| c |
(regel 5) |
received |
(regel 3) |
once |
| |
(regel 7) |
currents |
(regel 9) |
covers |
| d |
(regel 8) |
production |
(regel 1) |
dear |
| g |
(regel 3) |
receiving |
(regel 2) |
began |
| th |
(regel 14) |
there |
(regel 4) |
this |
| n |
(regel 3) |
not |
(regel 3) |
once |
| |
|
|
(regel 7) |
tangle |
| p |
(regel 4) |
reply |
(regel 4) |
appear |
| |
(regel 8)
|
production |
|
|
| x |
Zie fig. 15, regel 18, expressing |
(regel 5) |
next |
Als we die overeenkomsten zouden accepteren, en alle verschillen
zouden verwerpen en aan de letter p het belang hechten van Hodgsons
‘linker-gat haal’, dan zou ik er een zaak van kunnen maken om aan Sinnett
het auteurschap van de Mahatma Brieven toe te schrijven. Dit illustreert
het belang van het bekijken van het handschrift van zoveel mogelijk verdachten
voordat men een oordeel uitspreekt. Hodgson heeft nooit andere verdachten
dan HPB beschouwd.
Maar, laat Sinnett rusten in vrede. Zijn
handschrift is niet hetzelfde als dat van KH, ondanks de overeenkomsten.
Fouten in de spelling,
woordafbreking en structuur
Op pagina’s 306 en 307 van zijn rapport probeert Hodgson
zijn zaak sterker te maken door fouten in de spelling, de grammatica,
de stijl en de woordafbreking aan te halen die hij in de bladzijden van
zowel KH als HPB aantrof. Ik vind deze paragraaf helemaal niet overtuigend.
Die fouten tonen hooguit aan dat de twee schrijvers niet geheel bekend
waren met de Engelse taal. We wisten dat al. Omdat de fouten algemeen
zijn en veel voorkomen, tonen ze niet aan dat KH en HPB dezelfde persoon
zijn.
Er kunnen maar weinig aspecten van het
schrijverschap zijn die auteurs minder begrijpen dan het afbreken van
woorden aan het einde van de regel. U zult uitgebreide regels voor de
afbreking van woorden vinden in het voorwoord van Webster’s New International
Dictionary van 1928, maar ik kan nooit onthouden hoe ze luiden. Hierover
maak ik me geen zorgen, omdat als mijn werk voor publicatie is bedoeld,
de woordafbreking zo nodig wordt gedaan door de zetter of door een computer,
ongeacht wat ik schrijf. Om de afbrekingsfouten die op blz. 306 van het
Hodgson Rapport worden getoond op te voeren als bewijs dat KH en HPB een
en dezelfde zijn is belachelijk.
HPB begon pas tamelijk laat in haar leven
Engels te schrijven, en ze deed dat omdat ze dacht dat haar werk in die
taal in bredere kring zou worden gelezen. Ze had daarbij eerst hulp nodig.
Het is niet verbazingwekkend dat haar vroege werk in het Engels invloed
van het Frans vertoont.
Ik ken de taalachtergrond van KH niet,
maar ook deze vertoont een Franse invloed. Omdat Frans een wereldtaal
was, en nog is, bewijst dit niet veel.
Hodgson mist geen enkele gelegenheid om
HPB’s Engels te bespotten. Men zou uit zijn opmerkingen afleiden dat zowel
KH als HPB een soort pidginengels schreven. Dit is niet het geval. De
stijl van KH, hoewel wat formeel, is in het algemeen goed, en zijn incidentele
foutjes zijn niet meer dan de meesten van ons af en toe maken bij het
eerste concept van een document. Hijzelf maakte veel correcties in zijn
brieven wat betreft stijl en woordkeuze.
Nadat ik de originele, niet geredigeerde
brieven van KH in onverkorte vorm heb gelezen, vind ik dat dit gedeelte
van het Hodgson Rapport heel deplorabel is. Het illustreert een bewijsvoering
door insinuatie.
©Theosophical
University Press Agency, Den Haag |