|
De Bijbel - II _________________ Waar de leer van Reïncarnatie en die van Karma
zo'n belangrijk deel uitmaken van de Oude Wijsheid waaruit alle godsdiensten
zijn voortgekomen, is het van belang na te gaan waarom er zo weinig
van te vinden is in het Christendom. De eenvoudige reden is dat ze er
uit zijn verwijderd. Wijlen Professor F.S. Darrow schreef: De Vader, de Zoon en de Heilige
Geest - drie Personen en toch maar één God. Dat is de
christelijke Drieeenheid, en er heeft een bittere strijd gewoed over
de ware aard van deze drieënige God en de relatie van de drie
Personen ten opzichte van elkaar. De hele christelijke wereld was
in de Romeinse tijd verdeeld door onverzoenlijke opvattingen wat betreft
de vraag of de Zoon één in wezen is met de Vader of
daarop gelijkend. Is de Zoon even eeuwig als de Vader of kwam hij
voort uit de Vader? Men beschuldigt de strijdende partijen er nogal
eens van een storm te ontketenen over nietigheden, maar dat is niet
billijk, omdat om een heel nietig punt van de symboliek zaken van
groot belang kunnen draaien en dit geloofsverschil was het teken van
onderscheid tussen twee groeperingen van Christenen, die in het algemeen
vijandig tegenover elkaar stonden. Waarom werd de Godheid voorgesteld
als Drie-inéén? Het is als een formele Ieer niet in
het Nieuwe Testament te vinden. Zij werd opgesteld door kerkelijke
concilies die vorm gaven aan de leer en de gebruikte termen zijn niet
bijbels. Eenmaal geformuleerd kon zij worden verdedigd door verwijzing
naar het Nieuwe Testament.
HET KRUIS . . . en Hij, Zelf zijn kruis dragende, ging naar de zogenaamde Schedelplaats.... waar zij Hem kruisigden." - Joh., 19:17-18 "Want het woord des kruises is wel voor hen, die verloren gaan, een dwaasheid, maar voor ons, die behouden worden, is het een kracht Gods." - I Cor., 1:18 "Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme zijn kruis op en volge Mij." - Matth., 16:24 Dit zijn typische voorbeelden
van het gebruik van het woord 'kruis' in het Nieuwe Testament; het
stelt de paal voor die bij de kruisiging werd gebruikt, of de christelijke
leer, of een last of offer. Dit heilige symbool van het Christendom
is een blijvende herinnering aan de belangrijkste leer dat Christus
voor onze zonden stierf, waardoor wij werden gered. Ook wordt het
gebruikt voor de dagelijkse last die wij op ons nemen als we onze
persoonlijke wil opofferen aan ons geloof. Maar het kruis is een universeel
religieus en filosofisch symbool, dat men aantreft in plaatsen zover
weg als Palenque in Mexico, India en Tibet. Het is algemeen bekend
in de Egyptische symboliek en in die van het Hindoeïsme. Het
is een embleem dat in de heilige Mysteriën van het oude Griekenland
werd gebruikt. Dr. Lundy zegt in zijn boek Monumental Christianity
dat "de Joden zelf dit teken van redding erkenden totdat zij
Christus verwierpen," en hij spreekt over een Hindoes beeldhouwwerk
van oude datum, een menselijke figuur aan een kruis, met spijker-littekens
aan handen en voeten - een voor-christelijk crucifix in feite.
DE MYSTERIËN In het oude Griekenland bestonden
de Mysteriën van Eleusis en andere minder bekende Mysteriescholen,
waar kandidaten voor inwijding werden ontvangen. Dergelijke scholen
waren ook in Egypte, India en verscheidene andere plaatsen en er
is vastgesteld dat er verbindingen bestonden tussen de scholen in
deze verschillende plaatsen en dat zij een uniforme leer onderwezen.
