| De Bijbel - I _________________
Waar ligt de waarheid tussen
de extreme opvatting dat de Bijbel letterlijk het woord van God vertegenwoordigt,
en de mening dat hij een verzameling van nogal vreemde folkloristische
verhalen is? De Bijbel is een esoterisch geschrift en als hij op de
juiste wijze wordt geïnterpreteerd, en wordt bestudeerd naast andere
heilige geschriften die de wereld kent, zal de diepe betekenis duidelijk
worden die schuilt achter vele verhalen, die weinig zeggen als ze letterlijk
worden opgevat. Het Oude Testament is een verzameling van oude Joodse
geschriften die, nadat de Joden uit Babylonische gevangenschap waren
teruggekeerd, door de schriftgeleerden Ezra werden verzameld. Hij bracht
zoveel mogelijk van de oude boeken bijeen en bracht zo de Joodse canon
tot stand. Uit die bron werd tenslotte, na veranderingen en weglatingen,
het christelijke Oude Testament samengesteld. De Joden hebben hun eigen
interpretaties in hun kabalistische boeken zoals de Zohar en
de Sepher Jetzirah en in een grote schat aan commentaren; maar
de Christenen hielden zich gewoonlijk aan de letterlijke tekst. Dat
heeft het karakter van het Christendom geen goed gedaan, want sommige
van deze boeken, als ze letterlijk worden geïnterpreteerd, bevatten
veel wreedheid, bedrog, grofheid en oorlogsgeweld.
De Pentateuch of de eerste vijf boeken van het Oude Testament nemen
een heel belangrijke plaats in. Hoewel men lange tijd aannam dat zij
het werk van Mozes waren, heeft een kritisch onderzoek aangetoond dat
hij niet de schrijver kan zijn geweest en men is nu van mening dat zij
grotendeels het werk van Ezra zijn. Ogenschijnlijk bevatten deze boeken
het verhaal over dc schepping en de zondvloed, de afstamming van het
Hebreeuwse volk, hun zwerftochten en hun uiteindelijke vestiging, en
de wet van Mozes. De poging om met andere historische gegevens een zekere
samenhang te vinden en de verhalen daarin te doen passen is voor Bijbelcritici
een probleem. Dat is geen wonder, want het is een verzameling van allegorische
legenden die bijeen zijn gebracht met als voornaamste doel de verborgen
betekenis over te dragen. Als men ze echter esoterisch leest in het
licht van de Zohar enz. dan onthullen ze een schat aan occulte
waarheden. Het Oude Testament bevat ook de boeken van de profeten en
in Ezechiël en Daniël vinden we veel gemakkelijk
herkenbare occulte symboliek, al is er heel wat verminkt door degenen
die daarin profetieën over de wederkomst van Christus en het einde
van de wereld wilden zien. Dan zijn er de poëtische en fantasierijke
gedeelten als de Psalmen, Prediker en het Hooglied, en Job, een heel
oude allegorie over de beproevingen van een kandidaat voor inwijding.
HET NIEUWE TESTAMENT
Men is tot de huidige canon gekomen
als gevolg van een reeks beslissingen en hij is een selectie uit een
groter aantal boeken, waarvan sommige zijn gepubliceerd onder de naam
het Apocriefe Nieuwe Testament. Er waren meer Evangeliën behalve
de vier bekende en critici hebben kunnen nagaan dat de huidige Evangeliën
kennelijk aan oudere zijn ontleend. Wij doen hier enkele aanhalingen
uit The Esoteric Character of the Gospels (Het Esoterisch Karakter
van de Evangeliën) geschreven door H.P. Blavatsky en gepubliceerd
in haar tijdschrift Lucifer van November 1887:
". . . de Bijbel is niet het "Woord van God", maar bevat
op zijn best de woorden van feilbare mannen Cll onvolmaakte leraren.
