De Stem van de Stilte
H.P. Blavatsky

Fragmenten gekozen uit het ‘Boek van de gulden voorschriften’ voor het dagelijks gebruik van lanoes (discipelen)
vertaald en van aantekeningen voorzien door H.P.B.

Vertaling van: The Voice of the Silence (editie 1889)

isbn 9789070328672, gebonden, bestel boek

3de herziene druk

© 2009  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 


Inhoud

Voorwoord    I. De Stem van de Stilte     II. De Twee Paden     III. De Zeven Poorten

 

Fragment III

Upadhyaya1, de keuze is gemaakt, ik dorst naar wijsheid. Nu heeft u de sluier voor het verborgen pad weggerukt en het grote yana2 onderwezen. Uw dienaar hier is gereed om door u te worden geleid.’

Het is goed, sravaka3. Bereid u voor, want u zult alleen verder moeten gaan. De leraar kan slechts de weg wijzen. Het pad is één voor allen, de middelen om het doel te bereiken moeten per pelgrim verschillen.

Welke van de twee wilt u kiezen, u met een onverschrokken hart? De samtan4 van de ‘leer van het oog’, het viervoudige dhyana, of wilt u uw weg laten gaan door de paramita’s5, zes in getal, edele poorten van deugd die leiden naar bodhi en naar prajña, de zevende stap van wijsheid?

Het ruwe pad van het viervoudige dhyana leidt slingerend omhoog. Hij die de verheven top beklimt is in drie opzichten groot.

Over de hoogten van de paramita’s leidt een nog steiler pad. U moet u strijdend een weg banen door zeven poorten, zeven vestingen verdedigd door wrede listige machten, belichamingen van hartstochten.

Houd moed, discipel, denk aan de gulden regel. Als u eenmaal door de poort bent gegaan, srotapanna6, ‘hij die de stroom is ingegaan’, wanneer u eenmaal voet heeft gezet op de bedding van de nirvanische stroom in dit of een toekomstig leven, dan heeft u nog maar zeven levens vóór u, u met een diamanten wil.

Kijk. Wat ziet u vóór u, u die goddelijke wijsheid nastreeft?

‘De mantel van duisternis ligt over de diepte van de stof; in de plooien ervan worstel ik. Terwijl ik toekijk wordt deze dieper, Heer; ze wordt verdreven door het wuiven van uw hand. Een schaduw beweegt en kruipt voort als een slang die zich strekt en kronkelt. . . . Ze groeit, zwelt op en verdwijnt in de duisternis.’

Het is de schaduw van uzelf buiten het pad, die op de duisternis van uw zonden wordt geworpen.

‘Ja Heer, ik zie het PAD dat begint in de modder en waarvan de top verdwijnt in het schitterende licht van nirvana. En nu zie ik de poorten die telkens smaller zijn op de moeilijke en doornige weg naar jñana*.’

*Kennis, wijsheid.

U ziet het goed, lanoe. Deze poorten leiden de aspirant over de wateren ‘naar de andere oever’7. Elke poort heeft een gouden sleutel om haar deuren te openen; deze sleutels zijn:

1. DANA, de sleutel van barmhartigheid en onsterfelijke liefde.

2. SILA, de sleutel van harmonie in woord en daad, de sleutel die oorzaak en gevolg in evenwicht houdt en geen ruimte laat voor de werking van karma.

3. KSHANTI, mild geduld dat door niets kan worden verstoord.

4. VIRAGA, gelijkmoedigheid ten opzichte van genot en leed; de illusie is overwonnen, alleen de waarheid wordt waargenomen.

5. VIRYA, de onverschrokken kracht die zich uit het slijk van aardse leugens al strijdend een weg baant naar de hoogste WAARHEID.

6. DHYANA, waarvan de gouden poort, eenmaal geopend, de narjol* toegang geeft tot het rijk van het eeuwige sat en de onafgebroken contemplatie daarvan.

*Een heilige, een adept.

7. PRAJÑA, de sleutel hiervan maakt van de mens een god, een bodhisattva, een zoon van de dhyani’s.

Dit zijn de gouden sleutels tot de poorten.

Voordat u de laatste kunt naderen, wever van uw vrijheid, moet u zich deze paramita’s van volmaaktheid eigen maken – de verheven deugden, zes en tien in getal – terwijl u het moeizame pad volgt.

Want discipel! Wat werd u gezegd, voordat u voldoende was voorbereid om uw leraar van aangezicht tot aangezicht, uw MEESTER van licht tot licht, te ontmoeten?

Voordat u de eerste poort kunt naderen moet u leren uw lichaam van uw bewustzijn te scheiden, de schaduw te verdrijven en in het eeuwige te leven. Daartoe moet u leven en ademen in alles, zoals alles wat u waarneemt in u ademt; uzelf aanwezig voelen in alle dingen, alle dingen in het ZELF.

U moet niet toelaten dat uw zintuigen van uw denken een speelplaats maken.

U moet uw zijn niet afscheiden van het ZIJN en van alles buiten u, maar de oceaan doen opgaan in de druppel en de druppel in de oceaan.

Zo zult u in volledige harmonie zijn met al wat leeft; heb de mensen lief als waren ze uw broeder-leerlingen, discipelen van één leraar, zonen van één liefdevolle moeder.

Leraren zijn er vele; de MEESTER-ZIEL is één,8 alaya, de universele ziel. Leef in die MEESTER zoals zijn straal in u leeft. Leef in uw medemensen zoals zij leven in die ziel.

Voordat u aan het begin van het pad staat, vóór u door de eerste poort gaat, moet u de twee in het ene doen opgaan en het persoonlijke opofferen aan het onpersoonlijke ZELF, en zo het ‘pad’ tussen de twee – het antaskarana9 – vernietigen.

