De geschiedenis van Jezus - een mysterieverhaal

    _________________

    De hele geschiedenis van Jezus is een mysterieverhaal, dat in dramatische vorm bepaalde, heel belangrijke gebeurtenissen beschrijft, die plaatsgrepen in inwijdingskamers of crypten. De gelijkenissen die dit mysterieverhaal bevat, hebben betrekking op zekere fundamentele leringen die aan de neofieten op zulke momenten werden meegedeeld. De studie van het leven van grote zieners en wijzen uit het verleden onthult een min of meer gelijke verwarring van denkbeelden en omstandigheden als in het verhaal van Jezus is waar te nemen. De namen van de meeste, zo niet van al deze wijzen zijn gehuld in allegorieën en symbolen; er zijn mythen over hen verteld en in enkele gevallen wordt er van hen gezegd dat zij geboren zijn uit een maagd of op een andere geheimzinnige wijze, dat zij hebben geleefd en onderwezen en de mensen hebben getroffen door de wonderen die zij verrichtten. Als zij hun prediking hadden beëindigd gingen zij tenslotte op een of andere geheimzinnige wijze weer heen. Daar de inwijdingscyclus in het geval van de individuele mens eenvoudig een kopie is van de grootse kringloop van het kosmisch bestaan, geeft ook het Nieuwe Testament, behalve dat het een verhuld verhaal is uit de inwijdingscrypte, in zijn symbolische allegorie een beeld van de belichaming van de kosmische geest in het materiële bestaan.
         Elk land had zijn scholen van inwijding, zijn scholen van de grote mysteriën, die streng werden bewaakt en zeer geheim werden gehouden. Het was in die dagen de gewoonte een groot mens te kiezen die de mensheid had onderwezen, en om die persoon een web van symbolische leringen te weven die vertelden wat er in de inwijdingskamer plaatsvond, maar op een dusdanige manier dat gewone mensen die het lazen, het niet konden begrijpen maar wel tot geestelijke dingen werden aangetrokken. Dat gebeurde ook in het geval van Jezus. De verhalen uit de vier evangelieboeken zijn dan ook niet geschreven als een historische maar als een symbolische waarheid. 'Christos' is een Grieks woord dat betekent iemand die gezalfd is. Dit doelt rechtstreeks op wat er tijdens de viering van de oude mysteriën gebeurde. Unctie of zalving was een van de handelingen die tijdens het verloop van de plechtigheden van de oude mysteriën in de landen om de Middellandse Zee werden verricht. Het Hebreeuwse woord voor een gezalfde is Mâshîahh, dat precies hetzelfde betekent als het Griekse woord 'Christos', de 'Gezalfde'. Het is natuurlijk algemeen bekend dat de Joden toen reeds de komst van hun 'Messias' verwachtten en dat nog steeds doen. Ons woord Messias is van het Hebreeuwse woord Mâshîahh afgeleid. Deze mystieke zinspeling in dit oude Joodse geloof is identiek aan de mystieke en esoterische betekenis van het woord Christos als het met betrekking tot de inwijdings-cyclus wordt gebruikt. Volgens het verhaal kwam Jezus Jeruzalem binnenrijden op een ezel en het veulen van een ezel en daarop begon zijn levenswerk in het aardse Jeruzalem - het stoffelijke bestaan dat, volgens de legende, leidde tot zijn gevangenneming, zijn verhoor voor de Romeinse Proconsul Pontius Pilatus, en zijn dood. In de oosterse cyclus van het Midden Oosten werd de planeet Saturnus vaak op mystieke wijze aangeduid met het woord 'ezel' of anders gezegd, de ezel stelde in de mystieke symboliek die planeet voor. Volgens een overeenkomstige mystieke symboliek was het 'veulen van de ezel' deze Aarde, omdat de oude zieners zeiden dat deze stoffelijke aardbol onder de rechtstreekse vormende invloed van de planeet Saturnus stond. Verder vinden de cyclische omzwervingen van de monade plaats strikt volgens de wetten en de orde in het zonnestelsel, en langs vaste wegen van de ene planeet naar de andere; en het aardse Jeruzalem was volgens de Joodse symboliek de Aarde, zoals het hemelse Jeruzalem volgens de christelijke symboliek het bestaan betekende in geestelijke sferen en het doel dat de mens in zijn evolutie kan bereiken. De geestelijke ziel rijdt 'Jeruzalem' binnen, het materiële bestaan, op een ezel, waarmee Saturnus wordt bedoeld, en het veulen van een ezel, wat de aarde betekent. De Monade, de Christusgeest, die aldus in de stof afdaalt, wordt gekruisigd op het kruis van de stof, dat wil zeggen dat hij wordt verraden en gekruisigd, waarmee de Platonische voorstelling van de ouden wordt gevolgd. We moeten niet bij elke regel die we in deze christelijke geschriften lezen denken, dat het om een feitelijk, historisch en stoffelijk gebeuren gaat. Iedere belangrijke gedachte uit de christelijke geschriften is allegorisch en heeft rechtstreeks betrekking op de inwijdingscyclus en op enkele leringen die tijdens de inwijdingsceremonieën werden onderwezen.
