WAAR de leer van Reïncarnatie en die van Karma zo'n belangrijk deel
uitmaken van de Oude Wijsheid waaruit alle godsdiensten zijn voortgekomen,
is het van belang na te gaan waarom er zo weinig van te vinden is in het
Christendom. De eenvoudige reden is dat ze er uit zijn verwijderd. Wijlen
Professor F.S. Darrow schreef:
"Een kritische geschiedenis van de leringen van het voor-bestaan
en van reïncarnatie is nog nooit geschreven, maar het beschikbare
materiaal voor een dergelijke geschiedschrijving is zeer uitgebreid. Ik
heb in mijn bibliotheek, zonder de geringste overdrijving, letterlijk
honderden boeken die op dit onderwerp betrekking hebben. Vele daarvan
behandelen uitsluitend die onderwerpen en niets anders. . . . . De theosofische
leringen met betrekking tot het voor-bestaan en de wedergeboorte van de
menselijke ziel werden duidelijk en voortdurend verkondigd in de christelijke
wereld van het eerste begin van het Christendom af tot op de huidige dag,
maar de erkenning van deze waarheden onder belijdende christenen varieerde
van tijd tot tijd aanzienlijk overeenkomstig de mate van publiciteit die
in de wisselende cyclussen mogelijk bleek."
Dezelfde schrijver verdeelt het onderwerp chronologisch in drieën.
Ten eerste de periode van het vroege Christendom tot aan de Synode van
Constantinopel in 553.(voetnoot 1) Dan de periode van
553 tot 1438, toen Georgius Gemistus Florence bezocht en de filosofie
van Plato nieuw leven inblies. En tenslotte de periode van 1438 tot aan
onze tijd. De enige reden derhalve waarom van deze kennis omtrent het
voor-bestaan en reïncarnatie niets werd gehoord is omdat het onderwerp
niet werd bestudeerd; er is een overvloed aan literatuur, maar daar het
als ketters werd uitgebannen is het vergeten. De reden voor deze verbanning
is gemakkelijk te zien. Het toelaten van deze leringen zou de deur openen
tot veel dingen die onverenigbaar zijn met het kerkelijke Christendom.
En zo bleven we zitten met de ongerijmde leer dat een ziel op een bepaald
moment wordt geschapen en daarna voor eeuwig blijft voortbestaan; wel
het lichaam overleeft maar geen voor-bestaan kent; en van een ons toegemeten
levensduur van zo'n zeventig jaar, die volkomen in het niet zinkt vergeleken
met de oceaan van eeuwigheid waarin wij ons bevinden.
De christelijke leer, zoals die in het algemeen wordt verkondigd, geeft
geen andere verklaring voor de ongelijkheden en onvolkomenheden van het
menselijk leven dan ze toe te schrijven aan de ondoorgrondelijke wil van
God. Dit is strijdig met de geest van onderzoek en de dorst naar kennis
die ieder mens bezit als ze niet worden onderdrukt. Zijn aangeboren gevoel
van rechtvaardigheid komt in opstand tegen wat hij gedwongen wordt te
geloven; zijn studie van de natuur geeft hem inzicht in het bestaan van
wet en orde, maar het godsdienstig onderricht dat hij ontvangt, dwarsboomt
die opvatting in plaats van haar te bevestigen - wat voedsel geeft aan
de gedachte dat zijn godsdienst in min of meer verminkte vorm tot hem
is gekomen. Maar beter dan om die reden de godsdienst af te wijzen is
het te proberen de schade te herstellen, en het ware van het valse te
onderscheiden. Vaak wordt de vraag gesteld of Jezus zelf de leer van reïncarnatie
ooit heeft onderwezen. In zijn boek Studies in Occult Philosophy
schrijft Dr. G.de Purucker daarover als volgt: "Ik geloof niet dat
daar iets over te vinden is behalve in de Evangeliën zelf, in vage
toespelingen van een zuiver mystiek karakter, zoals de vraag van Nicodémus,
en dan nog de uitspraak: "Hij is Elia die komen zou"; en we
moeten het algemene historische feit niet uit het oog verliezen dat de
leer van reïncarnatie in de een of andere vorm een welbekende en
aanvaarde leer was bij de Farizeeën van Judea, in de tijd waarin
Jezus verschenen zou zijn. Zij was even algemeen bekend en even algemeen
aanvaard - toen zelfs in veel grotere mate - als in de wereld van nu.