Maar esoterisch gelezen bevat hij, zo niet de hele waarheid,
toch "niets dan waarheid" onder welk allegorisch kleed
ook. Zo min als enig ander geschrift van de wereld-godsdiensten kan
de Bijbel worden uitgesloten van die soort van allegorische en symbolische
geschriften die, sinds prehistorische tijden, de vergaarbak zijn geweest
van geheime leringen van de Mysteriën van Inwijding, onder een
min of meer gesluierde vorm. De oorspronkelijke schrijvers van de Logia
(nu de Evangeliën) kenden stellig de waarheid en de hele
waarheid; maar hun opvolgers bezaten even zeker slechts dogma's en vormen,
wat in wezen leidde tot de hiërarchische macht, in plaats van de
geest van de zogenaamde leringen van Christus. Vandaar de geleidelijke
achteruitgang.
. . . . De christelijke canon, in het bijzonder de Evangeliën,
de Handelingen en de Brieven bestaan uit fragmenten gnostische
wijsheid, waarvan de grondslag voorchristelijk is en gebaseerd op de
inwijdingsmysteriën. . . . . Hoe meer men de oude religieuze teksten
bestudeert, des te meer komt men tot de ontdekking dat de grondslag
van het Nieuwe Testament dezelfde is als die van de Veda's, de Egyptische
theogonie en de Mazdeïstische allegorieën."
We mogen zeggen dat de Evangeliën symbolische verhalen zijn, heilige
geschriften, die door onbekende schrijvers werden opgetekend uit het
geheugen of aan de hand van notities, die naderhand in een canonieke
verzameling werden bijeengebracht en als letterlijke in plaats van symbolische
waarheid werden aanvaard. Maar hierover kan meer worden gezegd bij de
behandeling van de afzonderlijke leringen. Wat de Brieven van
Paulus betreft, het is duidelijk dat hij niet de leringen onderwees
die nu representatief voor het Christendom zijn. Voor hem is de Christus
de inwonende geest in alle mensen; hij spreekt als een ingewijde leraar,
die de mens waarschuwt het oude leven van het vlees af te leggen en
het nieuwe leven in te gaan, waarin de Christus in hen bewust wordt
en tot leven komt. Wat hem bezighoudt is de volbrenging en de redding
in dit leven, niet in een toekomstig leven. Hij is kennelijk een ingewijde
leermeester die niet alles wat hij weet kan doorgeven, vooral niet in
open brieven, maar die zijn best doet zijn boodschap aan te passen aan
de mogelijkheden van de verschillende gemeenten tot wie hij zich richt.
De schepping van het heelal
en van de mens neemt in alle kosmogonieën een heel belangrijke
plaats in en vormt in feite het eerste hoofdstuk in de leringen van
de oude Wijsheid-Godsdienst. Het woord 'evolutie' zou te verkiezen
zijn boven 'schepping', omdat dit laatste woord verbonden is aan de
opvatting van een persoonlijk God die het heelal uit het niets schept.
Wij zullen ons hier alleen bezighouden met het onderwerp evolutie
voor zover het in de christelijke geschriften aan de orde komt. In
de eerste hoofdstukken van Genesis (welk woord 'ontstaan' of
'wording' betekent) treffen we een nogal verwarrende en verkorte versie
aan van wat in oudere geschriften in een vollediger en nauwkeuriger
vorm kan worden gevonden. Het is rechtstreeks ontleend aan Chaldeeuwse
geschriften van vroeger datum, waarvan sommige door archeologen zijn
ontdekt; maar het kan nog verder terug worden gevonden in de heilige
geschriften van het oude Perzië en India. Soortgelijke verhandelingen
vinden we in China, in de mythologie van het oude Skandinavië
en zelfs van het oude Amerika. We noemen hier slechts enkele bronnen,
maar zonder overdrijving kan worden gezegd dat dezelfde verhalen over
het begin van werelden en de evolutie van de mens over de hele aardbol
kunnen worden gevonden.
