| Het kruisigingsmysterie
De speerstoot en het kruiswoord
_________________
De kruisiging was één van de stadia van
de oude ceremoniële ritus. De in trance verkerende neofiet werd
met uitgespreide armen op een kruisvormige bank gelegd. Gedurende drie
dagen en nachten, soms langer, zes of zelfs negen dagen en nachten trok
de geest van de neofiet door de sferen van het kosmische bestaan en
leerde zo uit de eerste hand de mysteriën van het heelal. Er is
inderdaad een manier om de menselijke geest los te maken van de boeien
en ketenen van zijn lager ik, zodat hij vrij, als een pelgrim van planeet
en van planeet naar de zon kan trekken, voor hij in zijn aardse lichaam
terugkeert dat hij tijdelijk had verlaten.
Hierover komt een buitengewoon interessante,
suggestieve passage voor in één van de Scandinavische
Edda's, in wat bekend staat als Odin's Runezang. Deze luidt als volgt:
"Ik weet dat ik hing aan een boom, door
de wind geschud, negen nachten lang,
Gewond door een speer en aan Odin geofferd - mijzelf aan mijzelf, Aan
die boom, waarvan niemand weet aan welke wortel hij ontspringt."
In enkele regels geeft deze passage uit de
Edda een buitengewoon interessante lezing van het 'kruisigings'mysterie.
Ook de woorden 'hing aan een boom' zijn zeer suggestief, omdat deze
zelfde uitdrukking in vroegchristelijke geschriften dikwijls werd gebruikt
in de betekenis van 'aan het kruis hangen'. In dit Scandinavische mystieke
verhaal is de 'boom' klaarblijkelijk de kosmische boom, een mystieke
uitdrukking voor het belichaamde heelal. Bij vele oude volken werd het
heelal symbolisch afgebeeld of voorgesteld als een boom, waarvan de
wortels aan het goddelijk hart der dingen ontsproten. De stam, de takken,
de twijgen en de bladeren waren de verschillende gebieden, werelden
en sferen van de kosmos. De vrucht van deze kosmische boom bevatte het
zaad voor toekomstige 'bomen', waarmee entiteiten worden bedoeld, die
door evolutie het einde van hun evolutiereis hadden bereikt, zoals mensen
en goden, zelf heelallen in het klein en bestemd om in de toekomst kosmische
entiteiten te worden, wanneer het wentelend rad van de tijd op zijn
majestueuze rondgang eeuwigheden zal hebben afgelegd. Deze Scandinavische
versie van de kosmische kruisiging, die ook door Plato in Griekse vorm
wordt vermeld, heeft betrekking op de kosmische logos, die 'gekruisigd'
is in en aan de kosmische Wereldboom, waarvan diezelfde logos de vitale
en intellectuele geest is. Alle inwijding schildert de mystieke structuur,
de werkingen en de geheimen van het verborgen heelal, zoals die tot
uitdrukking komen in de handelingen en woorden van de Meester Inwijder
en de neofiet, voorzover die door riten en symbolen kunnen worden geïllustreerd.
De 'speerstoot' was een van de onderdelen van
de inwijdingsritus of -ceremonie, die zijn eigen speciale betekenis
had, maar het was geen fysieke daad die een lichamelijke wond veroorzaakte.
In enkele inwijdingsceremonieën werd in plaats van een speer, een
ander instrument in de symbolische ritus gebruikt, zoals een dolk; maar
de fundamentele betekenis was in beide gevallen dezelfde, en wel deze,
dat de mens zijn lagere persoonlijkheid opgaf als een offer, opdat de
kracht en invloed van de innerlijke god vrij door de gehele constitutie
van de mens kon stromen, als hij de 'kamer van licht' verliet, nadat
de inwijding was voltooid. De speerstoot betekende het sterven van de
persoonlijke mens, zodat de innerlijke geestelijke mens van zijn kluisters
kon worden bevrijd. De laatste woorden die aan het kruis werden gesproken,
vindt men in de eerste twee Evangeliën, in Mattheus hoofdstuk 27
vers 46 en in Marcus, hoofdstuk 15 vers 34: 'Eli, Eli, lama sabachtani
' ( ).
Deze woorden zijn in het Nieuwe Testament in
het Grieks vertaald en als volgt in het Nederlands overgezet: "Mijn
God! Mijn God! Waarom hebt gij mij verlaten?" De vertaling in het
Grieks is onjuist en bijgevolg ook de Nederlandse vertaling van het
Grieks. De oorspronkelijke Hebreeuwse tekst betekent: "Mijn God!
Mijn God! Hoe hebt gij mij verheerlijkt!" Het zijn goed Hebreeuwse,
oude Hebreeuwse woorden en het werkwoord sabach (voetnoot
1) betekent 'verheerlijken' en beslist niet 'verlaten'.
Maar in de tweeëntwintigste Psalm van het Oude Testament staan
in het eerste vers de volgende woorden in de oorspronkelijke tekst:
Eli, Eli, lama 'azabtani' ( ), die betekenen:
"Mijn God! Mijn God! Waarom hebt gij mij verlaten?" Dit bewijst
dat de christelijke geschriften in symbolische vorm en mystieke zinspelingen
zijn geschreven. Maar waarom in 's hemelsnaam zouden de schrijvers van
deze twee Evangeliën goed Hebreeuwse woorden gebruiken en er toch
een geheel verkeerde vertaling van geven? Omdat het de bedoeling was
de waarheid te verbergen en toch de waarheid te vertellen, wat typerend
is voor de mystieke atmosfeer en manier van doen van de ouden als het
om de mysteriën ging.
Zowel de oorspronkelijke Hebreeuwse betekenis
als de verkeerde Griekse vertaling zijn juist, als ze goed worden begrepen.
De persoonlijke mens roept altijd, als hij sterft: "Mijn God! Waarom
hebt Gij mij verlaten om stof te worden?" Maar het hogere, edeler
deel van de mens, de innerlijke geestelijke mens roept met een kreet
van vreugde uit: "Mijn God! Mijn God! Hoe verheerlijkt Gij mij!"
Dit laatste was een nauwkeurige weergave van de werkelijke reactie van
de neofiet op het ogenblik dat hij tijdens de inwijding verheerlijkt
werd. Het was de symbolische kreet van elke neofiet die door de leraar
in een grootser leven werd ingewijd. Voor hem die weet hoe het gelezen
moet worden is het tevens een bewijs van het symbolische karakter van
de geschriften van de christelijke evangeliën. Er is veel verwarring
wat de betekenis betreft, maar die verwarring is opzettelijk en had
ten doel ervoor te zorgen dat de werkelijke innerlijke leer niet in
het bezit kwam van elke nieuwsgierige die het onder ogen kreeg en probeerde
te lezen. Zij bevatten juist voldoende mystieke en suggestieve gedachten
om een prikkel te zijn voor diegenen, wier innerlijk karakter, wier
innerlijk wezen was begonnen te ontwaken, zodat bij het lezen van deze
dingen, deze vreemde verschillen en tegenstrijdigheden, hun belangstelling
zou worden gewekt en zij naar de tempeldeur zouden komen en 'kloppen',
op de juiste wijze zouden 'kloppen' en binnen zouden gaan.
Men moet wel begrijpen dat deze inwijdingen
ook nu nog plaatsvinden en wel op een bepaalde tijd van het jaar. Wanneer
deze inwijdingen geschieden is de neofiet, die de ritus met goed gevolg
heeft doorstaan en die in zijn menszijn het goddelijke heeft bereikt,
in zo'n verheven en extatische toestand, dat het gehele geestelijke
wezen van de mens als het ware antwoordt met een kreet van vreugde:
"O! Mijn God in mij! Mijn godheid in de kern van mijn wezen, hoe
verheerlijkt gij mij!", dezelfde woorden die door Jezus aan het
kruis zouden zijn gebruikt.
Jezus de Christus was iemand die op de kruisvormige
bank werd gelegd, waarover ik sprak, en die de beproeving met goed gevolg
doorstond. Na drie dagen stond hij als een Christus op uit 'de doden',
wat de werkelijke betekenis is van de uitdrukking - niet uit de dood.
De Christus in hem had zich toen geopenbaard. Dit laatste en hoogste
stadium van de inwijding bracht de innerlijke god te voorschijn, zodat
hij zijn medemensen onderwees als één die gezag had, want
hij sprak uit de bron van waarheid die in hemzelf opwelde. Die bron
van waarheid is het pad van het geestelijke zelf, dat onze schakel met
het heelal is: het pad dat meer en meer naar binnen voert, steeds dieper
en dieper binnenwaarts, totdat wij onze eenheid beseffen met het werkelijke
hart van het heelal. Ieder mens is in zijn geestelijke natuur een onafscheidelijk
deel van het heelal. Hoe zou het anders kunnen? Wij kunnen niet buiten
het heelal leven. Wij zijn er een deel van. En dat is het wat de oude
wijzen van Hindoestan leerden toen zij over atman of het geestelijk-goddelijk
Zelf spraken. Zij zeiden: Atmânam âtmanâ pasya.
(voetnoot 2) Zij zeiden:
"Zie het Zelf door middel van het zelf": dat wil zeggen, begrijp
de godheid door middel van de godheid in u. Want er is geen andere mogelijkheid
het goddelijke te begrijpen dan door uw eigen goddelijke deel. Begrijpt
het varken de man die hem hoedt? Nee, want het varken heeft het menselijke
stadium niet bereikt. Maar de mens begrijpt de mens en door middel van
de god in hem begrijpt de mens het goddelijke. Grootheid herkent grootheid.
Genie antwoordt op de stem van het genie. Het goddelijke herkent het
goddelijke.
Wanneer men eenmaal dit innerlijke pad volgt
naar zijn eigen goddelijk wezen, komt men tot het besef dat wij van
hetzelfde maaksel zijn als het heelal. Oneindigheid en eeuwigheid zijn
slechts woorden maar innerlijk zal men de eenheid beseffen met het grenzeloze
Al in de onbegrensde Duur. Nee, deze Wijze, deze Syrische ziener, werd
niet letterlijk en lichamelijk gekruisigd. Een gekruisigde god is een
ongerijmdheid voor het menselijk denken. Maar een gekruisigde neofiet
of aspirant is dat niet in de zin waarin ik de zaak heb proberen te
verklaren. En dan is er nog een mystiek gebruik van de term 'kruisiging':
een mens kan gekruisigd worden door zijn eigen hartstochten, verscheurd
en uiteengereten in plaats van vrij te zijn als een vrij man. Dat is
een zeer wezenlijke en toch mystieke kruisiging en wanneer men iets
weet van de innerlijke christus, zal men de vrijheid verwerven en het
hele onbegrensde heelal zal onze speelplaats zijn, niet slechts in gedachten,
niet alleen in de verbeelding, niet zittend in een stoel of liggend
op een rustbank, maar als een feitelijke ervaring. Want een mens kan
zijn geest bevrijden en doordringen tot de poorten van de zon en nog
verder.
De oude mysteriën werden zeer zorgvuldig
beschermd, verraad van de inwijdingsgeheimen werd buitengewoon streng
gestraft, en als er melding van werd gemaakt, gebeurde dat in beeldspraak,
door sprookjes, mythen en verhalen. Niets was zo verborgen dat een andere
ingewijde het niet kon lezen. De waarheid werd gezegd, maar alleen degenen
die de sleutel bezaten tot die mystieke taal konden het begrijpen. Voor
hen die de sleutel niet hadden, scheen de zinspeling of het verhaal
slechts een mythe of vreemde legende.
De mens Jezus was waarlijk een 'Christos',
eenvoudig omdat die Syrische avatâra de godheid manifesteerde
waarvan hij de drager was. Ieder mens heeft een soortgelijk maar niet
identiek doel voor zich als zijn lot, te weten de manifestatie van zijn
eigen innerlijke god, zijn "Vader in de Hemel". Herinner U
het onderscheid tussen de avatâra aan de ene cn de boeddha aan
de andere kant die de manifestatie of drager van zijn eigen innerlijke
god is.
U kunt nu enigszins zien, hoe ingewikkeld de
hele kwestie van de geschiedenis van Jezus gemaakt is, deels door hen
die de stof hebben gerangschikt en deels door gebrek aan begrip van
de moderne tijd voor oude denkwijzen en instellingen. We zien dus, dat
het christelijk verhaal over Jezus een serie symbolische geschriften
is, die er geen aanspraak op maken een nauwkeurige levensbeschrijving
te zijn, maar die trachten de mens een waarheid mede te delen, een geestelijke
uitdaging te zijn. Gehuld in allegorie en symboliek proberen zij de
mens mystieke hoop en bemoediging te geven, zodat degenen die gehoor
geven aan deze uitdaging, zouden ontdekken dat hun denken werd geïnspireerd
en hun hart zich naar het licht keerde. En zo zouden zij naar alle waarschijnlijkheid
ernaar streven te worden ingewijd of zoals een oude uitdrukking luidt:
zij zouden aan de deur van de tempel komen en 'kloppen' en 'vragen'.
____________________________
Voetnoot 1
Het zwaartepunt van dit 'kruiswoord' ligt in de betekenis en kracht
van het Hebreeuwse werkwoord sabach ( ), want
dit werkwoord heeft verschillende betekenissen zoals bijvoorbeeld 'vrede
brengen aan', 'verheerlijken', 'kalmeren' en wel in de geest van een
ergens uit voortvloeiende beloning of misschien eerder van de vruchten
van een belangrijke geestelijke en intellectuele prestatie. Het andere
werkwoord dat in de tekst wordt vermeld, azah ( ),
betekent 'verlaten' of 'in de steek gelaten' .
Voetnoot 2
(âtmânam âtmanâ pasya).
|