U moet erop voorbereid zijn dharma te antwoorden, de strenge wet waarvan de stem u aan het begin, bij uw eerste stap, zal vragen:

‘Heeft u aan alle voorschriften voldaan, u die zulke hoge verwachtingen heeft?’

‘Heeft u uw hart en denken afgestemd op het grote denken en hart van de hele mensheid? Want het hart van hem ‘die de stroom zou willen ingaan’ moet worden geroerd door iedere zucht en gedachte van al wat leeft en ademt, zoals de bulderende stem van de heilige rivier wordt gevormd door alle geluiden van de natuur die daarin weerklinken10.’

Discipelen kan men vergelijken met de snaren van de vina waarin de ziel weerklinkt, de mensheid met haar klankbodem, de hand die haar bespeelt met de welluidende adem van de grote wereldziel. De snaar die onder de hand van de meester niet kan trillen in lieflijke harmonie met alle andere, springt – en wordt weggeworpen. Zo gaat het ook met het gezamenlijke denken van lanoe-sravaka’s. Dit moet worden afgestemd op het denken van de upadhyaya – één zijn met de overziel – of zich ervan losmaken.

Zo handelen de ‘broeders van de schaduw’, de moordenaars van hun ziel, de afschrikwekkende dad-dugpa’s11.

Kandidaat voor het licht, heeft u uw wezen afgestemd op het grote lijden van de mensheid?

Is dat het geval? . . . U mag verdergaan. Maar vóór u voet zet op het treurige pad van smart, is het goed om eerst de valkuilen op uw weg te leren kennen.

. . . . . . . . .

Gewapend met de sleutel van welwillendheid, liefde en tedere barmhartigheid kunt u vol vertrouwen de poort van Dana doorgaan, de poort die aan het begin van het pad staat.

Zie, gelukkige pelgrim! De poort waar u vóór staat is hoog en breed; en lijkt gemakkelijk te passeren. De weg die er doorheen leidt is recht, effen en groen. Hij lijkt op een zonnige, open plek in de donkere diepten van het bos, een afspiegeling op aarde van het paradijs van Amitabha. Daar zingen hoog in het lover nachtegalen van hoop en schitterend gevederde vogels, en wensen de onbevreesde pelgrims succes. Ze bezingen de vijf deugden van de bodhisattva’s, de vijfvoudige bron van de kracht van bodhi, en de zeven stadia van kennis.

Ga verder! Want u heeft de sleutel meegebracht; u bent veilig.

En de weg naar de tweede poort is eveneens groen. Maar hij is steil en gaat kronkelend omhoog, ja tot aan de rotsachtige top. Er zullen grauwe nevels hangen over de ruwe, stenige hoogte en alles daarachter zal duister zijn. Naarmate de pelgrim verdergaat klinkt het lied van hoop zwakker in zijn hart. Er komt dan een golf van twijfel over hem; zijn tred wordt minder vast.

Hoed u hiervoor, kandidaat! Pas op voor de angst die zich, als de zwarte en geluidloze vleugels van de middernachtelijke vleermuis, uitspreidt tussen het maanlicht van uw ziel en uw grote doel dat heel in de verte opdoemt.

Angst, discipel, doodt de wil en houdt elke handeling tegen. Als de pelgrim tekortschiet in de deugd sila, struikelt hij en verwonden karmische kiezelstenen zijn voeten op het rotspad.

Zorg dat u zeker in uw schoenen staat, kandidaat. Baad uw ziel in het wezen van kshanti*, want nu nadert u de poort met die naam, de poort van standvastigheid en geduld.

*Kshanti, ‘geduld’, zie de hierboven gegeven opsomming van de gouden sleutels.

Sluit uw ogen niet en verlies ook dorje12 niet uit het oog; Mara’s pijlen treffen telkens weer de mens die viraga†13 niet heeft bereikt.

†Idem.

Zorg dat u niet bang bent. Door de adem van angst wordt de sleutel kshanti roestig: de roestige sleutel weigert.

Hoe meer vooruitgang u boekt, des te vaker zullen uw voeten valkuilen ontmoeten. Het pad dat verder voert wordt door één vuur verlicht – het licht van dapperheid dat brandt in het hart. Hoe meer men durft hoe meer men zal verkrijgen. Hoe banger men is des te meer zal dat licht verbleken – en alleen dat licht kan tot gids dienen. Want zoals de laatste zonnestraal die op de top van een hoge berg schijnt, eerst vervaagt en dan wordt gevolgd door de zwarte nacht, zo vergaat het ook het hartenlicht. Wanneer dit dooft zal een donkere en dreigende schaduw vanuit uw eigen hart op het pad vallen en van schrik zullen uw voeten als aan de grond genageld zijn.

Hoed u, discipel, voor die dodelijke schaduw. Geen licht dat van de geest uitstraalt kan de duisternis van de lagere ziel verdrijven, tenzij elke zelfzuchtige gedachte daaruit is geweken en de pelgrim zegt: ‘Ik heb afstand gedaan van dit tijdelijke omhulsel; ik heb de oorzaak vernietigd: de geworpen schaduwen kunnen als gevolgen niet langer bestaan.’ Want nu heeft de laatste grote strijd, de beslissende oorlog tussen het hogere en het lagere zelf, plaatsgehad. Zie, het slagveld zelf wordt nu verzwolgen in de grote oorlog en is niet meer.

Maar als u eenmaal door de poort van kshanti bent gegaan, is de derde stap gezet. Uw lichaam is uw slaaf. Bereid u nu voor op de vierde, de poort van verzoekingen die de innerlijke mens verstrikken.

Voordat u het doel kunt naderen, voordat uw hand wordt opgeheven om de klink van de vierde poort op te lichten, moet u alle mentale veranderingen in uw zelf hebben onderzocht en het leger gedachte-indrukken hebben verslagen die bijna onmerkbaar en onverhoeds, ongevraagd het stralende heiligdom van de ziel binnensluipen.