         Laten we nu overgaan tot een belangrijk aspect van de mystieke geschiedenis van Jezus. U zult zich één scène herinneren in de christelijke geschriften die in alle vier Evangeliën op verschillende wijze is vermeld en die zegt dat Jezus, na te zijn verraden en voor Pilatus te zijn gebracht, de onbewuste hulde van die Romeinse ambtenaar ontving: "Ik zie geen schuld in deze mens." Maar daar het de gewoonte in die tijd was, zo zegt het christelijk verhaal, aan de Joden op het Paasfeest een politieke gevangene vrij te geven, zou Pilatus tot de beschuldigers van Jezus hebben gezegd: "Wie wilt gij dat ik U zal loslaten, Barabbas of Jezus, die Christus wordt genoemd?" En zij zeiden "Barabbas". Dit is een zeer interessant en belangrijk punt in het verhaal. In sommige oude manuscripten van het Nieuwe Testament wordt de volledige naam van de misdadiger Barabbas gegeven als Jezus Barabbas. Nu betekent Jezus 'Redder' en Barabbas is een samengesteld woord dat betekent 'zoon van de vader'. Als we verder bedenken dat de naam van de christelijke Heiland Jezus is en dat hij ook dikwijls op vage wijze wordt aangeduid als de zoon van een goddelijke vader, dan vinden we veel belangwekkends in deze mystieke feiten. "Wie wilt gij dat ik U zal loslaten: Jezus, zoon van de vader of Jezus die ge de Gezalfde noemt?" We hebben hier dus twee Jezussen, twee 'redders'. Dus: Wie wilt ge (volgens de esoterische weergave) dat ik U zal vrijlaten, al heeft hij Uw door mensen gemaakte wetten geschonden? Jezus, de zoon van de vader - het lagere deel van een menselijk wezen - of Jezus de door de heilige Geest gezalfde? En volgens de legende was het antwoord: Barabbas. Geef ons de mens Barabbas.
         Laten we nu iets verder gaan met ons mystieke verhaal. De hele geschiedenis van Jezus, zoals die in het Nieuwe Testament voorkomt, is een esoterisch of mystiek verhaal dat in mystieke vorm vertelt wat er plaatsvond in de inwijdingskamer, en inwijding betekende het sterven van de lagere mens opdat de hogere natuur van de neofiet daarna kon worden bevrijd. Verder dat de kandidaat, na beëindiging van zijn drie dagen durende inwijdingsbeproeving, als 'gezalfde' te voorschijn kon treden of als iemand die de unctie of zalving in de mysteriën had ontvangen. Zij namen Barabbas, Jezus Barabbas, het laagste deel van de mens, gezien als menselijk wezen en zij kruisigden de innerlijke godheid, niet de kruisiging die de Romeinen als straf gebruikten door iemand op te hangen aan een stoffelijk kruis totdat de dood zich over hem ontfermde. Maar zij legden de neofiet op een kruisvormige bank, een bed in de vorm van een kruis en daarop lag hij drie dagen en nachten in trance om daarna op te staan als een Messias, een Christos, een gezalfde. Denk ook aan het christelijke verhaal dat Jezus drie dagen na de kruisiging uit het graf verrees, wat op het christelijk Paasfeest wordt herdacht. Al deze uitdrukkingen zijn esoterisch, stuk voor stuk.