Dit was de Geheime Leer of de Wijsheid-Godsdienst, waarvan de theosofie
de modeme vertegenwoordigster is. Daar de mens in wezen goddelijk
is en via de evolutie een rechtstreekse afstammeling van goddelijke
wezens, is het voor hem mogelijk de latente geestelijke vermogens
in hem op te wekken. Dit wordt het Pad van Wijsheid genoemd en is
in feite de Verlossing, in de ware zin van dat woord. De Evangeliën
bevatten voldoende aanwijzingen dat de Leraar wiens woorden daarin
zijn opgenomen, zich bewust was van het bestaan van dit Pad en wilde
dat zijn discipelen dit zouden volgen. Hij noemt het het Koninkrijk
Gods. Ook wordt er vermeld dat hij zijn discipelen geheim onderricht
gaf, naast wat hij de menigte leerde. Ten tijde van de christelijke
era bestonden er nog enkele van deze Mysterie-scholen in Egypte
en delen van Azië en de invloed ervan blijkt duidelijk uit
de leringen van de Gnostici, de Neo-Platonisten en anderen, waaronder
het Christendom zich ontwikkelde. Het proces van het selecteren
en het verzamelen, wat resulteerde in de canonieke Evangeliën,
maakte dat enkele uittreksels uit die leringen werden opgenomen
en in de mond werden gelegd van de Leraar, Jezus genaamd.
Uit de Evangelieverhalen en
uit wat de geschiedenis ons vertelt, kunnen we opmaken dat er onder
de eerste Christenen een wijdverspreid en vaak vast geloof leefde
dat Christus werkelijk in het vlees zou weerkeren en wel heel gauw,
om het kwaad te vernietigen en een rijk van rechtvaardigen op aarde
te stichten. Deze gedachte hield verband met het verval van het Romeinse
rijk, dat doorging voor de kwade heerschappij die Christus omver zou
werpen en het is geen wonder dat deze Christenen de afgunst opwekten
van de Romeinse heersers.
Deze wordt vaak aangehaald als iets kenmerkends voor het Christendom, maar het is bekend dat hij in alle andere godsdiensten voorkomt. Om hiervan een voorbeeld te geven citeren we uit Mens, Vonk der Eeuwigheid van James A. Long: "Bij de Indianen: Grote Geest, geef dat ik mijn buurman niet beoordeel voor ik een mijl in zijn moccasins heb gelopen. In het Boeddhisme: Op vijf manieren behoort een lid van een stam zijn vrienden en bekenden van dienst te zijn - met edelmoedigheid, hoffelijkheid, welwillendheid, door hen te behandelen zoals hij zichzelf behandelt, en zijn woord gestand te doen. Christendom: Alles nu wat gij wilt dat U de mensen doen, doet gij hen ook aldus, want dit is de wet en de profeten. Confucianisme: "Is er enig woord", vroeg Tzû Kung, "dat als blijvende leefregel kan dienen?" De Meester antwoordde: "Is Sympathie niet dat woord? Doe niet aan anderen wat U voor Uzelf niet wenst." Griekse Filosofie:
Doe niet aan anderen wat Uzelf niet wenst te ondergaan. - Isocrates Hindoeïsme: Men moet zich jegens anderen niet gedragen op een manier, die ons onaangenaam zou zijn. Dit is het wezen van de plicht (dharma). Al het overige komt voort uit zelfzuchtig begeren. Islam: Niemand Uwer is een gelovige voordat hij zijn broeder toewenst wat hij voor zichzelf wenst. Joodse Leer: Gij zult Uw broeder niet haten in Uw hart: . . . maar gij zult Uw naaste liefhebben als Uzelf. Zoroastrianisme: Alleen dat karakter is goed, dat anderen niet aan doet wat niet goed is voor hemzelf." blz. 61 - 62 Voor een theosoof is het meer
dan een louter moreel gebod. Het is een noodzakelijke wet van de menselijke
natuur. Want de mens, die in wezen goddelijk is maar is vervreemd
van de kennis van zijn eigen goddelijkheid, moet die weer herwinnen.
Zijn grote obstakel is eigenliefde; daarom kan hij zijn verloren koninkrijk
alleen herwinnen door die eigenliefde te boven te komen. Hij moet
leren hoe uit een onpersoonlijk motief te handelen. Het is dan ook
duidelijk dat gedachten aan de vooruitgang van het eigen ik, aan het
verwerven van occulte vermogens ten eigen bate, of zelfs de wens zelf
heilig te worden, nooit genoeg zullen zijn, omdat het toegeven aan
dergelijke verlangens slechts de vijand versterkt die we willen overwinnen.