Als u niet door deze wilt worden verslagen, moet u uw eigen scheppingen onschadelijk maken, de kinderen van uw gedachten die ongezien en ongrijpbaar om de mensheid zwermen, het kroost en de erfgenamen van de mens en zijn aardse uitspattingen. U moet de leegte van het schijnbaar volle, de volheid van het schijnbaar lege onderzoeken. Onverschrokken aspirant, kijk diep in de bron van uw eigen hart en geef antwoord. Kent u de vermogens van het zelf, u die uiterlijke schaduwen waarneemt?

Als u ze niet kent – dan bent u verloren.

Want op het vierde pad zal de geringste zucht van hartstocht of begeerte het constante licht op de reine witte muren van de ziel in beroering brengen. De minste opwelling van verlangen naar of verdriet over maya’s bedrieglijke gaven, een gedachte zo voorbijgaand als een bliksemflits, zal langs antaskarana – het pad dat ligt tussen uw geest en uw zelf, het brede kanaal van gevoelens, waardoor ahamkara14 ruw wordt gewekt – ervoor zorgen dat u uw drie prijzen verspeelt – de overwinningen die u heeft behaald.

Want weet dat het EEUWIGE geen verandering kent.

‘Keer u voor altijd af van de acht afschrikwekkende oorzaken van lijden. Als u dat niet doet, kunt u beslist niet tot wijsheid komen en ook geen verlossing bereiken’, zegt de grote Heer, de Tathagata van volmaaktheid, ‘hij die in de voetstappen van zijn voorgangers is getreden’15.

Streng en veeleisend is de deugd viraga. Als u op het pad ervan zou willen zegevieren moet u zich in uw gedachten en uw waarnemingen veel meer dan vroeger onthouden van het dodelijke handelen.

U moet uzelf verzadigen met zuivere alaya, één worden met het zielendenken van de natuur. Eén daarmee bent u onoverwinnelijk; ervan gescheiden wordt u de speelplaats van samvriti16, de oorsprong van alle misleiding in de wereld.

Alles is vergankelijk in de mens behalve de zuivere, stralende essentie van alaya. De mens is de kristalheldere straal ervan; een bundel smetteloos licht van binnen, op het lagere gebied een vorm gemaakt van klei. Die bundel is uw levensgids en uw ware zelf, de wachter en de stille denker, het slachtoffer van uw lagere zelf. Uw ziel kan niet worden geschaad dan door uw dwalend lichaam; beteugel en beheers beide en u bent veilig als u verdertrekt en de ‘poort van evenwicht’ nadert.

Houd moed, dappere pelgrim ‘naar de andere oever’. Let niet op de influisteringen van Mara’s horden; wijs de verleiders af, die boosaardige geesten, de jaloerse lhamayin17 in de eindeloze ruimte.

Houd vol! U nadert nu de middelste poort, de poort van smart met haar tienduizend valstrikken.

Beheers uw gedachten, strever naar volmaking, als u over haar drempel wilt gaan.

Beheers uw ziel, zoeker naar onsterfelijke waarheden, als u het doel wilt bereiken.

Concentreer de blik van uw ziel op het ene zuivere licht, het licht dat vrij is van emotie, en gebruik uw gouden sleutel.

. . . . . . . . .

De akelige taak is volbracht, uw werk zo goed als voltooid. De brede afgrond die zich opende om u te verzwelgen is bijna overbrugd.

. . . . . . . . .

U bent nu de vestinggracht overgestoken die de poort van menselijke hartstochten omringt. U heeft nu Mara en zijn woeste horde overwonnen.

U heeft de bezoedeling uit uw hart verwijderd en het vrijgemaakt van onzuiver verlangen. Maar, roemrijke strijder, uw taak is nog niet volbracht. Lanoe, bouw een hoge muur die ‘het heilige eiland’* zal omsluiten, een dam die uw denken zal beschermen tegen trots en zelfgenoegzaamheid over de gedachte aan de grote heldendaad die is verricht.

*Het hogere ego, het denkende zelf.

Een gevoel van trots zou het werk verstoren. Bouw daarom een stevige muur, opdat de pelgrim en zijn eiland niet worden verzwolgen door het woeste aanrollen van kolkende golven, die hoog worden opgestuwd en op de kust beuken vanuit de grote oceaan van wereld-maya; ja, zelfs als de zege al is behaald.

Uw ‘eiland’ is het hert, uw gedachten zijn de jachthonden die het afmatten en achternazitten bij zijn voortgang naar de levensstroom. Wee het hert dat wordt ingehaald door de blaffende demonen voordat het het Dal van de Toevlucht bereikt, dhyanamarga, het ‘pad van zuivere kennis’.

Voordat u vaste voet kunt zetten op dhyanamarga18 en dit pad het uwe kunt noemen, moet uw ziel worden als de rijpe mangovrucht: zo zacht en zoet als zijn goudglanzende vruchtvlees voor het leed van anderen en zo hard als de pit van die vrucht voor uw eigen pijn en verdriet, overwinnaar van wel en wee.

Staal uw ziel tegen de verlokkingen van het zelf; verdien er de naam ‘diamanten ziel’19 voor.

Want zoals de diamant die diep in het kloppende hart van de aarde ligt begraven, de aardse lichten nooit kan weerkaatsen, zo is het ook voor uw denken en uw ziel; wanneer ze dhyanamarga volgen moeten ze niets weerspiegelen van maya’s rijk van illusie.

Wanneer u dat stadium heeft bereikt, werpen de poorten die u op het pad moet veroveren hun deuren wijd open om u door te laten en de sterkste krachten van de natuur bezitten niet het vermogen om u tegen te houden. U zult meester zijn van het zevenvoudige pad: maar niet vóór die tijd, kandidaat voor beproevingen die iedere beschrijving te boven gaan.

