Fragment III
‘Upadhyaya1,
de keuze is gemaakt, ik dorst naar wijsheid. Nu heeft u de sluier
voor het verborgen pad weggerukt en het grote yana2
onderwezen. Uw dienaar hier is gereed om door u te worden geleid.’
Het is goed, sravaka3.
Bereid u voor, want u zult alleen verder moeten gaan. De leraar kan
slechts de weg wijzen. Het pad is één voor allen, de
middelen om het doel te bereiken moeten per pelgrim verschillen.
Welke van de twee wilt u kiezen, u met een onverschrokken hart? De
samtan4 van de ‘leer
van het oog’, het viervoudige dhyana, of wilt u uw weg laten
gaan door de paramita’s5,
zes in getal, edele poorten van deugd die leiden naar bodhi en naar
prajña, de zevende stap van wijsheid?
Het ruwe pad van het viervoudige dhyana leidt slingerend omhoog.
Hij die de verheven top beklimt is in drie opzichten groot.
Over de hoogten van de paramita’s leidt een nog steiler pad.
U moet u strijdend een weg banen door zeven poorten, zeven vestingen
verdedigd door wrede listige machten, belichamingen van hartstochten.
Houd moed, discipel, denk aan de gulden regel. Als u eenmaal door
de poort bent gegaan, srotapanna6,
‘hij die de stroom is ingegaan’, wanneer u eenmaal voet
heeft gezet op de bedding van de nirvanische stroom in dit of een
toekomstig leven, dan heeft u nog maar zeven levens vóór
u, u met een diamanten wil.
Kijk. Wat ziet u vóór u, u die goddelijke wijsheid
nastreeft?
‘De mantel van duisternis ligt over de diepte van de stof;
in de plooien ervan worstel ik. Terwijl ik toekijk wordt deze dieper,
Heer; ze wordt verdreven door het wuiven van uw hand. Een schaduw
beweegt en kruipt voort als een slang die zich strekt en kronkelt.
. . . Ze groeit, zwelt op en verdwijnt in de duisternis.’
Het is de schaduw van uzelf buiten het pad, die op de duisternis
van uw zonden wordt geworpen.
‘Ja Heer, ik zie het PAD dat begint in de modder en waarvan
de top verdwijnt in het schitterende licht van nirvana. En nu zie
ik de poorten die telkens smaller zijn op de moeilijke en doornige
weg naar jñana*.’
*Kennis, wijsheid.
U ziet het goed, lanoe. Deze poorten leiden de aspirant over de wateren
‘naar de andere oever’7.
Elke poort heeft een gouden sleutel om haar deuren te openen; deze
sleutels zijn:
1. DANA, de sleutel van barmhartigheid en onsterfelijke liefde.
2. SILA, de sleutel van harmonie in woord en daad, de sleutel die
oorzaak en gevolg in evenwicht houdt en geen ruimte laat voor de werking
van karma.
3. KSHANTI, mild geduld dat door niets kan worden verstoord.
4. VIRAGA, gelijkmoedigheid ten opzichte van genot en leed; de illusie
is overwonnen, alleen de waarheid wordt waargenomen.
5. VIRYA, de onverschrokken kracht die zich uit het slijk van aardse
leugens al strijdend een weg baant naar de hoogste WAARHEID.
6. DHYANA, waarvan de gouden poort, eenmaal geopend, de narjol* toegang
geeft tot het rijk van het eeuwige sat en de onafgebroken contemplatie
daarvan.
*Een heilige, een adept.
7. PRAJÑA, de sleutel hiervan maakt van de mens een god, een
bodhisattva, een zoon van de dhyani’s.
Dit zijn de gouden sleutels tot de poorten.
Voordat u de laatste kunt naderen, wever van uw vrijheid, moet u
zich deze paramita’s van volmaaktheid eigen maken – de
verheven deugden, zes en tien in getal – terwijl u het moeizame
pad volgt.
Want discipel! Wat werd u gezegd, voordat u voldoende was voorbereid
om uw leraar van aangezicht tot aangezicht, uw MEESTER van licht tot
licht, te ontmoeten?
Voordat u de eerste poort kunt naderen moet u leren uw lichaam van
uw bewustzijn te scheiden, de schaduw te verdrijven en in het eeuwige
te leven. Daartoe moet u leven en ademen in alles, zoals alles wat
u waarneemt in u ademt; uzelf aanwezig voelen in alle dingen, alle
dingen in het ZELF.
U moet niet toelaten dat uw zintuigen van uw denken een speelplaats
maken.
U moet uw zijn niet afscheiden van het ZIJN en van alles buiten u,
maar de oceaan doen opgaan in de druppel en de druppel in de oceaan.
Zo zult u in volledige harmonie zijn met al wat leeft; heb de mensen
lief als waren ze uw broeder-leerlingen, discipelen van één
leraar, zonen van één liefdevolle moeder.
Leraren zijn er vele; de MEESTER-ZIEL is één,8
alaya, de universele ziel. Leef in die MEESTER zoals zijn straal in
u leeft. Leef in uw medemensen zoals zij leven in die ziel.
Voordat u aan het begin van het pad staat, vóór u door
de eerste poort gaat, moet u de twee in het ene doen opgaan en het
persoonlijke opofferen aan het onpersoonlijke ZELF, en zo het ‘pad’
tussen de twee – het antaskarana9
– vernietigen.
U moet erop voorbereid zijn dharma te antwoorden, de strenge wet
waarvan de stem u aan het begin, bij uw eerste stap, zal vragen:
‘Heeft u aan alle voorschriften voldaan, u die zulke hoge verwachtingen
heeft?’
‘Heeft u uw hart en denken afgestemd op het grote denken en
hart van de hele mensheid? Want het hart van hem ‘die de stroom
zou willen ingaan’ moet worden geroerd door iedere zucht en
gedachte van al wat leeft en ademt, zoals de bulderende stem van de
heilige rivier wordt gevormd door alle geluiden van de natuur die
daarin weerklinken10.’