         Volgens het Evangelie van Mattheus (15:24) zou Jezus hebben gezegd: "Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis Israëls." Wat betekent dit Hebreeuwse woord Israël? De juiste Hebreeuwse spelling is Yisrâêl een woord dat stamt van de Hebreeuwse werkwoordswortel sârâh, wat betekent 'heersen', 'regeren', 'bevelen', en in een bepaald verband ook 'worstelen om te bereiken'. Bijgevolg werd de uitdrukking bnêi Yisrâêl die de zonen van Israël betekent, in precies dezelfde zin gebruikt als waarin de Hindoes spraken over de 'arya's', wat betekent de edelen, de verhevenen, de voortreffelijken, de heersers, in tegenstelling tot de mlechchha's of de minderen of verworpenen; en ook in precies dezelfde zin waarin de Grieken spraken over de aristoi, de aristocraten, niet aristocraten in de moderne maatschappelijke zin, maarmensen die in hart en ziel aristocraten waren en die door een natuurlijke evolutie tot betere wezens, ontwikkelden, superieuren, grote mensen waren geworden, ongeacht hun stoffelijke geboorte. En zoals de hindoes spraken over de mlechchha's, spraken de Grieken over de barbaroi, barbaren. Op soortgelijke wijze spraken de joden over allen die geen bnêi Yisrâêl waren als buitenstaanders of heidenen enz. Jezus zegt dat hij kwam om de 'verloren schapen' van Israël te onderrichten, wat in mystieke zin betekent hen die van nature gereed zijn voor en in staat tot esoterische scholing, maar die nog niet hebben ontvangen en dus in de buitenste duisternis van het stoffelijk bestaan zwerven.
         Het feit dat de geschiedenis van Jezus een inwijdingsverhaal is, verklaart de inconsequenties en moeilijkheden, de tegenstrijdigheden en de verschillende lezingen van de geschriften die nog bestaan. Dit mystieke en esoterische verhaal is zeer belangwekkend en boeiend, want het is in feite een verhaal rondom de figuur van een groot ziener en wijze. Want Jezus als mens was geheel verschillend van de esoterische of mystieke of mysterie-figuur die we kennen als de Jezus uit de Schrift, een ideale figuur, voorgesteld als iemand die als het ware goddelijkheid heeft bereikt door de inwijdingsriten, die toen in Palestina gebruikelijk waren en die daardoor een 'zoon van de geestelijke zon', een zoon van Vader Zon was geworden.
         We zouden de mensen kunnen verdelen in twee groepen: ten eerste degenen die geestelijk 'dood' zijn, hoewel levend in het lichaam, de 'levend doden' zoals Pythagoras hen terecht noemde en ten tweede, de 'zonen van Israël', met andere woorden de van nature geboren geestelijke leiders van de mensen, of die dat door inwijding werden. Laten wij tevens bedenken dat, zoals de hindoes en de Grieken, de arya's en de aristocraten, ongetwijfeld gedeeltelijk uit rassentrots van zichzelf spraken als van superieure wezens, ook de joden op precies dezelfde wijze en ongetwijfeld met dezelfde motieven meestal van zichzelf spraken als de typische bnêi Yisrâêl, de 'zonen van Israël', de natuurlijke heersers of meerderen van anderen. Trots en vooroordeel, berustend op ras en nationaliteit zijn een psychologisch verschijnsel, dat we in de geschiedenis van ieder volk of ras kunnen waarnemen en dat ook nu nog bestaat als de dwaze en blinde raciale of nationale trots en vooroordelen, waarmee we allen helaas zo goed bekend zijn.

    Inhoud


    © 1990 Theosophical University Press Agency