Christendom en moraliteit
_________________
MEN zou zich kunnen afvragen of afwijzing van het Christendom
(zoals dat gewoonlijk wordt begrepen) het verlies zou betekenen van
de grondslag van het zedelijk gedrag en een algemeen, zij het geleidelijk,
verval tot losbandigheid van allerlei aard. Dit is een vraag die ernstig
moet worden overwogen en die niet met wat boute beweringen kan worden
afgedaan. Rationalisten, secularisten en anderen zeggen dat de bron
van een goed gedrag te vinden is in de menselijke intelligentie en instincten,
dat de godsdienst eerder een belemmering dan een hulp is, en dat die
bron toereikend is voor de behoeften. Maar hierop zou men kunnen antwoorden
dat deze rationalisten misschien teren op het kapitaal van goede gewoonten,
dat door eeuwen van religieuze invloed is vergaard, dat dit kapitaal
gauw uitgeput zou raken en dat de menselijke intelligentie en instincten,
zoals het rationalisme die ziet, niet voldoende zijn om de voorraad
te vernieuwen.
Hier ligt inderdaad het zwakke punt van de
rationalistische en humanistische instelling. Het ontbreekt hun filosofie
aan een fundering en wanneer hierop de aandacht wordt gevestigd, verschuilen
ze zich gemakkelijk achter het agnosticisme - de opvatting dat deze
fundamentele vragen buiten het bereik van het onderzoek liggen, dat
men dat niet kan weten en dat het zinloos is te proberen ze te doorgronden.
We moeten hier wellicht de vraag stellen of zedelijkheid een oorzaak
is of een gevolg. Als we zeggen dat moraliteit het gevolg is van menselijke
intelligentie en instincten doen we eigenlijk niet anders dan de moeilijkheid
ontwijken.
We moeten iets weten van die geheimzinnige
krachten in het menselijk wezen. Uit welke bron komen zij voort? Moeten
we ze omschrijven als verlicht eigenbelang? In dat geval propageren
we de stelling dat zedelijkheid op eigenbelang steunt en dat eigenbelang
de basis van het menselijk gedrag is. De krachten die in de stof werken,
moeten zelf onstoffelijk zijn, anders draaien we in een kringetje rond
en zeggen we dat een stoommachine zijn eigen stoom voortbrengt of dat
een motor en een dynamo elkaar in beweging houden. Dat gaat ook op voor
ons huidige probleem. Het menselijk maatschappelijk gedrag kan niet
worden voorgesteld als een mechanisme dat voortdurend uit eigen kracht
in beweging blijft; het zou zich nooit kunnen verheffen en zou veeleer
in verval geraken. Het is duidelijk dat dit 'Onkenbare' dat de rationalisten
erkennen, maar niet de moeite van onderzoek waard achten, de feitelijke
bron is. Hier komt de godsdienst in het geding. De rationalisten hebben
het koren met het kaf weggegooid. Het is de geest van de religie, de
Religie zelf, die de eeuwige vitaliteit van het menselijk ras in leven
houdt, gehoorzaamheid afdwingt aan de essentiële wetten van zedelijke
gezondheid, en die de volkomen ineenstorting door een louter zelfzuchtig
gedrag verhindert.
En deze ware Religie heeft haar altaar in het
menselijk hart. Maar een vrome, toegewijde, emotionele houding is niet
voldoende het vuur brandende te houden in een tijd waarin het intellect
zo op de voorgrond treedt. Dit intellect heeft zich geschaard aan de
zijde van het eigenbelang, met alle gevolgen daarvan die we zo vrezen.
Tenzij het intellect zijn werkterrein zo uitbreidt dat het ook die gedeelten
van de menselijke aard onderzoekt die onder de oppervlakte liggen, zullen
wij moreel failliet gaan. Om in lichamelijke zin gezond te leven moeten
wij de wetten van de hygiëne en de gezondheid kennen; we kunnen
niet afgaan op blind geloof en gissingen. En het is de Religie die die
diepere kennis kan en moet geven. Dat het Christendom in dit opzicht
vaak in gebreke is gebleven is te wijten aan de vermenging van zoveel
droesem met het zuivere metaal. In het voorafgaande hebben we geprobeerd
de essentiële waarheden van het Christendom naar voren te brengen
en ze zo te interpreteren dat ze voor het menselijk leven meer kracht
en uitwerking zullen hebben. We hebben niets willen wegnemen van wat
de mens nodig heeft. Al wat kan worden gezegd ten gunste van de invloed
van het Christendom kan met meer kracht worden gezegd met betrekking
tot de theosofische interpretatie van het Christendom. We hebben uitdrukkelijk
verklaard dat wij niets willen afdoen aan het geloof van hen die in
hun godsdienst vinden wat zij nodig hebben en niet verder zoeken; ons
doel is diegenen te helpen voor wie dat niet voldoende is, en die ernstig
zoeken naar de ware grondslag van het menselijk welzijn.