Discipelen kan men vergelijken met de snaren van de vina
waarin de ziel weerklinkt, de mensheid met haar klankbodem, de hand
die haar bespeelt met de welluidende adem van de grote
wereldziel. De snaar die onder de hand van de meester niet
kan trillen in lieflijke harmonie met alle andere, springt –
en wordt weggeworpen. Zo gaat het ook met het gezamenlijke denken
van lanoe-sravaka’s. Dit moet worden afgestemd op het
denken van de upadhyaya – één zijn met de overziel
– of zich ervan losmaken.
Zo handelen de ‘broeders van de schaduw’, de moordenaars
van hun ziel, de afschrikwekkende dad-dugpa’s11.
Kandidaat voor het licht, heeft u uw wezen afgestemd op het grote
lijden van de mensheid?
Is dat het geval? . . . U mag verdergaan. Maar vóór
u voet zet op het treurige pad van smart, is het goed om eerst de
valkuilen op uw weg te leren kennen.
. . . . . . . . .
Gewapend met de sleutel van welwillendheid, liefde en tedere barmhartigheid
kunt u vol vertrouwen de poort van Dana doorgaan, de poort die aan
het begin van het pad staat.
Zie, gelukkige pelgrim! De poort waar u vóór staat
is hoog en breed; en lijkt gemakkelijk te passeren. De weg die er
doorheen leidt is recht, effen en groen. Hij lijkt op een zonnige,
open plek in de donkere diepten van het bos, een afspiegeling op aarde
van het paradijs van Amitabha. Daar zingen hoog in het lover nachtegalen
van hoop en schitterend gevederde vogels, en wensen de onbevreesde
pelgrims succes. Ze bezingen de vijf deugden van de bodhisattva’s,
de vijfvoudige bron van de kracht van bodhi, en de zeven stadia van
kennis.
Ga verder! Want u heeft de sleutel meegebracht; u bent veilig.
En de weg naar de tweede poort is eveneens groen. Maar hij is steil
en gaat kronkelend omhoog, ja tot aan de rotsachtige top. Er zullen
grauwe nevels hangen over de ruwe, stenige hoogte en alles daarachter
zal duister zijn. Naarmate de pelgrim verdergaat klinkt het lied van
hoop zwakker in zijn hart. Er komt dan een golf van twijfel over hem;
zijn tred wordt minder vast.
Hoed u hiervoor, kandidaat! Pas op voor de angst die zich, als de
zwarte en geluidloze vleugels van de middernachtelijke vleermuis,
uitspreidt tussen het maanlicht van uw ziel en uw grote doel dat heel
in de verte opdoemt.
Angst, discipel, doodt de wil en houdt elke handeling tegen. Als
de pelgrim tekortschiet in de deugd sila, struikelt hij en verwonden
karmische kiezelstenen zijn voeten op het rotspad.
Zorg dat u zeker in uw schoenen staat, kandidaat. Baad uw ziel in
het wezen van kshanti*, want nu nadert u de poort met die naam, de
poort van standvastigheid en geduld.
*Kshanti, ‘geduld’, zie de hierboven
gegeven opsomming van de gouden sleutels.
Sluit uw ogen niet en verlies ook dorje12
niet uit het oog; Mara’s pijlen treffen telkens weer de mens
die viraga†13
niet heeft bereikt.
†Idem.
Zorg dat u niet bang bent. Door de adem van angst wordt de sleutel
kshanti roestig: de roestige sleutel weigert.
Hoe meer vooruitgang u boekt, des te vaker zullen uw voeten valkuilen
ontmoeten. Het pad dat verder voert wordt door één vuur
verlicht – het licht van dapperheid dat brandt in het hart.
Hoe meer men durft hoe meer men zal verkrijgen. Hoe banger men is
des te meer zal dat licht verbleken – en alleen dat licht kan
tot gids dienen. Want zoals de laatste zonnestraal die op de top van
een hoge berg schijnt, eerst vervaagt en dan wordt gevolgd door de
zwarte nacht, zo vergaat het ook het hartenlicht. Wanneer dit dooft
zal een donkere en dreigende schaduw vanuit uw eigen hart op het pad
vallen en van schrik zullen uw voeten als aan de grond genageld zijn.
Hoed u, discipel, voor die dodelijke schaduw. Geen licht dat van
de geest uitstraalt kan de duisternis van de lagere ziel verdrijven,
tenzij elke zelfzuchtige gedachte daaruit is geweken en de pelgrim
zegt: ‘Ik heb afstand gedaan van dit tijdelijke omhulsel; ik
heb de oorzaak vernietigd: de geworpen schaduwen kunnen als gevolgen
niet langer bestaan.’ Want nu heeft de laatste grote strijd,
de beslissende oorlog tussen het hogere en het lagere
zelf, plaatsgehad. Zie, het slagveld zelf wordt nu verzwolgen in de
grote oorlog en is niet meer.
Maar als u eenmaal door de poort van kshanti bent gegaan, is de derde
stap gezet. Uw lichaam is uw slaaf. Bereid u nu voor op de vierde,
de poort van verzoekingen die de innerlijke mens verstrikken.
Voordat u het doel kunt naderen, voordat uw hand wordt opgeheven
om de klink van de vierde poort op te lichten, moet u alle mentale
veranderingen in uw zelf hebben onderzocht en het leger gedachte-indrukken
hebben verslagen die bijna onmerkbaar en onverhoeds, ongevraagd het
stralende heiligdom van de ziel binnensluipen.