.... Er zijn (in de Evangeliën) vier of vijf toespelingen maar geen
rechtstreekse en uitdrukkelijke uitspraken. Wordt echter de vraag gesteld:
"Onderwees Jezus Christus de leer van reïncamatie?" dan
is het antwoord: "Ik ben er volkomen van overtuigd dat hij dat deed,
want het was in zijn tijd een zo algemene en door de beste geesten universeel
aanvaarde leer, dat als hij haar op zijn minst niet accepteerde, hij voor
iemand met gering inzicht en misschien zelfs geringe ontwikkeling zou
zijn gehouden." Maar er is absoluut geen authentiek bewijs dat hij
die leer onderwees. De Evangeliën zelf werden door mannen geschreven
die ongeveer van vijftig tot tweehonderdvijftig jaar na Jezus' dood leefden.
Reïncarnatie was ook een van de meest algemene opvattingen in het
Romeinse Keizerrijk, dat praktisch de gehele toenmalige beschaafde Europese
wereld omvatte, behalve Parthië en het Oosten. Het Romeinse rijk
omvatte praktisch geheel Klein-Azië en Egypte, Italië,
Griekenland, Gallië, Spanje, een deel van Duitsland, het grootste
deel van Brittannië en gedeelten van Ierland. Alle Germaanse volkeren
geloofden erin; alle Keltische volkeren accepteerden het als iets vanzelfsprekends.
Het was een van de Druïdische leringen" - blz.547 - 8
DE LEER VAN DE DRIE-EENHEID
De Vader, de Zoon en de Heilige Geest - drie Personen en toch maar één
God. Dat is de christelijke Drieeenheid, en er heeft een bittere strijd
gewoed over de ware aard van deze drieënige God en de relatie van
de drie Personen ten opzichte van elkaar. De hele christelijke wereld
was in de Romeinse tijd verdeeld door onverzoenlijke opvattingen wat betreft
de vraag of de Zoon één in wezen is met de Vader of daarop
gelijkend. Is de Zoon even eeuwig als de Vader of kwam hij voort uit de
Vader? Men beschuldigt de strijdende partijen er nogal eens van een storm
te ontketenen over nietigheden, maar dat is niet billijk, omdat om een
heel nietig punt van de symboliek zaken van groot belang kunnen draaien
en dit geloofsverschil was het teken van onderscheid tussen twee groeperingen
van Christenen, die in het algemeen vijandig tegenover elkaar stonden.
Waarom werd de Godheid voorgesteld als Drie-inéén? Het is
als een formele Ieer niet in het Nieuwe Testament te vinden. Zij werd
opgesteld door kerkelijke concilies die vorm gaven aan de leer en de gebruikte
termen zijn niet bijbels. Eenmaal geformuleerd kon zij worden verdedigd
door verwijzing naar het Nieuwe Testament.
Het is een feit dat zulk een drieënige godheid aan het hoofd van
alle theogonieën en kosmogonieën kan worden gevonden en filosofische
stelsels beginnen gewoonlijk met iets soortgelijks. Direct in het begin
van de Bijbel wordt zij voorgesteld als de Geest Gods die zweeft over
de wateren van de Ruimte of de Chaos, en het heelal voortbrengt. Dit is
de grote scheppende drieeenheid aan het hoofd van de kosmogonieën:
een Universele Geest, de Vader van alles; dan komt de Chaos of de Grote
Diepte of de Wateren der Ruimte, die vaak de grote Moeder wordt gcnoemd.
Uit deze beide komt de Zoon voort, die het heelal is. Deze filosofische
drieeenheid, die inderdaad een noodzaak in het denken is, werd natuurlijk
door de kerk overgenomen; dit bracht haar in harmonie met alle andere
godsdiensten en filosofieën, in het bijzonder met het Griekse denken,
en met verschillende oosterse stelsels die in Klein-Azië in zwang
waren. De personen van deze Drieëenheid konden toen gemakkelijk in
het Nieuwe Testament worden gevonden, want Jezus spreekt vaak over de
Vader en de Zoon en over de Heilige Geest die hij zal zenden. Maar deze
drieëenheid is onvolkomen, want er is wel een Vader en een Zoon maar
geen Moeder. In één kerk wordt dit aangevuld met de Maagd,
al maakt zij geen deel uit van de Drieëenheid. De Maagd is ontleend
aan de Magna Mater, of Grote Moeder, die zozeer werd vereerd in vele Aziatische
godsdiensten die in gedeelten van het Romeinse rijk heersten. Er is inderdaad
altijd een Grote Moeder, die wordt gezien als de gemalin van de Vader,
of zij Hera is, gemalin van Zeus, Juno, gemalin van Jupiter, Isis, gemalin
van Osiris en moeder van Horus, of wie ook.