Het woord 'God' is in het Hebreeuws 'Elohîm, wat een
meervoudig woord is en 'goden' of 'geesten' betekent en het heeft
betrekking op de scheppende krachten. Eerst bestond er niets dan Chaos,
leegte, vaak aangeduid met de Wateren of Grote Diepte. Daarboven zweefden
de scheppende geesten en het eerst geschapene was het Licht. Uit dit
begin komen de werelden en alle levende schepselen voort. Wat de schepping
van de mens betreft
"Toen formeerde de Here God de mens van stof uit de aardbodem
en blies de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levend
wezen." - Genesis, 2:7
"En God zeide: Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze
gelijkenis; opdat zij heersen over de vissen der zee en over het gevogelte
des hemels en over het vee en over de gehele aarde en over al het
kruipend gedierte dat op de aarde kruipt. En God schiep de mens naar
zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij
hen." - Genesis, 1:26 - 7
Zoals gebruikelijk zijn er twee verhalen over de schepping van de
mens; eerst wordt hij geschapen als een levende ziel (of juister vertaald,
een dierlijke ziel)? en daarna wordt hij goddelijk gemaakt. Deze twee
verhalen zijn in de Bijbel verwisseld. In feite is de schepping van
de mens drievoudig: eerst uit het stof van de aarde; dan wordt hij
bezield met de adem des levens; tenslotte wordt het dierlijke wezen
begiftigd met het goddelijk vermogen - geschapen naar het beeld van
de Goden ('Elohim). De meervoudsvorm 'Elohim is om een
of andere reden vertaald met God of de Here God; het betekent scheppende
geesten, goddelijke wezens. Deze leer van de tweevoudige schepping
van de mens is heel belangrijk, omdat zij laat zien hoe de mens aan
zijn tweevoudige natuur komt en op welke wijze hij verschilt van de
dierlijke schepping. De eerste rassen van de mensheid waren 'verstandeloos',
niet begiftigd mct een zelfbewuste geest; en in een zeker stadium
van zijn evolutie werd de innerlijke goddelijkheid van de mens tot
leven gewekt door de Mânasaputra's, of Zonen der Gedachte, die
in het wordende menselijke ras incarneerden, en van hem een zelfbewust,
verantwoordelijk wezen maakten.
Het verhaal zet zich voort in de legende van de Hof van Eden. Deze
Hof stelt de zondeloze onschuldige toestand van de mens voor, voordat
hij zelfbewust werd; hij was zonder zonde, maar ook zonder het vermogen
tot vooruitgang; hij kende goed noch kwaad. Dan ontmoet de mens wat
de Verleiding is genoemd. Een slang, die als heel wijs wordt beschreven,
verschijnt aan de mens en haalt hem over zijn vrije wil te gebruiken
en tegen God in opstand te komen. Om deze vrije wil te verwerven moet
hij eten van de Boom van Kennis van Goed en Kwaad. Hij doet dit en
verliest daarmee de toestand van onschuldig geluk, wordt zelfbewust
en kan onderscheid maken tussen goed en kwaad. Hij wordt uit de Hof
verwijderd en begint een leven van strijd in de uiterlijke wereld.
Deze leer is door de theologie verminkt tot een vloek en een zondeval;
Adam wordt geacht te hebben gezondigd en daardoor aan al zijn afstammelingen
zijn zonde te hebben overgedragen, zodat alle mensen in zonde worden
geboren en een speciaal goddelijk offer nodig hebben om te worden
gered. Maar in de oorspronkelijke leer is die zogenaamde zondeval
en beproeving een noodzakelijk stadium in de evolutie van de mens.
De Slang (die door de theologie in een Duivel is omgezet) is niet
anders dan God, zij het in een andere vorm; want deze Here God is
niet de opperste godheid, maar die scheppende geesten ('Elohim)
die de eerste niet-verlichte mens schiepen. De Slang is niet de Duivel
maar stelt die Zonen der Gedachte voor die, zoals gezegd, de mensheid
verlichtten, de mens leerden hoe deel te hebben aan de vrucht van
kennis en 'als goden te worden'. Wij vinden dit mysterie in de Griekse
mythologie in de geschiedenis van Prometheus, die in opstand komt
tegen Zeus en het vuur uit de hemel naar de mens brengt om hem te
verlichten. Prometheus en de Slang uit de Hof van Eden zijn dezelfde
als Lucifer, de Licht-Brenger, die door de theologie ook in een duivel
is getransformeerd.