Eerst wacht u een nog moeilijker taak: u moet uzelf ALOMVATTEND-DENKEN voelen en toch alle gedachten uit uw ziel bannen.

U moet die standvastigheid van denken bereiken waarin geen bries, hoe krachtig ook, een aardse gedachte naar binnen kan drijven. Aldus gezuiverd, moet het heiligdom vrij zijn van elke handeling, van elk geluid of aards licht; zoals de vlinder, verrast door de vorst, levenloos op de drempel neervalt, zo moeten alle aardse gedachten buiten de tempel worden gehouden.

Zie, er staat geschreven:

‘Voordat de gouden vlam rustig kan branden, moet de lamp goed beschermd staan op een plek die geheel vrij is van tocht.’* Blootgesteld aan een veranderlijke luchtstroom zal de vlam heen en weer bewegen en het flikkerende licht zal bedrieglijke, duistere en steeds wisselende schaduwen werpen op het reine heiligdom van de ziel.

*Bhagavad Gita 6:19.

En dan, strever naar waarheid, wordt het denken van uw ziel als een dolle olifant die tekeergaat in de wildernis. Omdat hij bomen in het woud aanziet voor levende vijanden, komt hij om bij zijn pogingen de steeds veranderende schaduwen te doden, die op de zonbeschenen rotswand dansen.

Pas ervoor op dat uw ziel niet onder de hoede van het zelf, haar steunpunt op de vaste grond van deva-kennis verliest.

Waak ervoor dat uw ziel niet door het ZELF te vergeten de beheersing over haar twijfelende denken verliest en daardoor de haar toekomende vruchten van haar overwinningen verspeelt.

Pas op voor verandering! Want verandering is uw grote vijand. Deze verandering zal zich tegen u keren, afleiden van het pad dat u bewandelt, en u terugdringen tot diep in de modderige moerassen van de twijfel.

Bereid u voor en wees tijdig gewaarschuwd. Als u een poging heeft gedaan en heeft gefaald, strijder zonder angst, verlies dan niet de moed: vecht door en hernieuw de aanval, keer op keer.

De onverschrokken krijger zal, hoewel zijn kostbare levensbloed uit zijn diepe en gapende wonden gutst, de vijand toch nog aanvallen, hem uit zijn bolwerk verdrijven, hem overwinnen voordat hijzelf de laatste adem uitblaast. Handel dan, u allen die tekortschiet en lijdt, handel zoals hij; en verjaag uit de verschansing van uw ziel al uw vijanden – eerzucht, boosheid, haat, tot zelfs de schaduw van begeerte – ook wanneer u heeft gefaald. . . .

Bedenk, u die strijdt voor de verlossing van de mens,20 dat iedere mislukking succes betekent en dat elke oprechte poging te zijner tijd wordt beloond. De heilige zaden ontkiemen en groeien onzichtbaar in de ziel van de discipel, hun stengels worden sterker bij iedere nieuwe beproeving, ze buigen als riet, maar breken nooit en kunnen ook nooit verloren gaan. Maar als het uur slaat, komen ze tot bloei.21

. . . . . . . . .

Maar kwam u goed voorbereid, wees dan niet bang.

. . . . . . . . .

Vanaf dit punt is uw weg vrij en gaat recht door de poort van virya, de vijfde van de zeven poorten. U bent nu op de weg die leidt naar de veilige haven van dhyana, de zesde, de bodhi-poort.

De dhyana-poort is wit en doorschijnend als een albasten vaas; daarin brandt een rustig gouden vuur, de vlam van prajña, die van atman uitstraalt.

U bent die vaas.

U heeft u losgemaakt van de objecten van de zintuigen, u heeft gereisd op het ‘pad van het zien’, op het ‘pad van het horen’ en staat in het licht van kennis. U heeft nu de toestand van titiksha22 bereikt.

Narjol, u bent veilig.

. . . . . . . . .

Weet, overwinnaar van uw zonden, als een sowani23 eenmaal het zevende pad heeft afgelegd, trilt de hele natuur van vreugdevol ontzag en voelt zich onderworpen. De zilveren ster flonkert het nieuws uit aan de nachtbloesems, het stroompje vertelt het verhaal al bruisend aan de kiezels; de donkere oceaangolven zullen het toebrullen aan de rotsen in de branding; de met geuren beladen wind zingt het toe aan de dalen en statige pijnbomen fluisteren geheimzinnig: ‘Een meester is opgestaan, een meester van de dag.’24

Hij staat nu als een witte zuil naar het westen; en de rijzende zon van het eeuwige denken werpt haar eerste glorieuze stralen op zijn gezicht. Zijn bewustzijn spreidt zich als een tot rust gekomen en grenzeloze oceaan uit in oeverloze ruimte. Hij houdt leven en dood in zijn sterke hand.

Ja, hij is machtig. De levende kracht die in hem is vrijgemaakt, die kracht die hijzelf is, kan het tabernakel van illusie hoog boven de goden opheffen, boven de grote Brahma en Indra. Nu zal hij ongetwijfeld zijn grote beloning bereiken!

Zal hij de gaven die de beloning met zich brengt niet voor zijn eigen rust en gelukzaligheid, zijn welverdiende geluk en heerlijkheid gebruiken – hij die de grote illusie te boven is gekomen?

Nee, kandidaat voor de verborgen kennis van de natuur! Als men in de voetstappen van de heilige Tathagata zou willen treden, zijn die gaven en vermogens niet voor het zelf.

Zou u de wateren die op de Sumeru25 zijn ontsprongen op die manier willen indammen? Wilt u de stroom ter wille van uzelf verleggen of langs de toppen van de cyclussen doen terugkeren naar zijn oerbron?