Een zwakke persoonlijkheid verwisselen voor een sterke kan het antwoord
niet zijn. Een groot deel van ons dagelijks leven wordt in beslag
genomen door handelingen waarin van eigenliefde geen sprake is - onbaatzuchtige
handelingen die worden ingegeven door een waarachtig verlangen iemand
of anderen te dienen. Misschien zijn we getuige geweest van leed dat
wij anderen door een of andere zelfzuchtige daad hebben berokkend
en hebben we, in een gevoel van spijt daarover, ons voorgenomen zoiets
in de toekomst niet weer te doen, welk besluit niet werd ingegeven
door gedachten aan eigen voordeel, maar uitsluitend door het verlangen
anderen geen onrecht meer aan te doen. Het motief dat in die gevallen
werkt is Liefde - geen aan hartstocht verbonden liefde, maar zuivere
onpersoonlijke liefde. Dat is een kosmische kracht. Zij werkt in de
dierenwereld, want wat wij zo kleinerend 'instinct' noemen, is in
feite de zuivere en eenvoudige manifestatie van een grote kosmische
kracht, die het dier ertoe leidt zich voor zijn kroost op te offeren,
en de hond om zonder aarzelen voor zijn meester te sterven. De Leraar
in de Evangeliën houdt het eenvoudige hoog, de dieren, de vogels,
de leliën des velds en de kinderen. Ook wij voelen ons daartoe
vaak geneigd, na ervaringen van menselijke zelfzucht.
Dit betekent de Christus die in het hart van ieder mens woont, tegenover de Christus die gekruisigd zou zijn. De leer van de inwonende Christus wordt in de Evangeliën onderwezen en in de Brieven van Paulus, en het is dus voor hen die emaar willen zoeken in de Bijbel en het Christendom te vinden. Zij die de voorkeur geven aan de vermenselijkte kerkelijke leer van de kruisiging van een bepaalde persoon zullen die bijbelse leringen in figuurlijke zin moeten opvatten. Toch zou het fout zijn het Christendom te beoordelen naar haar grofste vormen en het is waar dat vele verlichte en ruimdenkende geestelijken deze leer van de inwonende Christus aanvaarden en dat heel wat toegewijde Christenen dit min of meer benaderen. Er zijn er velen voor wie het leven van Christus, zoals dat in de Evangeliën wordt weergegeven, een ideaal betekent en een patroon waarnaar zij hebben getracht hun leven te vormen. Heiligen en mystici hebben het tot grote hoogte bereikt door overpeinzing van dit ideaal. Maar dat is niet genoeg. Nog altijd bestaat de idee dat de mens een zwakkeling is, in zonde geboren, die de verlossing verwacht voorbij het graf, en voor wie het aanmatigend zou zijn te proberen Christus na te volgen. Maar in de oorspronkelijke leer is de Christus de Goddelijke Geest die in het hart van ons wezen huist, de Christus die is geofferd en begraven en in ons weer moet herrijzen. Bepaalde grote leraren kunnen in zekere zin met de naam Christussen worden aangeduid, daar zij een toestand van zelfverwerkelijking hebben bereikt waarvan bij de meerderheid nog geen sprake is. Maar zij werpen zich niet op als de enige zoon van God, maar tonen slechts hun leven als het patroon dat door anderen kan worden gevolgd. Volgens de ware leer zijn wij allen zonen van God op dezelfde wijze als Jezus dat was en wij kunnen inderdaad bereiken wat hij heeft bereikt, zoals hijzelf belooft in zijn uitspraak: "Ik zeg U, wie in Mij gelooft, de werken, die ik doe, zal hij ook doen, en grotere nog dan deze, want Ik ga tot de Vader." - Joh., 14:12 Deze inwonende Christus wordt 'De Zoon' genoemd en de Goddelijke Geest 'De Vader'. ". . . niemand kent de Zoon dan de Vader; en niemand kent de Vader dan de Zoon en wie de Zoon het wil openbaren." -Matth., 11:27 Op deze plaats willen we een
aanhaling doen uit Het Esoterisch Karakter van de Evangeliën