".... Satan, of de Rode Vurige Draak, de 'Heer van Phosphorus'....
en Lucifer of "Lichtdrager" is in ons: hij is ons
Denkvermogen - onze verleider en Verlosser, onze intelligente
bevrijder en Redder uit zuivere dierlijkheid. Zonder dit beginsel
- de emanatie van de essentie van het zuivere goddelijke beginsel
Mahat (Intelligentie), dat rechtstreeks van het Goddelijk
Denkvermogen uitstraalt - zouden wij stellig niet beter zijn dan
dieren. De eerste mens Adam was slechts tot een levende ziel
(nephesh) gemaakt, de laatste Adam tot een levendmakende Geest,
zegt Paulus, die doelt op de bouw of de Schepping van de mens."
- De Geheime Leer, deel II, blz.695
Dat deze prachtige waarheid niet meer werd begrepen en verkeerd werd
uitgelegd was de aanleiding tot het neerhalen van de menselijke natuur
wat tot gevolg had dat de mens ging geloven dat hij een verdorven
aard had, dat er vijandschap bestaat tussen hem en zijn eigen natuur,
dat hij zijn eigen intelligentie en vrijheid van denken wantrouwde
en dat hij werd vervloekt voor het uitvoeren van een eenvoudige natuurlijke
daad, die alleen zondig is in geval van misbruik en als de menselijke
geest haar zelf met schuld en onreinheid associeert.
Dit onderwerp van de schepping van de mens en zijn zogenaamde zondeval
staat in een natuurlijk verband met het onderwerp van de Verlossing,
wat eveneens een grootse leer is, die in de eeuwen van verduistering
verloren ging en die ook tot een heel ander beeld werd vervormd.
DE ZONDVLOED
Ook dit is een heilige allegorie
die alle volkeren gemeen hebben. Het verhaal van een universele zondvloed
is welbekend en men treft het overal aan. Het wordt beschouwd als een
overlevering van de overstromingen die volgden op de laatste gletsjerwerking
in delen van het noordelijk halfrond. En al is het volkomen juist dat
er een werkelijke zondvloed plaatsvond - één van de vele
zoals geologen toegeven - toch schuilt er in de legende veel meer dan
het louter stoffelijke aspect. In zijn boek Myths of the New World
heeft Daniel Brinton een aantal verhalen bijeengebracht over overstromingen
bij verschillende rassen van Noord-, Midden- en ZuidAmerika. Merkwaardig
is de grote overeenkomst in bijzonderheden als de ark, het stranden
op een berg, en het uitzenden van vogels.
In het Soemerische epos over de schepping,
dat duizend jaar ouder is dan Genesis, gaat de Zondvloed vooraf
aan de Zondeval. Verhalen over zondvloeden met arken enz. vindt men
in het oude India, de Noorse Edda, de Finse Kalevala, de Mexicaanse
Popol Vuh, onder primitieve Afrikaanse stammen en onder de Polynesiërs.
Het Griekse verhaal over Deucalion en Pyrrha, die aan de Vloed ontkwamen
en de aarde opnieuw bevolkten door stenen achter zich te werpen, is
aan lezers van de klassieken welbekend. Zulke verhalen houden altijd
verband met een zuivering van de aarde door de vemietiging van de verdorvenen
en altijd is er een ark of heilig vaartuig waardoor enkelen voor het
stichten van een nieuw ras behouden blijven. Is dit uitsluitend materieel
en historisch of ook allegorisch? Beide, want volgens het universele
patroon vormen materiële gebeurtenissen zich naar geestelijke gebeurtenissen.
Er hebben inderdaad periodiek veranderingen van de aardkorst plaatsgevonden,
die vergezeld gingen van het verzinken van land en het oprijzen van
nieuw land, zoals de geologie heeft vastgesteld. Maar deze gebeurtenissen
waren slechts de uiterlijke bijverschijnselen van grote morele veranderingen;
zij traden op wanneer grote rassen hun einde bereikten en nieuwe rassen
van de mensheid hun ontwikkeling begonnen; en met ras bedoelen we hier
een van de grote Wortelrassen, die elk meer dan een miljoen jaar duren.