Als u wilt dat die stroom van moeizaam verdiende kennis, van hemelse wijsheid, fris en stromend water blijft, moet u hem niet een stilstaande vijver laten worden.

Weet, dat als u een medewerker van Amitabha, het ‘onbegrensde tijdperk’, wilt worden, u dan evenals de twee bodhisattva’s26 het verworven licht op alle drie werelden27 moet werpen.

Weet dat de stroom van bovenmenselijke kennis en de deva-wijsheid die u heeft verkregen, uit uzelf, het kanaal van alaya, in een andere bedding moet worden geleid.

Weet, narjol van het verborgen pad, dat zijn reine zoete wateren moeten worden gebruikt om de bittere golven van de oceaan – die machtige zee van smart, gevormd uit de tranen van mensen – te verzachten.

Helaas! Wanneer u eenmaal bent geworden als de vaste ster in de hoogste hemel, moet dat heldere hemellichaam vanuit de diepten van de ruimte stralen voor allen – behalve voor zichzelf; aan allen licht geven maar het niemand ontnemen.

Helaas! Wanneer u eenmaal bent geworden als de zuivere sneeuw in de bergdalen, koud en ongevoelig bij aanraking maar warm en beschermend voor het zaad dat diep onder haar oppervlak slaapt – dan moet die sneeuw de bijtende vorst en de noordenwinden opvangen en zo voor de scherpe en wrede tand daarvan de aarde beschutten die de beloofde oogst bevat, de oogst die de hongerigen zal voeden.

Gedoemd door uzelf om gedurende toekomstige kalpa’s* te leven zonder door de mensen te worden bedankt of opgemerkt; als een steen ingeklemd tussen ontelbare andere stenen die de ‘beschermmuur’28 vormen, zó is uw toekomst als u door de zevende poort gaat. Gebouwd door de handen van vele meesters van mededogen, opgetrokken door hun martelgang en met hun bloed gemetseld, behoedt deze muur de mensheid sinds de mens mens is, beschermt haar tegen nog meer en veel grotere ellende en verdriet.

*Cyclussen die eeuwen duren.

Toch ziet de mens het niet, zal het niet opmerken, noch zal hij acht slaan op het woord van wijsheid . . . want hij kent het niet.

Maar u heeft het gehoord, u weet alles, geestdriftige en oprechte ziel . . . . en u moet kiezen. Luister dus nogmaals.

Op het pad van sowan, srotapanna*, bent u veilig. Ja, op die marga† ontmoet de vermoeide pelgrim slechts duisternis, druipen de handen van bloed opengereten door doornen, worden de voeten door de harde, scherpe vuurstenen verwond, en hanteert Mara zijn krachtigste wapens – daarna wacht de pelgrim onmiddellijk een grote beloning.

*Sowani en srotapanna zijn synoniemen. [Het Paliwoord sovanna betekent ‘gouden’.]
†Marga – ‘pad’.

Kalm en onbewogen schrijdt de pelgrim voort, omhoog langs de stroom die naar nirvana leidt. Hij weet dat hoe meer zijn voeten zullen bloeden, hoe meer hij zal worden gelouterd. Hij weet zeker dat na zeven korte en snel voorbijgaande levens nirvana hem ten deel zal vallen. . . .

Dit is het dhyana-pad, de veilige haven van de yogi, het gezegende doel waarnaar srotapatti’s hevig verlangen.

Maar dat is niet het geval als hij het aryahata-pad* heeft bereikt.

*Van het Sanskriet – arhat of arhan.

Daar wordt klesa29 voor altijd vernietigd, worden de wortels van tanha30 uitgerukt. Maar wacht, leerling. . . . Nog één woord. Kunt u goddelijk mededogen vernietigen? Mededogen is geen eigenschap. Het is de WET der wetten, eeuwige harmonie, alaya’s ZELF; een oeverloze, universele essentie, het licht van eeuwigdurend recht, de juiste ordening van alles, de wet van eeuwige liefde.

Hoe meer u daarmee één wordt, waarbij uw zijn is opgelost in het ZIJN daarvan, hoe meer uw ziel zich verenigt met dat wat IS, des te meer zult u absoluut mededogen31 worden.

Dit is het arya-pad, het pad van de boeddha’s van volmaaktheid.

Maar wat betekenen de heilige boekrollen die u doen zeggen:

‘OM! Ik geloof dat niet alle arhats de zoete vervulling genieten van het pad van nirvana.’

‘OM! Ik geloof dat de nirvana-dharma niet door alle boeddha’s32 wordt beoefend.’*

*Thegpa Chenpoido, ‘Mahayanasutra’, aanroepingen tot de ‘boeddha’s van belijdenis’, Deel I, IV.

Ja, op het arya-pad bent u niet langer een srotapanna, u bent een bodhisattva33. De stroom is overgestoken. Het is waar dat u recht heeft op het dharmakaya-kleed, maar een sambhogakaya is groter dan een nirvani en nog groter is een nirmanakaya – de boeddha van mededogen34.

Buig nu het hoofd en luister goed, bodhisattva – mededogen spreekt en zegt: ‘Kan er gelukzaligheid zijn wanneer al wat leeft moet lijden? Zult u gered worden en de hele wereld horen klagen?’

Nu heeft u gehoord wat werd gezegd.

U zult het zevende stadium bereiken en de poort van uiteindelijke kennis doorgaan, maar slechts om u met lijden te verbinden – als u een Tathagata wilt zijn en in de voetstappen van uw voorganger wilt treden, blijf dan onzelfzuchtig tot het eindeloze einde.

U bent verlicht – kies uw weg.

. . . . . . . . .

Zie het zachte licht dat aan de oostelijke hemel gloort. In uitingen van lof verenigen zich hemel en aarde. En uit de viervoudig gemanifesteerde machten klinkt een gezang van liefde op, zowel uit het vlammende vuur en het stromende water als uit de zoet-geurende aarde en de jagende wind.