De godsdienst die leert dat de mens in wezen
goddelijk is, kan in zijn invloed niet immoreler zijn dan de godsdienst
die hem leert dat hij een arme zondaar is. In de theosofische interpretatie
van het Christendom is de zedelijke wet de essentiële wet van het
menselijk gedrag, en alleen daardoor kan de mens geluk vinden, zelfverwerkelijking
en een leven in harmonie met zijn medemensen. Het is alleen deze interpretatie
die het leven verenigt en die intellect en hart in harmonie brengt,
zodat al onze vermogens kunnen samenwerken om tot volmaking te komen.
GOD God is niet een persoon die buiten het
heelal staat. Ook staat hij niet los van de mens. God is overal; er
is niets dat niet God is. God is het wezenlijke, de wortel van alle
bestaan, de geestelijke grondslag van al wat is. Vele denkers zijn tot
dit begrip van God gekomen en hebben beseft dat de theologische God
een vermenselijkt ideaal is. God, het heelal, de mens zijn niet van
elkaar gescheiden, maar vormen een eenheid. Wij kunnen God alleen benaderen
door de diepten van ons eigen wezen te peilen, want de mens is zelf
een openbaring van de Godheid en er zijn geen grenzen aan wat hij kan
bereiken door zelfkennis. De vele bezwaren tegen de gedachte van een
persoonlijk en buitenkosmisch God zijn bijna te algemeen bekend om ze
hier te noemen. Een dergelijke God schijnt weinig belangstelling te
tonen voor menselijke aangelegenheden en los van de natuur te staan,
wat neerkomt op een soort ondergeschikte godheid. Het behoeft nauwelijks
te verbazen dat velen de gedachte aan God helemaal hebben opgegeven,
hoewel het onbegrijpelijk blijft hoe zij de betekenis van alle dingen
verklaren. Het idee van God opgeven wil niet zeggen dat we het heelal
moeten voorstellen als een op goed geluk werkend mechanisme.
De leer van het extreme materialisme stelt
niets voor; agnosticisme is een bekentenis van onwetendheid en hulpeloosheid.
We kunnen ons wel humanisten noemen en de mens tot het middelpunt van
alles maken, maar wat is die mens dan wel? Iedereen, die de wonderen
van zijn eigen bewuste bestaan bestudeert, weet dat er een diep mysterie
ligt achter de grenzen van het denken. Als we veronderstellen dat dat
mysterie volkomen onoplosbaar is, maken we van het hele heelal en het
menselijk leven een gruwelijke grap.
Er zijn altijd christelijke mystici geweest,
die leerden dat een openbaring het gevolg is van zelfbespiegeling. Dat
is de enige weg om God te leren kennen en, zoals wij hebben aangetoond,
heeft Jezus de weg gewezen om een dergelijke kennis te verwerven. Er
zijn in de mens vermogens die het intellect, zoals wij dat nu kennen,
te boven gaan - die het niet ter zijde schuiven of het opheffen, maar
die het aanvullen. De mens kent de verhevenheid van zijn eigen natuur
slecht, al hebben velen van ons op zeldzame ogenblikken daar een glimp
van opgevangen. Laten we streven naar het hoogste dat we kunnen bereiken,
en weigeren onze visie te beperken door er de vorm van een persoonlijk
God aan te geven, waarmee we in feite ons een gesneden beeld vormen.
HET GEBED
Een persoonlijke godheid smeken
gunsten te verlenen is naar hulp zoeken op de verkeerde plaats. Het
betekent ons te vermeten de godheid te dicteren en het is gebaseerd
op de gedachte dat goddelijke goedheid en wijsheid de steun van onze
gebeden nodig heeft. Het toppunt van absurditeit wordt bereikt als vijandelijke
legers bidden om de overwinning over elkaar. Dit toont de waarheid dat
een persoonlijk God gewoonlijk partijdig en plaatselijk is, en gebonden
aan een bepaald volksdeel. Zulke oproepen zouden enige zin hebben als
we geloven dat elk volk zijn eigen speciale godheid heeft, zoals sommige
volkeren menen. Het wordt echter onzin als dergelijke tegenstrijdige
gebeden tot één en dezelfde God worden gericht.
Het gebed betekent zelfbespiegeling vergezeld
van hoge aspiratie en zou moeten plaatsvinden in de geest van 'Niet
mijn wil, maar Uw wil geschiede.' Bidden voor bepaalde doeleinden is
niet goed omdat we niet weten wat voor ons het beste is. Bidden betekent
gemeenschap met de Vader in de Hemel via de Zoon, het reiken naar het
hoogste en beste in onszelf. Persoonlijke wensen moeten terzijde worden
gesteld en zoveel mogelijk moet de eenheid van het leven worden beseft.