Als u niet door deze wilt worden verslagen, moet u uw eigen scheppingen
onschadelijk maken, de kinderen van uw gedachten die ongezien en ongrijpbaar
om de mensheid zwermen, het kroost en de erfgenamen van de mens en
zijn aardse uitspattingen. U moet de leegte van het schijnbaar volle,
de volheid van het schijnbaar lege onderzoeken. Onverschrokken aspirant,
kijk diep in de bron van uw eigen hart en geef antwoord. Kent u de
vermogens van het zelf, u die uiterlijke schaduwen waarneemt?
Als u ze niet kent – dan bent u verloren.
Want op het vierde pad zal de geringste zucht van hartstocht of begeerte
het constante licht op de reine witte muren van de ziel in beroering
brengen. De minste opwelling van verlangen naar of verdriet over maya’s
bedrieglijke gaven, een gedachte zo voorbijgaand als een bliksemflits,
zal langs antaskarana – het pad dat ligt tussen uw
geest en uw zelf, het brede kanaal van gevoelens, waardoor ahamkara14
ruw wordt gewekt – ervoor zorgen dat u uw drie prijzen verspeelt
– de overwinningen die u heeft behaald.
Want weet dat het EEUWIGE geen verandering kent.
‘Keer u voor altijd af van de acht afschrikwekkende oorzaken
van lijden. Als u dat niet doet, kunt u beslist niet tot wijsheid
komen en ook geen verlossing bereiken’, zegt de grote Heer,
de Tathagata van volmaaktheid, ‘hij die in
de voetstappen van zijn voorgangers is getreden’15.
Streng en veeleisend is de deugd viraga. Als u op het pad ervan zou
willen zegevieren moet u zich in uw gedachten en uw waarnemingen veel
meer dan vroeger onthouden van het dodelijke handelen.
U moet uzelf verzadigen met zuivere alaya, één worden
met het zielendenken van de natuur. Eén daarmee bent u onoverwinnelijk;
ervan gescheiden wordt u de speelplaats van samvriti16,
de oorsprong van alle misleiding in de wereld.
Alles is vergankelijk in de mens behalve de zuivere, stralende essentie
van alaya. De mens is de kristalheldere straal ervan; een bundel smetteloos
licht van binnen, op het lagere gebied een vorm gemaakt van klei.
Die bundel is uw levensgids en uw ware zelf, de wachter en de stille
denker, het slachtoffer van uw lagere zelf. Uw ziel kan niet worden
geschaad dan door uw dwalend lichaam; beteugel en beheers beide en
u bent veilig als u verdertrekt en de ‘poort van evenwicht’
nadert.
Houd moed, dappere pelgrim ‘naar de andere oever’. Let
niet op de influisteringen van Mara’s horden; wijs de verleiders
af, die boosaardige geesten, de jaloerse lhamayin17
in de eindeloze ruimte.
Houd vol! U nadert nu de middelste poort, de poort van smart met
haar tienduizend valstrikken.
Beheers uw gedachten, strever naar volmaking, als u over haar drempel
wilt gaan.
Beheers uw ziel, zoeker naar onsterfelijke waarheden, als u het doel
wilt bereiken.
Concentreer de blik van uw ziel op het ene zuivere licht, het licht
dat vrij is van emotie, en gebruik uw gouden sleutel.
. . . . . . . . .
De akelige taak is volbracht, uw werk zo goed als voltooid. De brede
afgrond die zich opende om u te verzwelgen is bijna overbrugd.
. . . . . . . . .
U bent nu de vestinggracht overgestoken die de poort van menselijke
hartstochten omringt. U heeft nu Mara en zijn woeste horde overwonnen.
U heeft de bezoedeling uit uw hart verwijderd en het vrijgemaakt
van onzuiver verlangen. Maar, roemrijke strijder, uw taak is nog niet
volbracht. Lanoe, bouw een hoge muur die ‘het heilige eiland’*
zal omsluiten, een dam die uw denken zal beschermen tegen trots en
zelfgenoegzaamheid over de gedachte aan de grote heldendaad die is
verricht.
*Het hogere ego, het denkende zelf.
Een gevoel van trots zou het werk verstoren. Bouw daarom een stevige
muur, opdat de pelgrim en zijn eiland niet worden verzwolgen door
het woeste aanrollen van kolkende golven, die hoog worden opgestuwd
en op de kust beuken vanuit de grote oceaan van wereld-maya; ja, zelfs
als de zege al is behaald.
Uw ‘eiland’ is het hert, uw gedachten zijn de jachthonden
die het afmatten en achternazitten bij zijn voortgang naar de levensstroom.
Wee het hert dat wordt ingehaald door de blaffende demonen voordat
het het Dal van de Toevlucht bereikt, dhyanamarga, het ‘pad
van zuivere kennis’.
Voordat u vaste voet kunt zetten op dhyanamarga18
en dit pad het uwe kunt noemen, moet uw ziel worden als de rijpe mangovrucht:
zo zacht en zoet als zijn goudglanzende vruchtvlees voor het leed
van anderen en zo hard als de pit van die vrucht voor uw eigen pijn
en verdriet, overwinnaar van wel en wee.
Staal uw ziel tegen de verlokkingen van het zelf; verdien
er de naam ‘diamanten ziel’19
voor.
Want zoals de diamant die diep in het kloppende hart van de aarde
ligt begraven, de aardse lichten nooit kan weerkaatsen, zo is het
ook voor uw denken en uw ziel; wanneer ze dhyanamarga volgen moeten
ze niets weerspiegelen van maya’s rijk van illusie.
Wanneer u dat stadium heeft bereikt, werpen de poorten die u op het
pad moet veroveren hun deuren wijd open om u door te laten en de sterkste
krachten van de natuur bezitten niet het vermogen om u tegen te houden.
U zult meester zijn van het zevenvoudige pad: maar niet vóór
die tijd, kandidaat voor beproevingen die iedere beschrijving te boven
gaan.
Eerst wacht u een nog moeilijker taak: u moet uzelf ALOMVATTEND-DENKEN
voelen en toch alle gedachten uit uw ziel bannen.