Luister! . . . Uit de onpeilbaar diepe draaikolk van dat gouden licht waarin de overwinnaar baadt, klinkt de woordloze stem van de HELE NATUUR op om in duizend tonen te verkondigen:

vreugde aan u, mensen van myalba35.

een pelgrim is teruggekeerd ‘van de andere oever’.

een nieuwe arhan36 is geboren. . . .

Vrede aan alle wezens.37

 


Noten

(1) Upadhyaya is een spiritueel leraar, een goeroe. De noordelijke boeddhisten kiezen die meestal uit de ‘narjols’, heilige mannen die, goed bekend met de gotrabhu-jñana en jñana-darsana-suddhi, de geheime wijsheid onderwijzen.

(2) Yana – voertuig: zo zijn mahayana het ‘grote voertuig’ en hinayana het ‘kleine voertuig’, de namen voor twee scholen van religieuze en filosofische kennis in het noordelijke boeddhisme.

(3) Sravaka – een toehoorder of leerling, die het religieuze onderricht bijwoont. Van de wortel sru. Wanneer ze van de theorie overgaan tot de praktijk ofwel het beoefenen van de ascese, worden ze sramana’s ‘beoefenaars’, afgeleid van srama, handeling. Zoals Hardy aantoont, komen deze twee termen respectievelijk overeen met de Griekse woorden akoustikoi en asketai.

(4) Samtan (Tibetaans), hetzelfde als het Sanskriet dhyana, of de toestand van meditatie; men onderscheidt vier graden daarvan.

(5) Paramita’s, de zes verheven deugden; voor de priesters zijn er tien.

(6) Srotapanna – (letterlijk) ‘hij die de stroom is ingegaan’, die naar de oceaan van nirvana leidt. Deze naam duidt het eerste pad aan. De naam van het tweede is het pad van sakridagamin, ‘hij die nog (maar) eenmaal geboren zal worden’. Het derde wordt anagamin genoemd, ‘hij die niet weer zal reïncarneren’, tenzij hij dat wenst om de mensheid te helpen. Het vierde pad staat bekend als dat van een rahat of arhat. Het is het hoogste. Een arhat aanschouwt nirvana gedurende zijn leven. Voor hem is dit geen postmortale toestand, maar samadhi waarin hij de volkomen gelukzaligheid van nirvana ervaart.*

*Hoe weinig men wat betreft juistheid van woorden en hun betekenis de oriëntalisten kan vertrouwen, blijkt als men drie zogenaamde autoriteiten raadpleegt. Zo worden de vier hierboven verklaarde namen door R. Spence Hardy als volgt gegeven: 1. sowan, 2. sakradagami, 3. anagami, en 4. arya. Door eerw. J. Edkins worden ze gegeven als: 1. srotapanna, 2. sagardagam, 3. anaganim, en 4. arhan. Schlagintweit spelt ze weer anders en ieder geeft bovendien een andere en nieuwe variant van de betekenis van de termen.

(7) Het ‘aankomen op de [andere] oever’ betekent bij de noordelijke boeddhisten het bereiken van nirvana door het in praktijk brengen van de zes en tien paramita’s (deugden).

(8) De ‘MEESTER-ZIEL’ is alaya, de universele ziel of atman, waarvan ieder mens een straal in zich draagt en waarmee hij zich zou kunnen vereenzelvigen en erin opgaan.

(9) Antaskarana is het lagere manas, het pad van communicatie of contact tussen de persoonlijkheid en het hogere manas of de menselijke ziel. Bij de dood wordt het als pad of middel van communicatie vernietigd en de overblijfselen ervan leven voort in de vorm van het kamarupa, de ‘schil’.

(10) De noordelijke boeddhisten en in feite alle Chinezen beschouwen het diepe gebulder van sommige grote en heilige rivieren als de grondtoon van de natuur. Vandaar de vergelijking. Het is in zowel de natuurwetenschappen als het occultisme een bekend feit dat de geluiden van de natuur als een geheel – zoals men die hoort in het gebulder van grote rivieren, in het geruis teweeggebracht door de wuivende boomtoppen in grote bossen, of dat van een stad zoals men die op enige afstand waarneemt – één enkele, bepaalde klank met een duidelijk herkenbare toonhoogte vormen. Natuurkundigen en musici hebben dit aangetoond. Zo toont prof. Rice (Chinese Music) aan dat de Chinezen duizenden jaren geleden dit feit al hebben erkend als ze zeggen dat ‘de wateren van de Hoang-ho in het voorbijstromen de kung laten horen’, in de Chinese muziek de ‘grote toon’ genoemd; en hij laat zien dat deze toon overeenkomt met de F, ‘door de natuurkundigen als de werkelijke grondtoon van de natuur beschouwd’. Ook prof. B. Silliman noemt dit feit in zijn Principles of Physics en zegt dat ‘deze toon overeen zou komen met de middelste F op de piano; en daarom als de grondtoon van de natuur kan worden beschouwd’.

(11) De Bhöns of dugpa’s, de sekte van de ‘Roodkappen’, zijn naar men zegt heel bedreven in toverij. Ze bewonen westelijk en klein-Tibet, en ook Bhoetan. Ze zijn allen tantrika’s. Het is bepaald absurd te ontdekken dat oriëntalisten die de grensgebieden van Tibet hebben bezocht, zoals Schlagintweit en anderen, de riten en weerzinwekkende gebruiken van deze sekte verwarren met de religieuze overtuigingen van de lama’s uit Oost-Tibet, de ‘Geelkappen’ en hun naljors of heilige mannen. Het volgende is een voorbeeld (zie noot 12).