HET PROBLEEM VAN GOED EN KWAAD
Men kwelt zich vaak met de vraag
hoe een goede God het kwaad kan toelaten. Kwaad betekent onvolmaaktheid
en deze wereld is slechts een onvolmaakte openbaring van de Godheid,
het Al-Goede. Contrasten en tegenstellingen vinden we overal. Dat zijn
noodzakelijke voorwaarden voor groei en ervaring. Het kwaad is. wel
gedefinieerd als de schaduw van God. Pogingen om goed en kwaad filosofisch
te definiëren houden weinig verband met gedrag en plichtsbetrachting
en doen vaak niet veel anders dan de mensen in verwarring brengen. In
het gewone leven is het verschil tussen goed en kwaad duidelijk genoeg.
Iedereen bezit het vermogen onderscheid te maken. De woorden goed en
kwaad zijn zeer vaag en omdat ze in verschillende zin worden gebruikt
wekken ze verwarring. Men kan zeggen dat ze betekenen, plezierig en
onplezierig, maar dat houdt kennelijk verband met onze smaak, die als
criterium onbetrouwbaar is. Wat onplezierig is kan wel goed voor ons
zijn; en wat plezierig is misschien verkeerd. Men kan zeggen dat ze
goed en verkeerd betekenen, maar ook hier komen we dan terecht bij de
morele, maatschappelijke of burgerlijke wet.
Wat onze eigen ervaringen betreft, een waar
filosoof kan een toestand bereiken waar hij inziet dat hem geen kwaad
kan overkomen, omdat hij aanvaardt dat elke gebeurtenis deel uitmaakt
van zijn lot - de Stoïcijnse filosofie. We zien dus dat in dit
geval de termen goed en kwaad een contrast betekenen dat wij in ons
eigen denken maken, door ervaringen als plezierig en onplezierig te
classificeren en te spreken over een goed of kwaad lot. Zolang een mens
zich persoonlijk genoegen ten doel stelt, zal hij ongetwijfeld zichzelf
leed berokkenen, volgens dezelfde wet die een gulzigaard of een dronkaard
ziek maken. Het nastreven van bevrediging van het ik, verstoort het
morele evenwicht en de natuur herstelt dit door de complementaire tegengestelde
ervaring. Maar hoe staat het met ons gedrag jegens anderen? Dit zou
stellig een mens met een hart en geweten het meest moeten bezighouden,
en het zou heel wat beter zijn als men meer over dit aspect van de zaak
sprak dan over zijn eigen geluk of ongeluk of eigen goed en kwaad, wat
voor anderen behalve de persoon zelf van weinig betekenis is. Kunnen
we ontkennen dat we de macht bezitten anderen kwaad te berokkenen? Mocht
er iemand zijn wiens geest zo in de war is dat hij zegt: "Alles
wat iemand overkomt is zijn karma en ik kan hem dus geen kwaad doen,"
en dit gebruikt als een excuus voor wangedrag, dan kunnen we zo iemand
alleen maar beklagen. Kwaad doen in de wereld en het aan de universele
wetten van harmonie overlaten de janboel die wij hebben gemaakt weer
te ordenen, is maar een armzalige manier om het goddelijke in ons naar
buiten te brengen. Wat ons gedrag jegens anderen betreft, is er een
onmiskenbaar verschil tussen goed en kwaad en de onontkoombare verplichting
voor ieder mens om het juiste te kiezen. En als hij een behoorlijk mens
is zal hij het juiste doen, ongeacht alle godsdiensten en filosofieën
ter wereld.
Als wij de godheid maken tot een persoonlijk
God brengt dit de noodzaak mee een persoonlijke Satan te scheppen als
de tegenstander van God. Maar, zoals eerder gezegd, was de Slang uit
de hof van Eden, de leermeester van de mens, die in hem de intelligentie
deed ontwaken en als deze Slang de Duivel wordt genoemd, betekent dit
dat hij de tegenstander was van de eerste God die de mens schiep als
een onintelligent, zij het zondeloos, wezen.
Satan is ook een personificatie van onze hartstochten
die ons tot vernietiging willen leiden, maar door ze te bestrijden leren
we en gaan we vooruit, zodat zij tenslotte onze redding worden. Maar
dat alleen op voorwaarde dat we ze bevechten en overwinnen; als we eraan
toegeven zijn we verloren. Er bestaat geen duivel met hoorns en hoeven,
die ons in het leven belaagt en erop uit is ons na de dood te kwellen.
Het is echter maar al te waar dat onze hartstochten, verbonden met ons
intellect, een soort boosaardig zelf kunnen kweken, dat onze vijand
is die we moeten zien te overwinnen.
TERUG
NAAR INHOUDSOPGAVE
Copyright © Het Theosofisch Genootschap, Pasadena
|