Dit is de algemene betekenis van een 'Vloed' maar de talrijke verhalen
waamaar wij verwezen, duiden gewoonlijk in het bijzonder op de laatste
grote Zondvloed die vergezeld ging van de verdwijning van het vasteland
van Atlantis, of van de langst overgebleven gedeelten daarvan. Dat was
het woongebied van het Vierde Wortelras, dat door het huidige Vijfde
werd opgevolgd. Toen het Atlantische ras het einde van zijn cyclus bereikte,
waren velen tot grof materialisme vervallen en zwarte magiërs geworden;
zij hadden een reuzengestalte, waarover het bijbelverhaal spreekt en
zij vormen de oorsprong van de universele overlevering van de slechte
reuzen. Het was noodzakelijk dat deze corrupte maatschappij werd vernietigd
en dat de goeden zouden worden behouden om het zaad te vormen voor het
komende nieuwe ras. Vandaar de verhalen over overstromingen, arken en
andere gebeurtenissen. De Griekse mythologie staat vol met verhalen
over halfgoddelijke stichters van steden en beschavingscentra en hierin
wordt verteld dat deze stichters Griekenland binnenkwamen uit het westen,
van voorbij de "zuilen van Hercules" en meermalen wordt er
melding gemaakt van het verzinken van landen onder de oceaan en het
oprijzen van nieuw land waarop de immigranten zich vestigden.
Het feit dat zulke zondvloedverhalen, die zo
met het verhaal in de Bijbel overeenstemmen, algemeen worden aangetroffen,
is vaak op de achtergrond geschoven omdat men het Bijbelverhaal als
uniek en het allerbelangrijkste wilde blijven beschouwen. Het Oude Testament
is echter niet anders dan een verzameling oude heilige boeken, die door
de Hebreeërs waren bewaard uit nog oudere bronnen, waaraan ze waren
ontleend.
DE VERLOSSING EN REDDING
De evolutie van werelden of van
de mens houdt in een nederdaling van de geest in de stof en een weer
opstijgen van de stof in de geest. Oorspronkelijk was de mens een geestelijk,
maar verstandeloos en onontwikkeld wezen dat in een 'Gouden Eeuw' leefde,
voorgesteld door de Hof van Eden. Toen kreeg hij het vermogen van zelfbewustzijn,
dat in hem werd opgewekt door wezens die dat zelf bezaten. De zondeval
van de mens is in zekere zin een val, maar in een andere zin is het
een belangrijke stap in zijn evolutie. Hij verliest enige tijd het contact
met de geest, om door middel van incarnatie in deze wereld de nodige
ervaringen op te doen. Het nieuwe vermogen van de vrije wil dat hij
bezit, wordt niet altijd op de juiste wijze gebruikt en het misbruik
ervan is de oorzaak van lasten en moeilijkheden die hem treffen en die
soms 'slecht karma' worden genoemd, maar die in werkelijkheid de middelen
zijn om zijn tekortkomingen te overwinnen en zijn vrije wil in dienst
te stellen van de hogere mens. Het goddelijke in hem zal tenslotte overwinnen
en hij zal te voorschijn treden als een groter en vollediger wezen,
door de kennis en wijsheid die hij dank zij zijn ervaringen heeft verworven.
Dit betekent zijn werkelijke redding en verlossing. Het heeft betrekking
op het menselijk ras als geheel, op elk afzonderlijk ras van de mensheid
en op de individuele mens. In dit laatste geval moeten wij er natuurlijk
rekening mee houden dat de mens vele malen op aarde zal incarneren.