(12) Dorje is het Sanskriet vajra, een wapen of instrument in de handen van sommige goden (de Tibetaanse dragshed, de deva’s, die de mensen beschermen). Men meent dat deze hetzelfde occulte vermogen bezit om kwade invloeden af te weren door de lucht te zuiveren, als ozon in de scheikunde. Het is ook een mudra een gebaar en een houding die bij het mediteren wordt aangenomen. Het is kortom een symbool van macht over onzichtbare kwade invloeden, hetzij als houding of als talisman. De Bhöns of dugpa’s echter, die zich dit symbool hebben toegeëigend, misbruiken het voor doeleinden van zwarte magie. Bij de ‘Geelkappen’ of gelugpa’s is het een symbool van macht, evenals het kruis bij de christenen, terwijl het helemaal niet meer ‘bijgeloof’ inhoudt dan dat. Bij de dugpa’s is het, evenals de omgekeerde dubbele driehoek, het teken van tovenarij.

(13) Viraga is het gevoel van volkomen onverschilligheid voor het objectieve heelal, voor genot en leed. ‘Afkeer’ geeft niet de juiste betekenis ervan weer, maar komt er dichtbij.

(14) Ahamkara – het ‘ik’ of het gevoel van de persoonlijkheid, de ‘ik-ben-heid’.

(15) ‘Iemand die in de voetstappen van zijn voorgangers treedt’ of ‘van hen die vóór hem kwamen’, is de werkelijke betekenis van de naam Tathagata.

(16) De mahayana-school onderwijst het verschil tussen twee waarheden – paramarthasatya en samvritisatya (satya, ‘waarheid’). Van deze twee waarheden wijst samvriti op het bedrieglijke karakter of de leegte van alle dingen. Het is in dit geval betrekkelijke waarheid. Dit vormt het twistpunt tussen de madhyamika’s en de yogachara’s. De eersten ontkennen en de anderen bevestigen, dat elk voorwerp slechts ten gevolge van een vroegere oorzaak of aaneenschakeling van oorzaken bestaat. De madhyamika’s zijn de grote nihilisten en ontkenners, voor wie, in de wereld van het denken en het subjectieve evenzeer als in het objectieve heelal, alles parikalpita, een illusie en een dwaling is. De yogachara’s zijn de grote spiritualisten. Samvriti is daarom, als slechts een betrekkelijke waarheid, de oorsprong van alle illusie.

(17) Lhamayin zijn elementalen en boze geesten, vijanden en tegenwerkers van de mens.

(18) Dhyanamarga is letterlijk het ‘pad van dhyana’; of het pad van zuivere kennis, van paramartha of (Sanskriet) svasamvedana ‘de beschouwing waarin men zich van zichzelf bewust wordt of zichzelf analyseert’.

(19) Zie noot 4, ‘diamanten ziel’ of Vajradhara staat aan het hoofd van de dhyani-boeddha’s.

(20) Dit verwijst naar een bekende overtuiging in het Oosten (en trouwens ook in het Westen) dat iedere nieuwe boeddha of heilige een nieuwe strijder is in het leger van hen die werken aan de bevrijding of verlossing van de mensheid. In de landen van het noordelijke boeddhisme, waar de leer van de nirmanakaya’s – die bodhisattva’s, die het welverdiende nirvana of het dharmakaya-kleed opgeven (beide zouden hen voor altijd van de wereld van de mensen uitsluiten) om de mensheid ongezien te helpen en haar tenslotte naar paranirvana te leiden – wordt onderwezen, wordt elke nieuwe bodhisattva of ingewijde grote adept de ‘bevrijder van de mensheid’ genoemd. De bewering van Schlagintweit in zijn ‘Buddhism in Tibet’ dat prulpai ku of ‘nirmanakaya’ ‘het lichaam is waarin de boeddha’s of bodhisattva’s op aarde verschijnen om de mensen te onderrichten’ – is heel onnauwkeurig en verklaart niets.

(21) Een verwijzing naar de menselijke hartstochten en tekortkomingen die gedurende de beproevingen van het noviciaat worden uitgeroeid en tot vruchtbaar gemaakte grond dienen, waarin de ‘heilige kiemen’ of de zaden van de verheven deugden kunnen ontspruiten. Vóórbestaande of aangeboren deugden, talenten of gaven zouden in een vorig leven zijn verworven. Genialiteit is zonder uitzondering een talent of aanleg meegebracht uit een vroeger leven.

(22) Titiksha is de vijfde toestand van rajayoga – een toestand van verheven gelijkmoedigheid; een, zo nodig, zich onderwerpen aan hetgeen ‘genot en leed voor allen’ heet, echter zonder uit die onderwerping genot of leed te putten – kortom, het onverschillig of ongevoelig worden voor zowel vreugde als leed op fysiek, mentaal en ethisch gebied.

(23) Sowani is iemand die sowan, het eerste pad in dhyana, beoefent, een srotapanna. [Zie ook blz. 66vn.]

(24) ‘Dag’ betekent hier een heel manvantara, een tijdperk van onberekenbaar lange duur.

(25) De berg Meru, de heilige berg van de goden.

(26) Volgens de symboliek van het noordelijke boeddhisme heeft Amitabha of de ‘onbegrensde ruimte’ (parabrahman) in zijn paradijs twee bodhisattva’s – Kwan-shi-yin en Tashishi – die steeds licht uitstralen over de drie werelden, waarin ze eens leefden, waaronder de onze (zie noot 27), om met dit licht (van kennis) te helpen bij het onderricht van yogi’s, die op hun beurt mensen zullen redden. Hun verheven positie in het rijk van Amitabha is volgens de allegorie te danken aan daden van barmhartigheid die door beiden werden verricht toen ze als zulke yogi’s op aarde leefden.

(27) Deze drie werelden zijn de drie bestaansgebieden, het aardse, het astrale en het spirituele.