In het gewone christelijke geloof zijn de Vader en de Zoon gepersonifieerd
en is de Heilige Geest een nogal vaag begrip. Wat inspiratie wordt genoemd,
is in veel gevallen louter emotionele vervoering, met rampzalige reacties;
maar er zijn altijd christelijke mystici geweest die een hogere vorm van
inspiratie hebben verwezenlijkt. We beseffen dat sommige lezers hier zouden
willen wijzen op het edele karakter en verheven leven van menig toegewijd
en ernstig christen, maar wij zouden dat willen toeschrijven aan de innerlijke
adeldom van de menselijke natuur, die die mensen in staat stelde de ware
geest van hun godsdienst in zich op te nemen ondanks de tekortkomingen
ervan. Bij een beter begrip van het Christendom zouden er meer van dergelijke
mensen zijn.
HET KRUIS
. . . en Hij, Zelf zijn kruis dragende, ging naar de zogenaamde
Schedelplaats.... waar zij Hem kruisigden." - Joh., 19:17-18
"Want het woord des kruises is wel voor
hen, die verloren gaan, een dwaasheid, maar voor ons, die behouden worden,
is het een kracht Gods." - I Cor., 1:18 "Indien iemand
achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme zijn kruis op
en volge Mij." - Matth., 16:24
Dit zijn typische voorbeelden
van het gebruik van het woord 'kruis' in het Nieuwe Testament; het stelt
de paal voor die bij de kruisiging werd gebruikt, of de christelijke
leer, of een last of offer. Dit heilige symbool van het Christendom
is een blijvende herinnering aan de belangrijkste leer dat Christus
voor onze zonden stierf, waardoor wij werden gered. Ook wordt het gebruikt
voor de dagelijkse last die wij op ons nemen als we onze persoonlijke
wil opofferen aan ons geloof. Maar het kruis is een universeel religieus
en filosofisch symbool, dat men aantreft in plaatsen zover weg als Palenque
in Mexico, India en Tibet. Het is algemeen bekend in de Egyptische symboliek
en in die van het Hindoeïsme. Het is een embleem dat in de heilige
Mysteriën van het oude Griekenland werd gebruikt. Dr. Lundy zegt
in zijn boek Monumental Christianity dat "de Joden zelf
dit teken van redding erkenden totdat zij Christus verwierpen,"
en hij spreekt over een Hindoes beeldhouwwerk van oude datum, een menselijke
figuur aan een kruis, met spijker-littekens aan handen en voeten - een
voor-christelijk crucifix in feite.
De theosofie toont aan dat de leringen van de Oude Wijsheid in een universele
symbolische taal werden bewaard die de belangrijkste leringen overbracht,
en het kruis is een van die symbolen, wat de reden is dat het zo algemeen
wordt aangetroffen. De Zon, de Maan en het Kruis vormen een drieëenheid
van symbolen, die respectievelijk de Vader, de Moeder en de Zoon aanduiden;
kosmische Geest, kosmische Stof en het heelal dat door hun onderlinge
werking wordt voortgebracht. ln het geval van de mens, die een copie in
miniatuur is van het heelal, duidt het kruis op wat Johannes het tot Vlees
gemaakte Woord noemt, de Zoon, de Christus, die in ieder mens is en het
goddelijke deel van zijn natuur vormt.
Om te verklaren waarom dat symbool werd gekozen om dit denkbeeld over
te brengen, zouden we ons meer in de zaak moeten verdiepen dan hier gewenst
is, maar wel kunnen we zeggen dat de twee lijnen van het kruis, (in het
bijzonder denken we hier aan het Griekse kruis met vier armen van gelijke
lengte) geest en stof voorstellen en het elkaar kruisen van de beide lijnen
betekent de vereniging of wisselwerking van beide elernenten om het geopenbaarde
heelal te vormen. De Goddelijke Geest in de mens is gekruisigd, tot een
kruis gemaakt, moet in een woning van vlees vertoeven en deze kruisiging
moet worden gevolgd door een wederopstanding.
Ook moet worden opgemerkt dat een werkelijke kruisigingsceremonie plaatsvond
bij kandidaten voor inwijding in de heilige Mysteriën, die in sommige
delen van de Romeinse wereld nog bestonden in de christelijke era. Deze
kandidaten werden in een bepaald stadium van hun inwijding, aan een kruis
of kruisvormige bank gebonden, waar zij twee dagen in trance bleven liggen,
terwijl hun bevrijde ziel de nodige ervaringen doormaakte en op de derde
dag weer tot leven kwam. Het is mogelijk dat het verhaal in de Evangeliën
daarop is gebaseerd. Hoe het zij, de Christenen hebben het kruis overgenomen
en hebben het als hun symbool aanvaard. De andere twee, de zon en de maan,
treft men aan in de emblemen van Japan en de Islam. Maar deze betekenis
van het kruis heeft men verward of vermengd met die van het Romeinse werktuig
voor uitvoering van de doodstraf, wat een martelpaal was, gewoonlijk met
een dwarsstok bij de top, waaraan de misdadiger werd vastgemaakt. Of er
inderdaad een leraar is geweest die, na een heel kort optreden, werd gevangen
genomen, veroordeeld, en op die wijze terecht gesteld, valt te betwijfelen.