U moet die standvastigheid van denken bereiken waarin geen bries,
hoe krachtig ook, een aardse gedachte naar binnen kan drijven. Aldus
gezuiverd, moet het heiligdom vrij zijn van elke handeling, van elk
geluid of aards licht; zoals de vlinder, verrast door de vorst, levenloos
op de drempel neervalt, zo moeten alle aardse gedachten buiten de
tempel worden gehouden.
Zie, er staat geschreven:
‘Voordat de gouden vlam rustig kan branden, moet de lamp goed
beschermd staan op een plek die geheel vrij is van tocht.’*
Blootgesteld aan een veranderlijke luchtstroom zal de vlam heen en
weer bewegen en het flikkerende licht zal bedrieglijke, duistere en
steeds wisselende schaduwen werpen op het reine heiligdom van de ziel.
*Bhagavad Gita 6:19.
En dan, strever naar waarheid, wordt het denken van uw ziel als een
dolle olifant die tekeergaat in de wildernis. Omdat hij bomen in het
woud aanziet voor levende vijanden, komt hij om bij zijn pogingen
de steeds veranderende schaduwen te doden, die op de zonbeschenen
rotswand dansen.
Pas ervoor op dat uw ziel niet onder de hoede van het zelf, haar
steunpunt op de vaste grond van deva-kennis verliest.
Waak ervoor dat uw ziel niet door het ZELF te vergeten de beheersing
over haar twijfelende denken verliest en daardoor de haar toekomende
vruchten van haar overwinningen verspeelt.
Pas op voor verandering! Want verandering is uw grote vijand. Deze
verandering zal zich tegen u keren, afleiden van het pad dat u bewandelt,
en u terugdringen tot diep in de modderige moerassen van de twijfel.
Bereid u voor en wees tijdig gewaarschuwd. Als u een poging heeft
gedaan en heeft gefaald, strijder zonder angst, verlies dan niet de
moed: vecht door en hernieuw de aanval, keer op keer.
De onverschrokken krijger zal, hoewel zijn kostbare levensbloed uit
zijn diepe en gapende wonden gutst, de vijand toch nog aanvallen,
hem uit zijn bolwerk verdrijven, hem overwinnen voordat hijzelf de
laatste adem uitblaast. Handel dan, u allen die tekortschiet en lijdt,
handel zoals hij; en verjaag uit de verschansing van uw ziel al uw
vijanden – eerzucht, boosheid, haat, tot zelfs de schaduw van
begeerte – ook wanneer u heeft gefaald. . . .
Bedenk, u die strijdt voor de verlossing van de mens,20
dat iedere mislukking succes betekent en dat elke oprechte poging
te zijner tijd wordt beloond. De heilige zaden ontkiemen en groeien
onzichtbaar in de ziel van de discipel, hun stengels worden sterker
bij iedere nieuwe beproeving, ze buigen als riet, maar breken nooit
en kunnen ook nooit verloren gaan. Maar als het uur slaat, komen ze
tot bloei.21
. . . . . . . . .
Maar kwam u goed voorbereid, wees dan niet bang.
. . . . . . . . .
Vanaf dit punt is uw weg vrij en gaat recht door de poort van virya,
de vijfde van de zeven poorten. U bent nu op de weg die leidt naar
de veilige haven van dhyana, de zesde, de bodhi-poort.
De dhyana-poort is wit en doorschijnend als een albasten vaas; daarin
brandt een rustig gouden vuur, de vlam van prajña, die van
atman uitstraalt.
U bent die vaas.
U heeft u losgemaakt van de objecten van de zintuigen, u heeft gereisd
op het ‘pad van het zien’, op het ‘pad van het horen’
en staat in het licht van kennis. U heeft nu de toestand van titiksha22
bereikt.
Narjol, u bent veilig.
. . . . . . . . .
Weet, overwinnaar van uw zonden, als een sowani23
eenmaal het zevende pad heeft afgelegd, trilt de hele natuur van vreugdevol
ontzag en voelt zich onderworpen. De zilveren ster flonkert het nieuws
uit aan de nachtbloesems, het stroompje vertelt het verhaal al bruisend
aan de kiezels; de donkere oceaangolven zullen het toebrullen aan
de rotsen in de branding; de met geuren beladen wind zingt het toe
aan de dalen en statige pijnbomen fluisteren geheimzinnig: ‘Een
meester is opgestaan, een meester
van de dag.’24
Hij staat nu als een witte zuil naar het westen; en de rijzende zon
van het eeuwige denken werpt haar eerste glorieuze stralen op zijn
gezicht. Zijn bewustzijn spreidt zich als een tot rust gekomen en
grenzeloze oceaan uit in oeverloze ruimte. Hij houdt leven en dood
in zijn sterke hand.
Ja, hij is machtig. De levende kracht die in hem is vrijgemaakt,
die kracht die hijzelf is, kan het
tabernakel van illusie hoog boven de goden opheffen, boven de grote
Brahma en Indra. Nu zal hij ongetwijfeld zijn grote beloning
bereiken!
Zal hij de gaven die de beloning met zich brengt niet voor zijn eigen
rust en gelukzaligheid, zijn welverdiende geluk en heerlijkheid gebruiken
– hij die de grote illusie te boven is gekomen?
Nee, kandidaat voor de verborgen kennis van de natuur! Als
men in de voetstappen van de heilige Tathagata zou willen treden,
zijn die gaven en vermogens niet voor het zelf.
Zou u de wateren die op de Sumeru25
zijn ontsprongen op die manier willen indammen? Wilt u de stroom ter
wille van uzelf verleggen of langs de toppen van de cyclussen doen
terugkeren naar zijn oerbron?
Als u wilt dat die stroom van moeizaam verdiende kennis, van hemelse
wijsheid, fris en stromend water blijft, moet u hem niet een stilstaande
vijver laten worden.