De grote leraren die de wereld heeft gekend,
zijn vele malen op aarde verschenen om opnieuw de blijde boodschap te
brengen of liever om de mens te herinneren aan zijn in vergetelheid
geraakte geboorterecht. Want de mens is als de prins uit het sprookje,
die onder het eenvoudige landvolk is opgegroeid en zich niet bewust
is van zijn koninklijke afkomst, al zijn er zelfs in de duisterste eeuwen
altijd enkele mystici en intuïtieve geesten geweest die de waarheid
zagen. De Grote Wijze (wie hij ook was) die het aanzijn schonk aan het
Christendom was één van die leraren en zelfs uit de verminkte
fragmenten van zijn leringen die ons zijn overgebleven, kunnen wij concluderen
dat hij die oude waarheid verkondigde. Maar zie wat eeuwen van geestelijke
duisternis ervan hebben gemaakt! Terwijl de leraar de goddelijkheid
van de mens leerde en zijn toehoorders op het eeuwenoude pad van verlossing
wees, is ons verteld dat wij in wezen verdorven zijn en dat het goddeloos
is op eigen kracht te vertrouwen - wij, die naar God's eigen beeld zijn
geschapen! Het was de taak van de theosofie de Christos weer te doen
opstaan uit het graf waarin zijn discipelen hem hadden gelegd, want
zij is, tweeduizend jaar na het ontstaan van het Christendom, een nieuwe
openbaring van dezelfde Wijsheid-Godsdienst. Wat Jezus van de Farizeeërs
van zijn dagen zei, is van toepassing op veel van wat nu onder de naam
van religie wordt aangeboden.
De Verzoening, die theologisch wordt beschouwd
als een verzoening tussen God en de mens door het zoenoffer van zijn
Zoon, krijgt in het licht van wat eerder is gezegd, een diepere zin.
Het betekent de vereniging van de menselijke ego met de Geestelijke
Ego - de ingeboren Christus, waarbij de mens beseft dat niet zijn persoonlijke
ego, maar de Geestelijke Ego zijn ware zelf is.
DE SACRAMENTEN: HET AVONDMAAL
"En hij nam een brood,
sprak de dankzegging uit, brak het en gaf het hun, zeggende: Dit is
mijn lichaam, dat voor U gegeven wordt; doet dit tot mijn gedachtenis.
Evenzo de beker, na de maaltijd, zeggende: Deze beker is het nieuwe
verbond in mijn bloed, die voor U uitgegoten wordt." - Lucas,
22 :19 - 2 0
"Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar,
voorwaar, Ik zeg U, tenzij gij het vlees van de Zoon des mensen eet
en zijn bloed drinkt, hebt gij geen leven in Uzelf. Wie mijn vlees
eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem opwekken
ten jongsten dage. Want mijn vlees is ware spijs en mijn bloed is
ware drank. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij,
en Ik in hem." - Johannes, 6 :53 - 5 6
Het sacrament van het Heilig Avondmaal betekent
veel voor hen die er toegewijd aan deelnemen, maar het zou veel meer
kunnen betekenen. Het dankt zijn heiligheid en kracht aan zijn verheven
oorsprong in een van de schoonste riten uit de Mysteriescholen van
weleer. Dat het als een invloed ten goede in de wereld zo broos is
en een bron van onenigheid en strijd is geworden, is een gevolg van
het feit dat het ons in een wat afgezwakte en verkeerd begrepen vorm
is overgedragen. De studie van de oude Mysteriën maakt duidelijk
dat brood en wijn een belangrijke rol spelen in het inwijdingsritueel,
evenals in de 'Kleinere Mysteriën' die voor het publiek werden
opgevoerd. In de Grotere Mysteriën werden de kandidaten ingewijd
in wat Jezus het Koninkrijk Gods of het Koninkrijk der Hemelen noemde.
Vaak wordt er over wijn of bloed gesproken en beide woorden staan
voor het geestelijk leven, zo worden ze ook in het Nieuwe Testament
gebruikt. Daartegenover vinden we brood of graan, dan wel vlees en
ook deze woorden worden in het Nieuwe Testament gebruikt. Deze laatste
doelen op het aardse sterfelijke leven en samen duiden ze derhalve
de hogere en de lagere natuur van de mens aan.
Het gaat hier om symbolen die in de oude
Mysteriën werden gebruikt, waarin een tweevoudige inwijding plaatsvond,
gesymboliseerd door brood en wijn of door vlees en bloed. Het lichaam
en de lagere beginselen van de kandidaat moesten rein zijn, voor hij
de doop met het bloed of met de wijn van de geest kon ontvangen. Deze
feiten uit de Griekse en andere Mysteriën kunnen aan de hand
van elke encyclopedie of elk boek over dit onderwerp worden geverifieerd.