Er bestaat geen enkel historisch getuigenis dat dit bevestigt. De kruisiging
van Christus is de symbolische benaming van een van de belangrijkste leringen
van de Oude Wijsheid; maar zij is verstoffelijkt tot het verhaal van een
feitelijke kruisiging van Jezus door Pontius Pilatus tijdens de regering
van Tiberius. Critici, die twijfelen aan de authenticiteit van dit verhaal,
of als het verhaal authentiek is, aan de betekenis ervan, zijn met hun
bezwaren te ver gegaan door het Christendom zelf overboord te gooien,
of soms zelfs alle religie. Dit bewijst hoe belangrijk het is het ware
van het valse te scheiden en te voorkomen dat geestelijke waarheden, die
in symbolische taal zijn gekleed, op letterlijke en materialistische wijze
worden geïnterpreteerd.
Het teken van het kruis is een heilig embleem geworden, een teken
dat zijn waarde vindt in een associatie van ideeën en dat, gebruikt
door vrome en mystieke geesten, een krachtig middel is geweest tot het
oproepen van geestelijke hulp, hoewel het soms ook dienst deed als oorlogsbanier.
Aan het bovenstaande kan worden toegevoegd dat het kruis een beter symbool
is als het binnenin een cirkel wordt getekend of als aan de bovenste arm
een cirkel wordt toegevoegd. De cirkel staat voor geest en het kruis alleen
betekent materialisme, wat karakteristiek geacht kan worden voor de tijden
waarin het Christendom overheerste, welke tijden, zoals eerder opgemerkt,
werden gekenmerkt door een letterlijke interpretatie van mystieke symbolen.
DE MYSTERIËN
In het oude Griekenland
bestonden de Mysteriën van Eleusis en andere minder bekende
Mysteriescholen, waar kandidaten voor inwijding werden ontvangen.
Dergelijke scholen waren ook in Egypte, India en verscheidene andere
plaatsen en er is vastgesteld dat er verbindingen bestonden tussen
de scholen in deze verschillende plaatsen en dat zij een uniforme
leer onderwezen. Dit was de Geheime Leer of de Wijsheid-Godsdienst,
waarvan de theosofie de modeme vertegenwoordigster is. Daar de mens
in wezen goddelijk is en via de evolutie een rechtstreekse afstammeling
van goddelijke wezens, is het voor hem mogelijk de latente geestelijke
vermogens in hem op te wekken. Dit wordt het Pad van Wijsheid genoemd
en is in feite de Verlossing, in de ware zin van dat woord. De Evangeliën
bevatten voldoende aanwijzingen dat de Leraar wiens woorden daarin
zijn opgenomen, zich bewust was van het bestaan van dit Pad en wilde
dat zijn discipelen dit zouden volgen. Hij noemt het het Koninkrijk
Gods. Ook wordt er vermeld dat hij zijn discipelen geheim onderricht
gaf, naast wat hij de menigte leerde. Ten tijde van de christelijke
era bestonden er nog enkele van deze Mysterie-scholen in Egypte
en delen van Azië en de invloed ervan blijkt duidelijk uit
de leringen van de Gnostici, de Neo-Platonisten en anderen, waaronder
het Christendom zich ontwikkelde. Het proces van het selecteren
en het verzamelen, wat resulteerde in de canonieke Evangeliën,
maakte dat enkele uittreksels uit die leringen werden opgenomen
en in de mond werden gelegd van de Leraar, Jezus genaamd.
Paulus, die zijn brieven schijnt te hebben
geschreven voor de Evangelieverhalen werden opgesteld, interpreteert
de christelijke leringen op veel esoterischer wijze. Te oordelen
naar zijn wijze van spreken was hij zelf ingewijd, tenminste tot
op zekere hoogte; maar het was duidelijk dat hij zijn leringen moest
aanpassen aan het beperkte begrip van zijn verschillende toehoorders
en vaak gebruikt hij beeldspraak, waarvan de ware betekenis slechts
door enkelen van degenen tot wie hij zich richtte kon worden begrepen.
DE WEDERKOMST VAN CHRISTUS
Uit de Evangelieverhalen en uit wat de geschiedenis ons vertelt, kunnen
we opmaken dat er onder de eerste Christenen een wijdverspreid en vaak
vast geloof leefde dat Christus werkelijk in het vlees zou weerkeren en
wel heel gauw, om het kwaad te vernietigen en een rijk van rechtvaardigen
op aarde te stichten. Deze gedachte hield verband met het verval van het
Romeinse rijk, dat doorging voor de kwade heerschappij die Christus omver
zou werpen en het is geen wonder dat deze Christenen de afgunst opwekten
van de Romeinse heersers.