van H.P. Blavatsky: Deze en andere gebruikte termen hebben op allen betrekking die, zonder ingewijden te zijn, er met eigen inspanning naar streven en erin slagen het leven te leiden en de daar op natuurlijke wijze uit voortvloeiende verlichting bereiken door hun persoonlijkheid - de ("Zoon") te verenigen met (de "Vader"), hun individuele goddelijke Geest, de God in hen." Vergelijk dit met de Bijbel zelf: "Of weet gij niet, dat wij allen, die in Christus Jezus gedoopt zijn, in zijn dood gedoopt zijn? Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, gelijk Christus uit de doden opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen. Want indien wij samengegroeid zijn met hetgeen gelijk is aan zijn dood, zullen wij het ook zijn (met hetgeen gelijk is) aan zijn opstanding; dit weten wij immers, dat onze oude mens medegekruisigd is, opdat aan het lichaam der zonde zijn kracht zou ontnomen worden en wij niet langer slaven der zonde zouden zijn; want wie gestorven is, is rechtens vrij van de zonde. Indien wij dan met Christus gestorven zijn, geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven. -Romeinen, 6:3 - 8 "De eerste mens is uit de aarde, stoffelijk, de tweede mens is uit de hemel." - I Corinthiërs, 15:47 "Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden." - I Corinthiërs, 15 :2 2 Adam betekent in het Hebreeuws 'aards'; het stelt de aardse natuur van de mens voor, maar de allegorie is letterlijk opgevat; het type is veranderd in een werkelijk individueel mens. Maar Paulus gebruikt het hier in de juiste symbolische betekenis. Daartegenover staat de hemelse mens - Christus - het goddelijk deel van de menselijke natuur. De ene is sterfelijk, de andere onsterfelijk. Maar heeft dit betrekking op een toestand van volmaking na de dood? Stellig niet, want, volgens deze leer kunnen wij het bereiken terwijl wij op aarde zijn. De aarde is de plaats waar de mens werkt; hier leert hij haar lessen en moet hij de overwinning over haar krachten behalen. De toestand waarin we dat hebben bereikt en waarin wij ophouden dood te zijn met Adam, en levend worden met Christus, wordt de Tweede Geboorte genoemd. In Mattheüs 3:11 zegt Johannes de Doper: "Ik doop U met water tot bekering, maar Hij, die na mij komt, is sterker dan ik; ik ben niet waardig Hem zijn schoenen na te dragen; die zal U dopen met de heilige Geest en met vuur." Keren wij ons nu tot Johannes, waar een rabbi in het geheim naar Jezus komt en vraagt wat er wordt bedoeld met het gezegde dat een mens opnieuw moet worden geboren en ten antwoord krijgt (Joh. 3:3) "tenzij iemand wederom geboren wordt, kan hij het Koninkrijk Gods niet zien." Kan iemand dan voor de tweede keer de moederschoot ingaan, vraagt Nicodémus en hij krijgt ten antwoord: "Tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk Gods niet binnengaan. Wat uit het vlees geboren is, is vlees en wat uit de Geest geboren is, is geest." (Joh.. 3:5 - 6) Het heeft geen zin dit boekje te overladen met aanhalingen, maar de veelvuldige verwijzingen naar het Koninkrijk Gods (of der Hemelen) zijn bekend genoeg. Het is duidelijk dat deze uitdrukking doelt op een toestand die voor de mens bereikbaar is tijdens zijn verblijf op aarde en dat de gezegden in de Evangeliën, waar zij oorspronkelijk ook vandaan komen, uitspraken zijn van een leraar van de Oude Wijsheid. Men is ze gaan uitleggen alsof ze betrekking hebben op een zegenrijke toestand na de dood, wat veel mensen niet erg aanspreekt en niet past in het algemene schema dat wij afleiden uit onze kennis van de natuur en het leven. ______________________________ Voetnoot:
1. Origenes
leerde o.a. dat het gehele heelal leeft en dat zelfs de sterren levende
wezens zijn en een ziel bezitten. Voorts zei hij dat belichaamde zielen
zowel een voor-bestaan als een na-bestaan moeten hebben. De zielen
hebben voor de geboorte geleefd, zullen opnieuw leven en zullen zich
in verschillende volkeren belichamen. Zoals hij het uitdrukte zullen
zij de ene keer een Egyptenaar, een andere keer een Jood zijn. Deze
opvattingen van Origenes, naast een aantal andere, werden door de
Synode van Constantinopel als ketters verklaard. |