| De leer van Jezus _________________
De Syrische avatâra Jezus predikte niets nieuws.
Wat hij deed was opnieuw het oude, oude pad naar het geestelijk leven
wijzen, het pad naar wijsheid en geestelijke kracht. Hij vertelde zijn
volgelingen wat zij konden bereiken door dit pad te volgen, zodat zij
in wijsheid en kracht aan hem gelijk konden worden. Want in het binnenste
van het binnenste van ieder mens woont een godheid, zijn eigen innerlijke
god, die de mystiek aangelegde christenen tegenwoordig de immanente
christus noemen. Derhalve ligt het binnen het bereik van ieders wil
en keuze dit pad te volgen, dat de grote Zieners en Wijzen van vervlogen
tijden zijn gegaan en te worden als zij.
Deze inspirerende leer was de voornaamste reden
waarom zo'n groot mens werd gekozen en om de legende van zijn persoonlijkheid,
zoals hij op aarde was verschenen, een mystiek verhaal werd geweven,
dat in symbolische vorm beschreef wat er in de inwijdingskamer plaatsgreep.
Elk van deze grote wijze en zieners, of het de Boeddha Gautama uit India
was, of Lao-Tzû uit China, of Sankarâchârya ook uit
India, of Jezus, of Empedocles, of Pythagoras, of Apollonius van Tyana,
zij allen verkondigen dezelfde fundamentele leringen, die derhalve identiek
waren. Wat waren enkele van deze leringen? "Mens, ken Uzelf!"
Want zelfkennis, de kennis omtrent het hogere geestelijke Zelf, is de
weg naar wijsheid, begrip, licht, vrede en kracht; en ze komt tot de
mens door zelfvergetelheid en zelfvergetelheid is de klop, de mystieke
klop op de deur van de inwijdingskamer van de tempel. Men kan geen universele
krachten tot uitdrukking brengen, men kan de innerlijke godheid niet
manifesteren (want die godheid is geheel onpersoonlijk) indien hart
en geest worden belemmerd en door persoonlijke begeerten worden gekluisterd.
Men moet zijn karakter ontplooien en openstellen voor het zonlicht van
de geest. Daarom betekenen zelfvergetelheid en onpersoonlijkheid het
verwerven van wijsheid en grote kracht.
Een andere leer was dat elk mens, elk wezen,
een kind is van het heelal. Het heelal is zijn tehuis. De mens is
in feite evenzeer thuis in de sterrenruimte, als hier op deze planeet
aarde. Daarom onderwezen de grote zieners en wijzen dat het voor een
mens mogelijk is van sfeer tot sfeer te gaan, van gebied tot gebied,
van zonnestelsel naar zonnestelsel bij het voortwentelen van de evolutionaire
cyclussen en dat zijn verblijf op aarde is te vergelijken met een kort
oponthoud in een hotel.
Deze nobele leer roept het besef wakker van
de essentiële eenheid van al wat bestaat, want wij zijn van dezelfde
substantie als het heelal, ieder van ons is een kind, een onafscheidelijk
deel ervan en daarom zijn we overal thuis en blijven dat in de eindeloze
duur. Deze leer tast de zelfzucht en derhalve de neiging tot kwaad doen
in de wortel aan. Zij levert een krachtig en onweerlegbaar bewijs van
de natuurlijke realiteit van de ethiek; en van het feit dat zij is gegrond
op de structuur en werkingen van het heelaI, want wat het Al is, dat
zijn wij en wat ieder mens is, dat is ook het Grenzeloze. Been van zijn
been is de mens, hart van zijn hart, bloed van zijn bloed, stof van
zijn stof. Hij is eeuwig thuis in het grenzeloze Al, geestelijk verenigd
met alle dingen, omdat alle dingen voortkomen uit dezelfde bron van
het Zijn en alle dingen, na beëindiging van hun individuele cyclus,
naar diezelfde bron terugkeren, maar alleen om daaruit weer te voorschijn
te komen voor een pelgrimstocht of evolutie-kringloop, nog hoger dan
de vorige.
Is het denkbaar, dat de geestelijke machten
die het heelal regeren en bezielen en het vervullen met licht en leven,
met leiding en intelligentie, en waarvan de mens een afspiegeling is
op lager plan, zouden kunnen bestaan en toch het hele menselijke ras
vanaf zijn verschijning zonder geestelijk onderricht zouden hebben gelaten,
totdat ongeveer tweeduizend jaar geleden een zekere joodse jongen werd
geboren? Wat een kortzichtige, dwaze en weerzinwekkende gedachte. De
oude leer, dat in het binnenste van het binnenste van ieder mens een
god leeft, vertelt ons in bezielende woorden een heel ander verhaal.
Als wij hart en verstand beide raadplegen, met terzijdestelling van
vooroordelen en wanbegrip en onjuiste voorlichting, trillen zij onmiddellijk
in sympathie met deze leer dat de godheid in het hart van ieder schepsel
woont. Hoe vertrouwd is ons deze leer van de inwonende god. Wat zegt
de christelijke Schrift hierover:
"Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt
en dat de Geest Gods in U woont?" - I Corinthiërs,
3:16
"Wij toch zijn de tempel van de levende
God, gelijk God gesproken heeft." - 11Corinthiërs,
6:16
Van de avatâra Jezus wordt ook gezegd
dat hij heeft gepredikt dat alle mensen aan hem gelijk kunnen worden
en dat zij, evenals hijzelf, de goddelijke inwonende krachten tot uitdrukking
kunnen brengen. Maar in plaats van deze verheven leer en andere schone
wijsheden en leringen van het spirituele Christendom te aanvaarden,
heeft de mensheid gevochten om dogma's, meningen, woorden en theorieën,
zodat bloed vloeide op zekere middeleeuwse slagvelden van Europese landen
als gevolg van een waanzinnig twisten over woorden. Hoe kon het ook
anders? Verlies de geest en men verliest het inzicht en door het inzicht
te verliezen verliest men zijn houvast aan waarheid, mededogen, vrede,
liefde en broederschap. Om aan de mensheid deze verheven visie terug
te geven werd de Theosophical Society gesticht en het is één
van de vele doeleinden die ons zo dierbaar zijn. Er bestaat een mystieke,
een innerlijke esoterische geschiedenis van Jezus en deze werd alleen
daarom esoterisch, omdat men haar uit het oog heeft verloren en vergeten.
Dit is de geschiedenis die wij bestuderen omdat wij Jezus, Christus
genaamd, beschouwen als één van de leraren die de Oude
Wijsheid bracht. Er bestaat een lange reeks van zulke leraren, die ver
teruggaat tot in de vage nevelen der oudheid en die in de andere richting
tot in onze tijd reikt, een lange reeks van zieners en wijzen, die één
zijn geworden met hun eigen innerlijke goddelijkheid, met de god in
hen, de immanente christos, de innerlijke boeddha. Doordat zij één
waren geworden met hun innerlijke godheid hadden zij alle nodige kennis
verworven, want zij hadden die aanschouwd en konden derhalve de waarheid
verkondigen.
De leringen die in het Nieuwe Testament aan
Jezus worden toegeschreven zijn niet nieuw. In de gehele leer van Jezus
is niet iets nieuws te vinden en daarin ligt in zekere zin het schitterende
bewijs van de zending van Jezus op aarde. Hij onderwees dezelfde oude
wijsheden, die vele eeuwen geleden in de verre evolutiegang aan de eerste
mensen werden gegeven door geestelijke wezens, die onder hen afdaalden,
met hen werkten, hen leidden en onderwezen. Wie na bestudering van de
godsdienstige en filosofische overleveringen niet de tekenen ontdekt
van de idealen en de geest van wat deze grote geesten leerden die in
het leven van de mens een lichtend spoor nalieten, is of opzettelijk
blind of heeft het geestelijk onderscheidingsvermogen verloren.
Jezus onderwees de Oude Wijsheid op een wijze
en in woorden, aangepast aan de mensen van zijn tijd. Tot zijn discipelen
zei hij: "Indien dan iemand tot U zegt: zie, hier is de Christus,
zie, Hij is daar, gelooft het niet." Maar als iemand tot u komt
in de naam van de geest van Christus en u zegt de waarheid te volgen,
en zijn stem vindt weerklank in ieder normaal mensenhart en hij spreekt
in de naam van de god in u, in de naam van de innerlijke christus, in
de naam van de innerlijke boeddha, dan, zo zei de Syrische Wijze in
feite: "is hij de mijne, volg hem. "
Inhoud
© 1990 Theosophical
University Press Agency
|