In de Bijbel vinden we veelvuldige verwijzingen. Wij willen hier nog
een aanhaling doen, ditmaal uit het gesprek met Nicodémus,
uit Johannes, 3: 3 en 5:
". . . tenzij iemand wederom geboren
wordt, kan hij het Koninkrijk Gods niet zien.... tenzij iemand geboren
wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk Gods niet binnengaan.
Wat uit het vlees geboren is, is vlees, en wat uit de Geest geboren
is, is Geest."
Hier hebben we de dubbele geboorte, de eerste
van het vlees, de tweede van de geest. Deze leer van de tweede geboorte
is het hoofdthema van Paulus, en het is verrassend dat men er niet
meer aandacht.aan heeft geschonken. Op zijn hoogst heeft men gedacht
aan een geestes- of gemoedsgesteldheid die varieert van een louter
bevrediging van de eigen begeerten tot waarachtige heiligheid van
karakter. Maar door het geloof in de erfzonde en het plaatsvervangend
lijden en door onbekendheid met reïncarnatie is de werkelijke
betekenis ervan verduisterd en verloren gegaan. Maar toch zijn deze
oude leringen onsterfelijk, waardoor ze door de eeuwen heen zijn blijven
bestaan, al was het maar de vorm ervan, totdat de tijd aanbreekt dat
ze in ere worden hersteld. Het Avondmaal wordt nog gevierd als een
middel om genade te ontvangen en als een herdenking, en sommigen hechten
groot belang aan het geloof in de wonderbaarlijke omzetting van brood
en wijn in het wezenlijke vlees en bloed van Jezus.
DE SACRAMENTEN: DE DOOP
Ook dit is een rite die aan
de oude Mysteriën is ontleend. Het was de uiterlijke en zichtbare
vorm van een reinigingsproces dat de kandidaat voor inwijding moest
ondergaan. Elke cultus kende deze inwijdingswassingen. In het Christendom
betekent het toelating tot de kerk en wordt het gezien als een reiniging
van zonden, verbinding met God en de gave van de Geest. Dat degenen
die niet zijn gedoopt, verdoemd zijn is een geloofsartikel dat door
sommigen nog wordt aanvaard. Het is een weerzinwekkende gedachte voor
onze instelling van dit ogenblik; maar waarom zouden we gedoopt moeten
worden als we ook zonder de doop gered kunnen worden?
De sacramenten worden in de catechismus omschreven
als de uiterlijke en zichtbare tekenen van een innerlijke en geestelijke
genade; zij herhalen lichamelijk wat er geestelijk al heeft plaatsgevonden;
anders zou de ceremonie niet meer zijn dan een lege vorm. De doop
kan op twee manieren plaatsvinden: door middel van water of door vuur,
in overeenstemming met de twee vormen van het avondmaal die al werden
genoemd. De kandidaat voor de doop zou op een leeftijd moeten zijn
waarop hij de betekenis van de ceremonie ten volle kan begrijpen.
In deze tijd, waarin onze kennis van de natuur zo tot uiterlijkheden
is beperkt, hebben we de innerlijke kennis verloren van de natuur,
van de mens en zijn relatie tot de natuur, die men in oude tijden
bezat. De riten en gebruiken waarover we in de Griekse en Romeinse
geschiedenis lezen, of die in oude en oosterse rassen in gebruik waren,
komen ons als bijgeloof voor, omdat we de wezenlijke betekenis ervan
niet begrijpen. Het is ook heelwaarschijnlijkdat de Grieken en Romeinen
zelf in latere tijden ook de betekenis uit het oog hadden verloren
en de ceremonieën eenvoudig voortzetten omdat het de gewoonte
was. Maar een diepere studie toont aan dat zij hun oorsprong vonden
in de leringen van de Oude Wijsheid. Het is merkwaardig dat wij ze
nog steeds in praktijk brengen maar dat komt omdat er een onsterfelijk
leven in deze oude instellingen schuilt, die ze door de eeuwen heen
doet voortbestaan, als een zaad dat onder de sneeuw ligt verborgen
totdat de tijd aanbreekt dat het weer tot leven wordt gewekt.
Inhoud
© 1990 Theosophical
University Press Agency |