(28) De ‘beschermmuur’ of de ‘beschuttingsmuur’. Er wordt geleerd dat de verenigde pogingen van vele generaties van yogi’s, heiligen en adepten en vooral die van de nirmanakaya’s als het ware een muur van bescherming rond de mensheid hebben gevormd, die haar onzichtbaar voor nog grotere rampen behoedt.

(29) Klesa is genotzucht of gehechtheid aan wereldse genietingen, kwade of goede.

(30) Tanha, de wil om te leven, de oorzaak van wedergeboorten.

(31) Dit ‘mededogen’ moet niet in hetzelfde licht worden beschouwd als ‘God, de goddelijke liefde’ bij de theïsten. Mededogen staat hier als een abstracte, onpersoonlijke wet. Onenigheid, lijden en zonde verstoren deze wet waarvan de essentie absolute harmonie is.

(32) In het spraakgebruik van de noordelijke boeddhisten worden alle grote arhats, adepten en heiligen boeddha’s genoemd.

(33) Een bodhisattva staat minder hoog in de hiërarchie dan een ‘volmaakte boeddha’. In exoterisch spraakgebruik worden de twee heel vaak verward. Toch heeft het intuïtieve inzicht van het volk een bodhisattva op grond van zijn zelfopoffering op een hogere trap van verering geplaatst dan een boeddha.

(34) De titel ‘boeddha’s van mededogen’ wordt door het volk met eenzelfde eerbied gegeven aan bodhisattva’s die, nadat ze de rang van arhat hebben verworven (dat wil zeggen, het vierde of zevende pad tot het einde zijn gegaan), weigeren nirvana in te gaan of ‘zich met het kleed van dharmakaya te tooien en naar de andere oever over te steken’, omdat het dan niet meer in hun macht zou liggen de mensen zelfs maar een klein beetje te helpen, voor zover karma dat toelaat. Ze blijven liever onzichtbaar (in de geest, om zo te zeggen) in de wereld om een bijdrage te leveren aan de verlossing van de mensen door hun aan te sporen de goede wet te volgen, dat wil zeggen, hen naar het pad van rechtvaardigheid te leiden. Het behoort tot het exoterische noordelijke boeddhisme al zulke grote figuren als heiligen te vereren en zelfs gebeden tot hen te richten, zoals de Grieken en de katholieken die richten tot hun heiligen en schutspatronen; deze gedragslijn vindt in de esoterische leringen echter geen steun. De twee leringen verschillen enorm. De exoterische leek kent nauwelijks de werkelijke betekenis van het woord nirmanakaya. Vandaar de verwarring en de onvoldoende verklaringen van de oriëntalisten. Bijvoorbeeld Schlagintweit gelooft dat het nirmanakaya-lichaam de fysieke vorm betekent, aangenomen door de boeddha’s wanneer ze op aarde incarneren – ‘de minst verhevene van hun aardse belemmeringen’ (zie Buddhism in Tibet) – en vervolgens geeft hij een volkomen onjuiste visie op het onderwerp. De ware lering is echter de volgende.

De drie lichamen of vormen van een boeddha zijn:

1. Nirmanakaya.
2. Sambhogakaya.
3. Dharmakaya.

Het eerste is de etherische vorm die iemand zou aannemen als hij, na zijn fysieke lichaam verlaten te hebben, in zijn astrale lichaam zou verschijnen – en bovendien over alle kennis van een adept zou beschikken. De bodhisattva ontwikkelt dit lichaam in zich naargelang hij op het pad vordert. Als hij het doel heeft bereikt en de vrucht ervan heeft geweigerd, blijft hij op aarde als een adept, en na zijn sterven blijft hij, in plaats van nirvana in te gaan, in dit glorierijke lichaam dat hij voor zichzelf heeft geweven, onzichtbaar voor de niet-ingewijde mensheid, om over haar te waken en haar te beschermen.

Sambhogakaya is hetzelfde, maar bovendien met de luister van de ‘drie volmaaktheden’, waarvan er één is dat aan aardse zaken in het geheel niet meer wordt gedacht.

Het dharmakaya is het lichaam van een volkomen boeddha, dat wil zeggen, het is helemaal geen lichaam maar een ideële adem: bewustzijn opgegaan in het universele bewustzijn, of ziel zonder enige eigenschap. Als een adept of boeddha eenmaal een dharmakaya is, verbreekt hij elke mogelijke betrekking met deze aarde en elke gedachte eraan. Om dus in staat te zijn de mensheid te blijven helpen ‘verzaakt’ een adept, die het recht op nirvana heeft verworven, ‘het dharmakaya-lichaam’, zoals dat in mystieke taal wordt beschreven; behoudt van de sambhogakaya slechts de grote en volledige kennis en blijft in zijn nirmanakaya-lichaam voortleven. De esoterische school leert dat Gautama Boeddha, evenals verschillende van zijn arhats, zo’n nirmanakaya is. Er is niemand bekend die op grond van grote zelfverzaking en opoffering voor de mensheid hoger staat dan hij.

(35) Myalba is onze aarde – door de esoterische school nadrukkelijk ‘hel’ en de grootste van alle hellen genoemd. De esoterische leer kent geen andere hel of plaats van straf dan op een door mensen bewoonde planeet of aarde. Avichi is een toestand, geen plaats.

(36) Dit betekent dat er opnieuw een verlosser van de mensheid is geboren, die de mensheid naar het nirvana zal leiden, dat is na het einde van de levenscyclus.

(37) Dit is een van de varianten van de formule die steevast op elke verhandeling, invocatie of instructie volgt, ‘Vrede aan alle wezens’, ‘De zegen aan al wat leeft’, enz.

 


De Stem van de Stilte, blz. 43-69 en 88-99 (noten)

© 2009  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag