Wat is theosofie?
Er is een wijsheidstraditie die eens bij ieder volk op de wereld algemeen
bekend was, een gemeenschappelijke schatkamer van inspiratie en waarheid
waaruit de verlossers en weldoeners van de mensheid kunnen putten. In
verschillende tijdperken stond ze bekend als de eeuwige filosofie, de
gnosis van het Griekse en vroegchristelijke denken, de esoterische
traditie, of de mysterieleringen van het heiligdom – Jezus liet
het vissersvolk van Galilea delen in deze goddelijke wijsheid; Gautama
deelde haar mee aan de veerman en de prins; en Plato vereeuwigde haar
in brieven en dialogen, in fabel en mythe. In deze tijd wordt deze wijsheid
theosofie genoemd.
Wat is theosofie? Het woord is van Griekse oorsprong, van theos,
‘god’, en sophia, ‘wijsheid’, en betekent
‘wijsheid over goddelijke zaken’. Als term heeft ze een
eerbiedwaardige geschiedenis, en werd gebruikt door de neoplatonische
en christelijke schrijvers van de 3de tot de 6de eeuw n.Chr., en ook
door kabbalisten en gnostici in een poging om te beschrijven hoe het
Ene het vele wordt, hoe het goddelijke of God zich manifesteert in een
reeks emanaties in alle natuurrijken. Ze was in gebruik tijdens de middeleeuwen
en in de Renaissance; Jakob Boehme werd de Teutoonse theosoof genoemd
op grond van zijn opvatting van de mens als een microtheos en microkosmos.
Het woord theosophia is ook in verband gebracht met Ammonius
Saccas van Alexandrië die in de 3de eeuw n.Chr. aan zijn leerlingen
een theosofisch stelsel of theosofische denkwijze zou hebben meegedeeld
in een poging de schijnbaar uiteenlopende elementen van de archaïsche
wijsheid die toen in die bruisende metropool in omloop waren, in een
universele synthese samen te vatten. Hij had een onberispelijk karakter
en werd theodidaktos, ‘door de goden onderwezen’,
genoemd op grond van de goddelijke inspiraties die hij ontving. Ammonius
eiste strikt moreel gedrag, en hoewel er geen verslag van zijn leringen
en praktijken werd gemaakt, heeft zijn leerling Plotinus voor het nageslacht
gelukkig de belangrijkste leringen van zijn meester opgetekend. Zo hebben
we de Enneaden of ‘Negen’ boeken van het neoplatonisme,
die in de loop van de daaropvolgende eeuwen een diepgaande invloed hebben
uitgeoefend.
Later streefden in Europa de kabbalisten, de alchemisten, de eerste
rozenkruisers en vrijmetselaars, vuurfilosofen, theosofen en anderen
hetzelfde doel na. Individueel, en in geheime genootschappen, hadden
ze de opvatting dat het Ene, het goddelijke, het ondefinieerbare beginsel,
uit zichzelf het hele universum emaneerde, en dat alle wezens en dingen
daarin uiteindelijk tot die bron zullen terugkeren. Meer in het bijzonder
probeerden ze in het christendom van hun tijd de opmerkelijke waarheid
te introduceren dat de mystieke vereniging met het goddelijke het geboorterecht
van iedereen is, omdat ieder mens een goddelijke kern in zich
heeft.
Het is dus duidelijk dat de theosofie – haar streven, leringen
en praktijken – geen nieuwe beweging betreft. Ze is tijdloos,
even stevig geworteld in de oneindigheid van het verleden als dat ze
in de oneindigheid van toekomstige eonen geworteld zal zijn. Theosofie
heeft geen geloofsbelijdenis, geen dogma, geen stel geloofsopvattingen
die moeten worden aanvaard, want waarheid is niet iets dat buiten ons
ligt, maar is in feite in ons. Niettemin omvat ze een samenhangend
geheel van leringen over de mens en de natuur die in de heilige tradities
van de wereld op allerlei manieren zijn verwoord.