Ook de Joden, die zoveel Christenen opleverden
en wier invloed zo groot was op de christelijke gedachten, hadden hun
eigen profetieën over de wederkomst van één van hun
eigen profeten als de 'Messias'; en deze gedachte heeft kennelijk veel
bijgedragen aan het geloof over de terugkeer van Christus. Sommige bijbelcritici
zijn er van overtuigd dat Jezus zelf, althans op een bepaalde tijd,
eraan geloofde. We moeten echter in gedachten houden dat de Evangeliën,
zoals die tot ons zijn gekomen, grotendeels zijn aangepast. In Mattheus
24:3 komt het volgende voor:
"Toen Hij op de Olijfberg gezeten was, kwamen zijn discipelen alleen
tot Hem en zeiden: Zeg ons, wanneer zal dat geschieden, en wat is het
teken van Uw komst en van de voleinding der wereld?"
We hebben hier een toespeling op de leer van
de cyclussen, het elkaar opvolgen van de grote Wortelrassen van de mensheid.
De "voleinding der wereld" vindt plaats als het huidige Wortelras
zijn loop heeft voltooid en de mensheid verdeeld zal zijn in degenen
die ver genoeg zijn gevorderd om de kern te vormen van het volgende
grote Ras en zij die zijn achtergebleven. Dit laatste deel van het Ras
zal zijn einde vinden (als ras) in catastrofen, die het ene Ras van
het volgende scheiden; de anderen zullen worden 'gered' zoals zinnebeeldig
wordt voorgesteld in de allegorie van de Zondvloed en de Ark. Jezus
zegt in zijn antwoord dat het einde er nog niet is, dat er oorlogen
zullen komen, dat er vele valse profeten zullen zijn. De komst van Christus
betekent het opnieuw doen ontwaken van de Christosgeest in de mensheid
of in al degenen die haar zullen kunnen ontvangen. Er zijn Adventisten
onder de hedendaagse Christenen, die nog steeds een feitelijke lichamelijke
komst van Christus verwachten; en er zijn er die de boeken van Daniël,
Ezechiël en de Openbaringen in die zin uitleggen. Maar
al houden deze profetieën verband met grote cyclische veranderingen,
en al beseffen de Adventisten intuïtief dat zulke veranderingen
voor de deur staan, hun interpretatie is te letterlijk en te materialistisch.
DE GULDEN REGEL
Deze wordt vaak aangehaald als iets
kenmerkends voor het Christendom, maar het is bekend dat hij in alle
andere godsdiensten voorkomt. Om hiervan een voorbeeld te geven citeren
we uit Mens, Vonk der Eeuwigheid
van James A. Long:
"Bij de Indianen:
Grote Geest, geef dat ik mijn buurman niet beoordeel voor ik een mijl
in zijn moccasins heb gelopen.
In het Boeddhisme: Op vijf manieren behoort een lid van een stam
zijn vrienden en bekenden van dienst te zijn - met edelmoedigheid, hoffelijkheid,
welwillendheid, door hen te behandelen zoals hij zichzelf behandelt, en
zijn woord gestand te doen.
Christendom: Alles nu
wat gij wilt dat U de mensen doen, doet gij hen ook aldus, want dit
is de wet en de profeten.
Confucianisme: "Is
er enig woord", vroeg Tzû Kung, "dat als blijvende leefregel
kan dienen?" De Meester antwoordde: "Is Sympathie niet dat
woord? Doe niet aan anderen wat U voor Uzelf niet wenst."
Griekse Filosofie: Doe
niet aan anderen wat Uzelf niet wenst te ondergaan. - Isocrates
Behandel Uw vrienden zoals U door hen behandeld
wilt worden. - Aristoteles
Hindoeïsme: Men
moet zich jegens anderen niet gedragen op een manier, die ons onaangenaam
zou zijn. Dit is het wezen van de plicht (dharma). Al het overige komt
voort uit zelfzuchtig begeren.
Islam: Niemand Uwer is
een gelovige voordat hij zijn broeder toewenst wat hij voor zichzelf
wenst.
Joodse Leer: Gij zult
Uw broeder niet haten in Uw hart: . . . maar gij zult Uw naaste liefhebben
als Uzelf.
Zoroastrianisme: Alleen
dat karakter is goed, dat anderen niet aan doet wat niet goed is voor
hemzelf." blz. 61 - 62
Voor een theosoof is het meer dan een louter
moreel gebod. Het is een noodzakelijke wet van de menselijke natuur.
Want de mens, die in wezen goddelijk is maar is vervreemd van de kennis
van zijn eigen goddelijkheid, moet die weer herwinnen. Zijn grote obstakel
is eigenliefde; daarom kan hij zijn verloren koninkrijk alleen herwinnen
door die eigenliefde te boven te komen. Hij moet leren hoe uit een onpersoonlijk
motief te handelen. Het is dan ook duidelijk dat gedachten aan de vooruitgang
van het eigen ik, aan het verwerven van occulte vermogens ten eigen
bate, of zelfs de wens zelf heilig te worden, nooit genoeg zullen zijn,
omdat het toegeven aan dergelijke verlangens slechts de vijand versterkt
die we willen overwinnen. Een zwakke persoonlijkheid verwisselen voor
een sterke kan het antwoord niet zijn. Een groot deel van ons dagelijks
leven wordt in beslag genomen door handelingen waarin van eigenliefde
geen sprake is - onbaatzuchtige handelingen die worden ingegeven door
een waarachtig verlangen iemand of anderen te dienen. Misschien zijn
we getuige geweest van leed dat wij anderen door een of andere zelfzuchtige
daad hebben berokkend en hebben we, in een gevoel van spijt daarover,
ons voorgenomen zoiets in de toekomst niet weer te doen, welk besluit
niet werd ingegeven door gedachten aan eigen voordeel, maar uitsluitend
door het verlangen anderen geen onrecht meer aan te doen. Het motief
dat in die gevallen werkt is Liefde - geen aan hartstocht verbonden
liefde, maar zuivere onpersoonlijke liefde. Dat is een kosmische kracht.
Zij werkt in de dierenwereld, want wat wij zo kleinerend 'instinct'
noemen, is in feite de zuivere en eenvoudige manifestatie van een grote
kosmische kracht, die het dier ertoe leidt zich voor zijn kroost op
te offeren, en de hond om zonder aarzelen voor zijn meester te sterven.
De Leraar in de Evangeliën houdt het eenvoudige hoog, de dieren,
de vogels, de leliën des velds en de kinderen. Ook wij voelen ons
daartoe vaak geneigd, na ervaringen van menselijke zelfzucht.
Als dus de Leraar de Gulden Regel verkondigt,
wijst hij degenen die ernaar streven de ware bestemming van de mens
te vervullen, op de wet van het geestelijke leven, van het Koninkrijk
der Hemelen, die harmonie en geen strijd betekent. Het is een pad dat
een mens altijd kan betreden en dat de mensheid in haar geheel eenmaal
zal moeten gaan volgen, al zullen er altijd zijn die, niet in staat
het ideaal te bereiken, gedurende een cyclus hun kans zullen missen
en op een volgende gelegenheid tot vooruitgang zullen moeten wachten.
Er is wel gezegd dat de leringen van de Bergrede onpraktisch zijn en
de ontbinding van de maatschappij tot gevolg zou hebben; maar zij houden
het ideaal voor en het is juist het hebben van een dergelijk ideaal
dat voorkomt dat de mens onder de last van zijn problemen bezwijkt.
Als wij beginnen orde te stellen op onze eigen zaken, verwerven we ons
wellicht die visie en kracht die nodig zijn om tot hervorming van de
maatschappij te komen. De Gulden Regel toont ons de weg tot de verwezenlijking
van de eenheid van alle levende wezens en dat komt vooral tot uitdrukking
in het gebod dat wij onze naaste moeten vergeven. Maar als dit alleen
zou betekenen dat we onze boosheid jegens hem onderdrukken en doorgaan
ons als zijn slachtoffer te beschouwen, hebben we de ware vergevingsgezindheid
nog niet bereikt. In het grotere beeld van het leven waar wij naar streven
en waarheen de Leraar de weg wijst, zullen we ontdekken dat onze naaste
in feite deel uitmaakt van ons eigen Zelf, en dan zullen alle gevoelens
van vijandigheid of strijd absurd blijken te zijn. In de duisternis
waarin wij nu verkeren, hebben we ten onrechte de eenheid in tweeën
gesplitst, waarvan de een de ander zou hebben benadeeld. Vergevensgezindheid
bestaat uit het opheffen van die illusie.
Deze Regel is het belangrijkste voorschrift
voor de discipel in ieder stelsel van godsdienst of filosofie, dat zich
zelfverwezenlijking ten doel stelt en dat de aspirant wijst op het Pad
van wijsheid en groei. Het kan ook niet anders, want het is zelfzucht
dat de mens bindt aan de illusies en frustraties van het sterfelijke
leven. Om daaraan te ontkomen is het nodig afstand te doen van deze
wet van zelfzucht ten behoeve van een hogere wet. Het is misschien goed
hieraan toe te voegen dat de strikte opvolging van die wet, zoals bijvoorbeeld
de Bergrede die aangeeft, te veel gevergd is van een gewoon mens. Maar
al moeten we misschien de hoge toppen overlaten aan de weinigen die
zich er tegen opgewassen voelen ze te beklimmen, zelfs de gewoonste
mens staat ieder moment tegenover de keus tussen een zelfzuchtig en
een onzelfzuchtig gedrag en moet kiezen tussen het een of het ander.
Als het ideaal hem voor ogen staat en hij de redelijkheid daarvan inziet,
zal hij in staat zijn de juiste richting te kiezen en bereidt hij zich
voor op wat hem in de toekomst te wachten staat. Want voor ieder moet
de dag aanbreken dat geschipper niet langer mogelijk is en dat hij definitief
moet kiezen welke weg hij wil inslaan. Nooit was het beoefenen van onzelfzuchtigheid
noodzakelijker dan nu en het zou voor ieder mens een hulp betekenen
als hij niet werd belemmerd door materialistische vorrnen van godsdienst
en wetenschap, die de nadruk leggen op de lagere aspecten van de menselijke
natuur.
DE IMMANENTE CHRISTUS
Dit betekent de Christus die in het hart van ieder mens woont, tegenover
de Christus die gekruisigd zou zijn. De leer van de inwonende Christus
wordt in de Evangeliën onderwezen en in de Brieven van Paulus, en
het is dus voor hen die emaar willen zoeken in de Bijbel en het Christendom
te vinden. Zij die de voorkeur geven aan de vermenselijkte kerkelijke
leer van de kruisiging van een bepaalde persoon zullen die bijbelse leringen
in figuurlijke zin moeten opvatten. Toch zou het fout zijn het Christendom
te beoordelen naar haar grofste vormen en het is waar dat vele verlichte
en ruimdenkende geestelijken deze leer van de inwonende Christus aanvaarden
en dat heel wat toegewijde Christenen dit min of meer benaderen. Er zijn
er velen voor wie het leven van Christus, zoals dat in de Evangeliën
wordt weergegeven, een ideaal betekent en een patroon waarnaar zij hebben
getracht hun leven te vormen. Heiligen en mystici hebben het tot grote
hoogte bereikt door overpeinzing van dit ideaal. Maar dat is niet genoeg.
Nog altijd bestaat de idee dat de mens een zwakkeling is, in zonde geboren,
die de verlossing verwacht voorbij het graf, en voor wie het aanmatigend
zou zijn te proberen Christus na te volgen. Maar in de oorspronkelijke
leer is de Christus de Goddelijke Geest die in het hart van ons wezen
huist, de Christus die is geofferd en begraven en in ons weer moet herrijzen.
Bepaalde grote leraren kunnen in zekere zin met de naam Christussen worden
aangeduid, daar zij een toestand van zelfverwerkelijking hebben bereikt
waarvan bij de meerderheid nog geen sprake is. Maar zij werpen zich niet
op als de enige zoon van God, maar tonen slechts hun leven als het patroon
dat door anderen kan worden gevolgd. Volgens de ware leer zijn wij allen
zonen van God op dezelfde wijze als Jezus dat was en wij kunnen inderdaad
bereiken wat hij heeft bereikt, zoals hijzelf belooft in zijn uitspraak:
"Ik zeg U, wie in Mij gelooft, de werken, die ik doe, zal hij ook
doen, en grotere nog dan deze, want Ik ga tot de Vader." - Joh.,
14:12
Deze inwonende Christus wordt
'De Zoon' genoemd en de Goddelijke Geest 'De Vader'.
". . . niemand kent de
Zoon dan de Vader; en niemand kent de Vader dan de Zoon en wie de Zoon
het wil openbaren." -Matth., 11:27
Op deze plaats willen we een aanhaling doen uit
Het Esoterisch Karakter van de Evangeliën van H.P. Blavatsky:
"De eerste sleutel die men moet gebruiken om de duistere geheimen
te ontwarren die besloten liggen in de mystieke naam van Christus, is
de sleutel die de deur ontsloot tot de oude mysteriën van de primitieve
Ariërs, Sabeeërs en Egyptenaren. De gnosis die door het christelijk
stelsel werd verdrongen was universeel. Het was de echo van de oorspronkelijke
wijsheid-religie die eens het erfdeel van de gehele mensheid was; en men
kan daarom naar waarheid zeggen dat de Geest van Christus (de goddelijke
logos), in zijn zuiver metafysisch aspect, in de mensheid aanwezig
was vanaf haar begin. De schrijver van de Clementijnse Homilieën
heeft gelijk; het mysterie van Christos - dat naar men nu veronderstelt,
door Jezus van Nazareth werd onderwezen "was identiek" met wat
van het begin af was doorgegeven "aan hen die waardig waren",
. . .
Deze en andere gebruikte termen hebben op allen betrekking die, zonder ingewijden te zijn, er met
eigen inspanning naar streven en erin slagen het leven te leiden
en de daar op natuurlijke wijze uit voortvloeiende verlichting bereiken
door hun persoonlijkheid - de ("Zoon") te verenigen met (de
"Vader"), hun individuele goddelijke Geest, de God in
hen."
Vergelijk dit met de Bijbel zelf:
"Of weet gij niet, dat
wij allen, die in Christus Jezus gedoopt zijn, in zijn dood gedoopt
zijn? Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat,
gelijk Christus uit de doden opgewekt is door de majesteit des Vaders,
zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen. Want indien wij
samengegroeid zijn met hetgeen gelijk is aan zijn dood, zullen wij het
ook zijn (met hetgeen gelijk is) aan zijn opstanding; dit weten wij
immers, dat onze oude mens medegekruisigd is, opdat aan het lichaam
der zonde zijn kracht zou ontnomen worden en wij niet langer slaven
der zonde zouden zijn; want wie gestorven is, is rechtens vrij van de
zonde. Indien wij dan met Christus gestorven zijn, geloven wij, dat
wij ook met Hem zullen leven. -Romeinen, 6:3 - 8
"De eerste mens is uit de aarde, stoffelijk,
de tweede mens is uit de hemel." - I Corinthiërs, 15:47
"Want evenals in Adam allen
sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden."
- I Corinthiërs, 15 :2 2
Adam betekent in het Hebreeuws
'aards'; het stelt de aardse natuur van de mens voor, maar de allegorie
is letterlijk opgevat; het type is veranderd in een werkelijk individueel
mens. Maar Paulus gebruikt het hier in de juiste symbolische betekenis.
Daartegenover staat de hemelse mens - Christus - het goddelijk deel
van de menselijke natuur. De ene is sterfelijk, de andere onsterfelijk.
Maar heeft dit betrekking op een toestand van volmaking na de dood?
Stellig niet, want, volgens deze leer kunnen wij het bereiken terwijl
wij op aarde zijn. De aarde is de plaats waar de mens werkt; hier leert
hij haar lessen en moet hij de overwinning over haar krachten behalen.
De toestand waarin we dat hebben bereikt en waarin wij ophouden dood
te zijn met Adam, en levend worden met Christus, wordt de Tweede Geboorte
genoemd. In Mattheüs 3:11 zegt Johannes de Doper:
"Ik doop U met water tot bekering, maar Hij, die na mij komt, is
sterker dan ik; ik ben niet waardig Hem zijn schoenen na te dragen; die
zal U dopen met de heilige Geest en met vuur."
Keren wij ons nu tot Johannes, waar een rabbi in het geheim naar Jezus
komt en vraagt wat er wordt bedoeld met het gezegde dat een mens opnieuw
moet worden geboren en ten antwoord krijgt (Joh. 3:3)
"tenzij iemand wederom geboren wordt, kan hij het Koninkrijk Gods
niet zien."
Kan iemand dan voor de tweede keer de moederschoot ingaan, vraagt Nicodémus
en hij krijgt ten antwoord:
"Tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk
Gods niet binnengaan. Wat uit het vlees geboren is, is vlees en wat uit
de Geest geboren is, is geest." (Joh.. 3:5 - 6)
Het heeft geen zin dit boekje
te overladen met aanhalingen, maar de veelvuldige verwijzingen naar
het Koninkrijk Gods (of der Hemelen) zijn bekend genoeg. Het is duidelijk
dat deze uitdrukking doelt op een toestand die voor de mens bereikbaar
is tijdens zijn verblijf op aarde en dat de gezegden in de Evangeliën,
waar zij oorspronkelijk ook vandaan komen, uitspraken zijn van een leraar
van de Oude Wijsheid. Men is ze gaan uitleggen alsof ze betrekking hebben
op een zegenrijke toestand na de dood, wat veel mensen niet erg aanspreekt
en niet past in het algemene schema dat wij afleiden uit onze kennis
van de natuur en het leven.
______________________________
Voetnoot:
1. Origenes leerde o.a. dat het gehele heelal
leeft en dat zelfs de sterren levende wezens zijn en een ziel bezitten.
Voorts zei hij dat belichaamde zielen zowel een voor-bestaan als een na-bestaan
moeten hebben. De zielen hebben voor de geboorte geleefd, zullen opnieuw
leven en zullen zich in verschillende volkeren belichamen. Zoals hij het
uitdrukte zullen zij de ene keer een Egyptenaar, een andere keer een Jood
zijn. Deze opvattingen van Origenes, naast een aantal andere, werden door
de Synode van Constantinopel als ketters verklaard.
Copyright © Het Theosofisch Genootschap, Pasadena