Weet, dat als u een medewerker van Amitabha, het ‘onbegrensde
tijdperk’, wilt worden, u dan evenals de twee bodhisattva’s26
het verworven licht op alle drie werelden27
moet werpen.
Weet dat de stroom van bovenmenselijke kennis en de deva-wijsheid
die u heeft verkregen, uit uzelf, het kanaal van alaya, in een andere
bedding moet worden geleid.
Weet, narjol van het verborgen pad, dat zijn reine zoete wateren
moeten worden gebruikt om de bittere golven van de oceaan –
die machtige zee van smart, gevormd uit de tranen van mensen –
te verzachten.
Helaas! Wanneer u eenmaal bent geworden als de vaste ster in de hoogste
hemel, moet dat heldere hemellichaam vanuit de diepten van de ruimte
stralen voor allen – behalve voor zichzelf; aan allen licht
geven maar het niemand ontnemen.
Helaas! Wanneer u eenmaal bent geworden als de zuivere sneeuw in
de bergdalen, koud en ongevoelig bij aanraking maar warm en beschermend
voor het zaad dat diep onder haar oppervlak slaapt – dan moet
die sneeuw de bijtende vorst en de noordenwinden opvangen en zo voor
de scherpe en wrede tand daarvan de aarde beschutten die de beloofde
oogst bevat, de oogst die de hongerigen zal voeden.
Gedoemd door uzelf om gedurende toekomstige kalpa’s* te leven
zonder door de mensen te worden bedankt of opgemerkt; als een steen
ingeklemd tussen ontelbare andere stenen die de ‘beschermmuur’28
vormen, zó is uw toekomst als u door de zevende poort gaat.
Gebouwd door de handen van vele meesters van mededogen, opgetrokken
door hun martelgang en met hun bloed gemetseld, behoedt deze muur
de mensheid sinds de mens mens is, beschermt haar tegen nog meer en
veel grotere ellende en verdriet.
*Cyclussen die eeuwen duren.
Toch ziet de mens het niet, zal het niet opmerken, noch zal hij acht
slaan op het woord van wijsheid . . . want hij kent het niet.
Maar u heeft het gehoord, u weet alles, geestdriftige en oprechte
ziel . . . . en u moet kiezen. Luister dus nogmaals.
Op het pad van sowan, srotapanna*, bent u veilig. Ja, op die marga†
ontmoet de vermoeide pelgrim slechts duisternis, druipen de handen
van bloed opengereten door doornen, worden de voeten door de harde,
scherpe vuurstenen verwond, en hanteert Mara zijn krachtigste wapens
– daarna wacht de pelgrim onmiddellijk een grote beloning.
*Sowani en srotapanna zijn synoniemen.
[Het Paliwoord sovanna betekent ‘gouden’.]
†Marga – ‘pad’.
Kalm en onbewogen schrijdt de pelgrim voort, omhoog langs de stroom
die naar nirvana leidt. Hij weet dat hoe meer zijn voeten zullen bloeden,
hoe meer hij zal worden gelouterd. Hij weet zeker dat na zeven korte
en snel voorbijgaande levens nirvana hem ten deel zal vallen. . .
.
Dit is het dhyana-pad, de veilige haven van de yogi, het gezegende
doel waarnaar srotapatti’s hevig verlangen.
Maar dat is niet het geval als hij het aryahata-pad* heeft bereikt.
*Van het Sanskriet – arhat of arhan.
Daar wordt klesa29
voor altijd vernietigd, worden de wortels van tanha30
uitgerukt. Maar wacht, leerling. . . . Nog één woord.
Kunt u goddelijk mededogen vernietigen?
Mededogen is geen eigenschap. Het is de WET der wetten,
eeuwige harmonie, alaya’s ZELF; een oeverloze, universele essentie,
het licht van eeuwigdurend recht, de juiste ordening van alles, de
wet van eeuwige liefde.
Hoe meer u daarmee één wordt, waarbij uw zijn is opgelost
in het ZIJN daarvan, hoe meer uw ziel zich verenigt met dat wat IS,
des te meer zult u absoluut
mededogen31
worden.
Dit is het arya-pad, het pad van de boeddha’s van volmaaktheid.
Maar wat betekenen de heilige boekrollen die u doen zeggen:
‘OM! Ik geloof dat niet alle arhats de zoete vervulling genieten
van het pad van nirvana.’
‘OM! Ik geloof dat de nirvana-dharma niet door alle boeddha’s32
wordt beoefend.’*
*Thegpa Chenpoido, ‘Mahayanasutra’, aanroepingen
tot de ‘boeddha’s van belijdenis’, Deel I, IV.
Ja, op het arya-pad bent u niet langer een srotapanna, u bent een
bodhisattva33.
De stroom is overgestoken. Het is waar dat u recht heeft op het dharmakaya-kleed,
maar een sambhogakaya is groter dan een nirvani en nog groter is een
nirmanakaya – de boeddha van mededogen34.
Buig nu het hoofd en luister goed, bodhisattva – mededogen
spreekt en zegt: ‘Kan er gelukzaligheid zijn wanneer al wat
leeft moet lijden? Zult u gered worden en de hele wereld horen klagen?’
Nu heeft u gehoord wat werd gezegd.
U zult het zevende stadium bereiken en de poort van uiteindelijke
kennis doorgaan, maar slechts om u met lijden te verbinden –
als u een Tathagata wilt zijn en in de voetstappen van uw voorganger
wilt treden, blijf dan onzelfzuchtig tot het eindeloze einde.
U bent verlicht – kies uw weg.
. . . . . . . . .
Zie het zachte licht dat aan de oostelijke hemel gloort. In uitingen
van lof verenigen zich hemel en aarde. En uit de viervoudig gemanifesteerde
machten klinkt een gezang van liefde op, zowel uit het vlammende vuur
en het stromende water als uit de zoet-geurende aarde en de jagende
wind.
Luister! . . . Uit de onpeilbaar diepe draaikolk van dat gouden licht
waarin de overwinnaar baadt, klinkt de woordloze stem van de HELE
NATUUR op om in duizend tonen te verkondigen:
vreugde aan u, mensen van myalba35.
een pelgrim is teruggekeerd ‘van de andere
oever’.
een nieuwe arhan36
is geboren. . . .
Vrede aan alle wezens.37
Noten
(1) Upadhyaya is een spiritueel
leraar, een goeroe. De noordelijke boeddhisten kiezen die meestal
uit de ‘narjols’, heilige mannen die, goed bekend met
de gotrabhu-jñana en jñana-darsana-suddhi,
de geheime wijsheid onderwijzen.
(2) Yana – voertuig: zo zijn
mahayana het ‘grote voertuig’ en hinayana
het ‘kleine voertuig’, de namen voor twee scholen van
religieuze en filosofische kennis in het noordelijke boeddhisme.
(3) Sravaka – een
toehoorder of leerling, die het religieuze onderricht bijwoont. Van
de wortel sru. Wanneer ze van de theorie overgaan tot de
praktijk ofwel het beoefenen van de ascese, worden ze sramana’s
‘beoefenaars’, afgeleid van srama, handeling.
Zoals Hardy aantoont, komen deze twee termen respectievelijk overeen
met de Griekse woorden akoustikoi en asketai.
(4) Samtan (Tibetaans),
hetzelfde als het Sanskriet dhyana, of de toestand van meditatie;
men onderscheidt vier graden daarvan.
(5) Paramita’s,
de zes verheven deugden; voor de priesters zijn er tien.
(6) Srotapanna –
(letterlijk) ‘hij die de stroom is ingegaan’, die naar
de oceaan van nirvana leidt. Deze naam duidt het eerste pad
aan. De naam van het tweede is het pad van sakridagamin,
‘hij die nog (maar) eenmaal geboren zal worden’. Het derde
wordt anagamin genoemd, ‘hij die niet weer zal reïncarneren’,
tenzij hij dat wenst om de mensheid te helpen. Het vierde
pad staat bekend als dat van een rahat of arhat.
Het is het hoogste. Een arhat aanschouwt nirvana gedurende zijn leven.
Voor hem is dit geen postmortale toestand, maar samadhi waarin
hij de volkomen gelukzaligheid van nirvana ervaart.*
*Hoe weinig men wat betreft juistheid van woorden en
hun betekenis de oriëntalisten kan vertrouwen, blijkt als men
drie zogenaamde autoriteiten raadpleegt. Zo worden de vier hierboven
verklaarde namen door R. Spence Hardy als volgt gegeven: 1. sowan,
2. sakradagami, 3. anagami, en 4. arya. Door eerw. J. Edkins worden
ze gegeven als: 1. srotapanna, 2. sagardagam, 3. anaganim, en 4. arhan.
Schlagintweit spelt ze weer anders en ieder geeft bovendien een andere
en nieuwe variant van de betekenis van de termen.
(7) Het ‘aankomen op de [andere]
oever’ betekent bij de noordelijke boeddhisten het bereiken
van nirvana door het in praktijk brengen van de zes en tien paramita’s
(deugden).
(8) De ‘MEESTER-ZIEL’
is alaya, de universele ziel of atman, waarvan ieder mens
een straal in zich draagt en waarmee hij zich zou kunnen vereenzelvigen
en erin opgaan.
(9) Antaskarana is het
lagere manas, het pad van communicatie of contact tussen
de persoonlijkheid en het hogere manas of de menselijke ziel.
Bij de dood wordt het als pad of middel van communicatie vernietigd
en de overblijfselen ervan leven voort in de vorm van het kamarupa,
de ‘schil’.
(10) De noordelijke boeddhisten
en in feite alle Chinezen beschouwen het diepe gebulder van sommige
grote en heilige rivieren als de grondtoon van de natuur. Vandaar
de vergelijking. Het is in zowel de natuurwetenschappen als het occultisme
een bekend feit dat de geluiden van de natuur als een geheel –
zoals men die hoort in het gebulder van grote rivieren, in het geruis
teweeggebracht door de wuivende boomtoppen in grote bossen, of dat
van een stad zoals men die op enige afstand waarneemt – één
enkele, bepaalde klank met een duidelijk herkenbare toonhoogte vormen.
Natuurkundigen en musici hebben dit aangetoond. Zo toont prof. Rice
(Chinese Music) aan dat de Chinezen duizenden jaren geleden
dit feit al hebben erkend als ze zeggen dat ‘de wateren van
de Hoang-ho in het voorbijstromen de kung laten horen’,
in de Chinese muziek de ‘grote toon’ genoemd; en hij laat
zien dat deze toon overeenkomt met de F, ‘door de natuurkundigen
als de werkelijke grondtoon van de natuur beschouwd’. Ook prof.
B. Silliman noemt dit feit in zijn Principles of Physics
en zegt dat ‘deze toon overeen zou komen met de middelste F
op de piano; en daarom als de grondtoon van de natuur kan worden beschouwd’.
(11) De Bhöns of
dugpa’s, de sekte van de ‘Roodkappen’,
zijn naar men zegt heel bedreven in toverij. Ze bewonen westelijk
en klein-Tibet, en ook Bhoetan. Ze zijn allen tantrika’s. Het
is bepaald absurd te ontdekken dat oriëntalisten die de grensgebieden
van Tibet hebben bezocht, zoals Schlagintweit en anderen, de riten
en weerzinwekkende gebruiken van deze sekte verwarren met de religieuze
overtuigingen van de lama’s uit Oost-Tibet, de ‘Geelkappen’
en hun naljors of heilige mannen. Het volgende is een voorbeeld
(zie noot 12).
(12) Dorje is het Sanskriet
vajra, een wapen of instrument in de handen van sommige goden
(de Tibetaanse dragshed, de deva’s, die de
mensen beschermen). Men meent dat deze hetzelfde occulte vermogen
bezit om kwade invloeden af te weren door de lucht te zuiveren, als
ozon in de scheikunde. Het is ook een mudra een gebaar en
een houding die bij het mediteren wordt aangenomen. Het is kortom
een symbool van macht over onzichtbare kwade invloeden, hetzij als
houding of als talisman. De Bhöns of dugpa’s
echter, die zich dit symbool hebben toegeëigend, misbruiken het
voor doeleinden van zwarte magie. Bij de ‘Geelkappen’
of gelugpa’s is het een symbool van macht, evenals
het kruis bij de christenen, terwijl het helemaal niet meer ‘bijgeloof’
inhoudt dan dat. Bij de dugpa’s is het, evenals de
omgekeerde dubbele driehoek, het teken van tovenarij.
(13) Viraga is het gevoel
van volkomen onverschilligheid voor het objectieve heelal, voor genot
en leed. ‘Afkeer’ geeft niet de juiste betekenis ervan
weer, maar komt er dichtbij.
(14) Ahamkara –
het ‘ik’ of het gevoel van de persoonlijkheid, de ‘ik-ben-heid’.
(15) ‘Iemand die in de
voetstappen van zijn voorgangers treedt’ of ‘van hen die
vóór hem kwamen’, is de werkelijke betekenis van
de naam Tathagata.
(16) De mahayana-school
onderwijst het verschil tussen twee waarheden – paramarthasatya
en samvritisatya (satya, ‘waarheid’). Van deze
twee waarheden wijst samvriti op het bedrieglijke karakter
of de leegte van alle dingen. Het is in dit geval betrekkelijke
waarheid. Dit vormt het twistpunt tussen de madhyamika’s
en de yogachara’s. De eersten ontkennen en de anderen
bevestigen, dat elk voorwerp slechts ten gevolge van een vroegere
oorzaak of aaneenschakeling van oorzaken bestaat. De madhyamika’s
zijn de grote nihilisten en ontkenners, voor wie, in de wereld van
het denken en het subjectieve evenzeer als in het objectieve heelal,
alles parikalpita, een illusie en een dwaling is. De yogachara’s
zijn de grote spiritualisten. Samvriti is daarom, als slechts
een betrekkelijke waarheid, de oorsprong van alle illusie.
(17) Lhamayin zijn elementalen
en boze geesten, vijanden en tegenwerkers van de mens.
(18) Dhyanamarga is
letterlijk het ‘pad van dhyana’; of het pad
van zuivere kennis, van paramartha of (Sanskriet) svasamvedana
‘de beschouwing waarin men zich van zichzelf bewust wordt of
zichzelf analyseert’.
(19) Zie noot
4, ‘diamanten ziel’ of Vajradhara staat aan
het hoofd van de dhyani-boeddha’s.
(20) Dit verwijst naar een bekende
overtuiging in het Oosten (en trouwens ook in het Westen) dat iedere
nieuwe boeddha of heilige een nieuwe strijder is in het leger van
hen die werken aan de bevrijding of verlossing van de mensheid. In
de landen van het noordelijke boeddhisme, waar de leer van de nirmanakaya’s
– die bodhisattva’s, die het welverdiende nirvana
of het dharmakaya-kleed opgeven (beide zouden hen voor altijd
van de wereld van de mensen uitsluiten) om de mensheid ongezien te
helpen en haar tenslotte naar paranirvana te leiden – wordt
onderwezen, wordt elke nieuwe bodhisattva of ingewijde grote
adept de ‘bevrijder van de mensheid’ genoemd. De bewering
van Schlagintweit in zijn ‘Buddhism in Tibet’
dat prulpai ku of ‘nirmanakaya’ ‘het lichaam
is waarin de boeddha’s of bodhisattva’s op aarde verschijnen
om de mensen te onderrichten’ – is heel onnauwkeurig en
verklaart niets.
(21) Een verwijzing naar
de menselijke hartstochten en tekortkomingen die gedurende de beproevingen
van het noviciaat worden uitgeroeid en tot vruchtbaar gemaakte grond
dienen, waarin de ‘heilige kiemen’ of de zaden van de
verheven deugden kunnen ontspruiten. Vóórbestaande of
aangeboren deugden, talenten of gaven zouden in een vorig
leven zijn verworven. Genialiteit is zonder uitzondering een talent
of aanleg meegebracht uit een vroeger leven.
(22) Titiksha is de
vijfde toestand van rajayoga – een toestand van verheven
gelijkmoedigheid; een, zo nodig, zich onderwerpen aan hetgeen ‘genot
en leed voor allen’ heet, echter zonder uit die onderwerping
genot of leed te putten – kortom, het onverschillig of ongevoelig
worden voor zowel vreugde als leed op fysiek, mentaal en ethisch gebied.
(23) Sowani is iemand
die sowan, het eerste pad in dhyana, beoefent, een
srotapanna. [Zie ook blz. 66vn.]
(24) ‘Dag’ betekent
hier een heel manvantara, een tijdperk van onberekenbaar
lange duur.
(25) De berg Meru, de heilige
berg van de goden.
(26) Volgens de symboliek van
het noordelijke boeddhisme heeft Amitabha of de ‘onbegrensde
ruimte’ (parabrahman) in zijn paradijs twee bodhisattva’s
– Kwan-shi-yin en Tashishi – die steeds licht uitstralen
over de drie werelden, waarin ze eens leefden, waaronder de onze (zie
noot 27), om met dit licht (van kennis) te helpen bij het onderricht
van yogi’s, die op hun beurt mensen zullen redden. Hun verheven
positie in het rijk van Amitabha is volgens de allegorie
te danken aan daden van barmhartigheid die door beiden werden verricht
toen ze als zulke yogi’s op aarde leefden.
(27) Deze drie werelden zijn
de drie bestaansgebieden, het aardse, het astrale en het spirituele.
(28) De ‘beschermmuur’
of de ‘beschuttingsmuur’. Er wordt geleerd dat de verenigde
pogingen van vele generaties van yogi’s, heiligen en adepten
en vooral die van de nirmanakaya’s als het ware een
muur van bescherming rond de mensheid hebben gevormd, die haar onzichtbaar
voor nog grotere rampen behoedt.
(29) Klesa is genotzucht
of gehechtheid aan wereldse genietingen, kwade of goede.
(30) Tanha, de wil om
te leven, de oorzaak van wedergeboorten.
(31) Dit ‘mededogen’
moet niet in hetzelfde licht worden beschouwd als ‘God, de goddelijke
liefde’ bij de theïsten. Mededogen staat hier als een abstracte,
onpersoonlijke wet. Onenigheid, lijden en zonde verstoren deze wet
waarvan de essentie absolute harmonie is.
(32) In het spraakgebruik van
de noordelijke boeddhisten worden alle grote arhats, adepten en heiligen
boeddha’s genoemd.
(33) Een bodhisattva
staat minder hoog in de hiërarchie dan een ‘volmaakte boeddha’.
In exoterisch spraakgebruik worden de twee heel vaak verward. Toch
heeft het intuïtieve inzicht van het volk een bodhisattva
op grond van zijn zelfopoffering op een hogere trap van verering geplaatst
dan een boeddha.
(34) De titel ‘boeddha’s
van mededogen’ wordt door het volk met eenzelfde eerbied gegeven
aan bodhisattva’s die, nadat ze de rang van arhat hebben
verworven (dat wil zeggen, het vierde of zevende
pad tot het einde zijn gegaan), weigeren nirvana in te gaan of ‘zich
met het kleed van dharmakaya te tooien en naar de andere
oever over te steken’, omdat het dan niet meer in hun macht
zou liggen de mensen zelfs maar een klein beetje te helpen, voor zover
karma dat toelaat. Ze blijven liever onzichtbaar (in de geest, om
zo te zeggen) in de wereld om een bijdrage te leveren aan de verlossing
van de mensen door hun aan te sporen de goede wet te volgen, dat wil
zeggen, hen naar het pad van rechtvaardigheid te leiden. Het behoort
tot het exoterische noordelijke boeddhisme al zulke grote figuren
als heiligen te vereren en zelfs gebeden tot hen te richten, zoals
de Grieken en de katholieken die richten tot hun heiligen en schutspatronen;
deze gedragslijn vindt in de esoterische leringen echter geen steun.
De twee leringen verschillen enorm. De exoterische leek kent nauwelijks
de werkelijke betekenis van het woord nirmanakaya. Vandaar
de verwarring en de onvoldoende verklaringen van de oriëntalisten.
Bijvoorbeeld Schlagintweit gelooft dat het nirmanakaya-lichaam
de fysieke vorm betekent, aangenomen door de boeddha’s wanneer
ze op aarde incarneren – ‘de minst verhevene van hun aardse
belemmeringen’ (zie Buddhism in Tibet) – en vervolgens
geeft hij een volkomen onjuiste visie op het onderwerp. De ware lering
is echter de volgende.
De drie lichamen of vormen van een boeddha zijn:
1. Nirmanakaya.
2. Sambhogakaya.
3. Dharmakaya.
Het eerste is de etherische vorm die iemand zou aannemen als hij,
na zijn fysieke lichaam verlaten te hebben, in zijn astrale lichaam
zou verschijnen – en bovendien over alle kennis van een adept
zou beschikken. De bodhisattva ontwikkelt dit lichaam in
zich naargelang hij op het pad vordert. Als hij het doel heeft bereikt
en de vrucht ervan heeft geweigerd, blijft hij op aarde als een adept,
en na zijn sterven blijft hij, in plaats van nirvana in te gaan, in
dit glorierijke lichaam dat hij voor zichzelf heeft geweven, onzichtbaar
voor de niet-ingewijde mensheid, om over haar te waken en haar te
beschermen.
Sambhogakaya is hetzelfde, maar bovendien met de luister
van de ‘drie volmaaktheden’, waarvan er één
is dat aan aardse zaken in het geheel niet meer wordt gedacht.
Het dharmakaya is het lichaam van een volkomen boeddha,
dat wil zeggen, het is helemaal geen lichaam maar een ideële
adem: bewustzijn opgegaan in het universele bewustzijn, of ziel zonder
enige eigenschap. Als een adept of boeddha eenmaal een dharmakaya
is, verbreekt hij elke mogelijke betrekking met deze aarde en elke
gedachte eraan. Om dus in staat te zijn de mensheid te blijven helpen
‘verzaakt’ een adept, die het recht op nirvana heeft verworven,
‘het dharmakaya-lichaam’, zoals dat in mystieke
taal wordt beschreven; behoudt van de sambhogakaya slechts de grote
en volledige kennis en blijft in zijn nirmanakaya-lichaam
voortleven. De esoterische school leert dat Gautama Boeddha, evenals
verschillende van zijn arhats, zo’n nirmanakaya is.
Er is niemand bekend die op grond van grote zelfverzaking en opoffering
voor de mensheid hoger staat dan hij.
(35) Myalba is onze
aarde – door de esoterische school nadrukkelijk ‘hel’
en de grootste van alle hellen genoemd. De esoterische leer kent geen
andere hel of plaats van straf dan op een door mensen bewoonde planeet
of aarde. Avichi is een toestand, geen plaats.
(36) Dit betekent dat er opnieuw
een verlosser van de mensheid is geboren, die de mensheid naar het
nirvana zal leiden, dat is na het einde van de levenscyclus.
(37) Dit is een van de varianten
van de formule die steevast op elke verhandeling, invocatie of instructie
volgt, ‘Vrede aan alle wezens’, ‘De zegen aan al
wat leeft’, enz.