De moderne theosofische beweging begon in het laatste kwart van de
negentiende eeuw – een interventie op het juiste moment, want
de voorafgaande decennia waren getuige geweest van een radicale omwenteling
in het spirituele en intellectuele denken. Het wereldbewustzijn was
rijp voor een verandering: aan de ene kant hield het ongeremde materialisme
van zowel de theologie als de wetenschap het onafhankelijke onderzoek
in een wurggreep en, anderzijds, werden veel mensen die graag wilden
geloven in de onsterfelijkheid van de ziel misleid door het dwaallicht
van de spiritistische verschijnselen. Een kosmische visie van de mens
en zijn rol in het heelal was heel hard nodig, een die het vertrouwen
zou herstellen in de goddelijke wet en een zinvolle verklaring zou geven
van de schijnbaar wrede onrechtvaardigheden van het aardse bestaan.
H.P. Blavatsky, een vrouw met buitengewone gaven en gedreven door een
onverschrokken toewijding aan de waarheid en aan het uitroeien van de
oorzaken van het menselijke lijden, werd de leidende vertolkster
van de moderne theosofische beweging. Zij was één van
een lange reeks van ‘overbrengers’ van de universele goddelijke
wijsheid, en wierp choquerende ideeën in de gedachteatmosfeer van
de wereld, vernieuwende ideeën, ideeën die het denken van
de mens radicaal zouden veranderen. Het belangrijkste van die ideeën
was dat we een eenheid zijn. Zij moedigde het onderzoek en
de studie aan van het spirituele erfgoed van alle volkeren, om de hoogmoedige
gedachte uit te roeien dat één ras of volk het ‘uitverkoren’
volk is, of de enige ware religie en de ene en enige God heeft. Zelfs
een oppervlakkig onderzoek van andere geloofsovertuigingen verruimt
onze horizon. Het is een adembenemende ervaring om te ontdekken dat
dezelfde gouden draad door iedere traditie loopt, of deze nu religieus,
filosofisch of zogenaamd primitief is; we voelen onmiddellijk een sympathie,
een empathie, met iedereen die deze waarheden aanneemt of koestert.
Dit schept op zichzelf al een eenheid, geeft een gevoel van begrip;
we voelen een lotsverbondenheid.
Ieder mens is een kopie in het klein van wat zonnen en sterren zijn
– levende godheden die wonen in tempels van stof. We hebben een
even lange pelgrimstocht achter ons als vóór ons: een
verleden vol cyclussen van ervaring door middel waarvan de ziel is gerijpt
tot haar huidige status, en een toekomst van onbeperkte mogelijkheden
waarin we vanuit onze menselijke staat zullen evolueren tot de volle
glorie van een godheid. HPB beweert niet dat zij de bron is van deze
leringen; maar ze heeft ‘een beperkt aantal fragmenten’
van de esoterische verslagen overgezet in taal van deze tijd.
HPB nodigt ons uit een paar ‘basisbegrippen te beschouwen waarop
het hele gedachtestelsel berust en die dit doordringen’ (De
Geheime Leer 1:43) en die de grondslag vormen van de heilige wetenschap
van de oudheid en de religieuze en filosofische scholen van de wereld.
Samengevat tot de kern luiden deze:
1) Dat er een eeuwig, alomtegenwoordig, onveranderlijk beginsel is
dat niet kan worden omschreven omdat het ‘buiten het gebied en
het bereik van het denken’ ligt, en toch: alle leven emaneert
of vloeit voort uit Het. Theosofie heeft geen naam voor dit beginsel,
en noemt het daarom: dat – het
oneindige, het ongeschapene, de wortelloze wortel, de oorzaak zonder
oorzaak. Deze uitdrukkingen zijn maar een poging om het onbeschrijflijke
te beschrijven, de oneindigheid van oneindigheden, de grenzeloze essentie
van goddelijkheid die we niet kunnen omschrijven. Kortom, ze gaat uit
van die schitterende oorspronkelijke essentie die Genesis de
duisternis op het aangezicht van de afgrond noemt – die duisternis
die tot licht werd gestimuleerd toen de ’elohim ademden op de
wateren van de ruimte.
2) Dat heelallen evenals ‘zich manifesterende sterren’
verschijnen en verdwijnen in een wisseling van eb en vloed, een ritmisch
kloppen van geest en stof, waarbij iedere levensvonk in de kosmos, van
sterren tot atomen, hetzelfde cyclische patroon volgt. Er is een voortdurende
geboorte en dood, verschijnen en verdwijnen, van deze ‘vonken
van de eeuwigheid’ omdat het ritme van het leven steeds nieuwe
levensvormen voortbrengt voor werelden die terugkeren: melkwegstelsels
en zonnen, mensen, dieren, planten en mineralen. Alle wezens en dingen
hebben hun cyclussen van geboorte en dood, want geboorte en dood zijn
poorten van het leven.
3) Dat alle zielen, die in hun hart dezelfde essentie hebben als de
‘universele overziel’, de volledige cyclus van belichamingen
in de stoffelijke werelden moeten doormaken om door eigen inspanningen
hun goddelijke potentiële vermogens actief tot uitdrukking te brengen.
Waarom manifesteert het goddelijke zich zo vaak en in zoveel verschillende
vormen? Ieder goddelijk zaad, iedere vonk van God, iedere levenseenheid,
moet de grote cyclus van ervaring doormaken, van de meest spirituele
gebieden tot de meest materiële, om uit de eerste hand kennis op
te doen over iedere bestaanstoestand. De godsvonk moet leren door iedere
vorm te worden, dat wil zeggen, door zich in deze te belichamen terwijl
hij zijn weg vervolgt langs de boog van de stof.
Hier is een visie om het hart te verheffen: als we voelen
dat ieder mens een noodzakelijk deel van de kosmische bestemming is,
geven we waardigheid aan onze inspanningen, aan de drang om ons te ontwikkelen.
De reden voor deze grootse ‘cyclus van noodzakelijkheid’
is tweeledig: hoewel we beginnen als niet-zelfbewuste godsvonken, zullen
we tegen de tijd dat we alles hebben ervaren wat er in iedere levensvorm
te leren is, niet alleen zijn ontwaakt tot een vollediger bewustzijn
van de menigten atomaire levens die dienen als onze lichamen op de verschillende
gebieden, maar we zullen zelf goden zijn geworden.
Wanneer we begrijpen hoe nauw deze drie grondstellingen met onszelf
samenhangen, gaan we inzien hoe alle andere leringen daaruit voortvloeien;
ze zijn sleutels voor een ruimer begrip van wederbelichaming, cyclussen,
karma, wat er na de dood gebeurt, de oorzaak en het opheffen van het
lijden, de aard van de mens en de kosmos, de wisselwerking tussen involutie
en evolutie, en nog meer – terwijl de ontwakende ziel al die tijd
doorgaat met haar eeuwige zoektocht.
De theosofische filosofie is zo uitgestrekt als de oceaan: ‘onpeilbaar
op zijn diepste gedeelten, biedt hij aan de grootste denkers een breed
terrein van studie, terwijl hij aan zijn kusten toch ondiep genoeg is
om het begripsvermogen van een kind niet te boven te gaan.’* Hoewel
de waarheden ervan diep ingaan op de ingewikkelde kosmologische verbanden,
loopt er een schitterende eenvoud door het geheel: eenheid
is de gouden sleutel. Wij zijn onze broeders, ongeacht ons
ras, onze opleiding of onze maatschappelijke of religieuze achtergrond.
En deze verwantschap beperkt zich niet tot het mensenrijk: ze omvat
ieder atomair leven dat evenals wij evolueert – alles binnen het
netwerk van hiërarchieën waaruit dit kloppende organisme dat
we ons heelal noemen bestaat. Ongetwijfeld is onze grote fout geweest
om onszelf te beschouwen als afzonderlijke deeltjes die doelloos rondzwerven
in een vijandig heelal, in plaats van als godsvonken die zijn ontsprongen
aan het centrale vuur van goddelijkheid – innerlijk in essentie
evenzeer één als de vlam van een kaars één
is met de stellaire vuren in de kern van onze zon.
*William Q. Judge, De Oceaan van Theosofie,
blz. 1.
Natuurlijk is het aannemen van het beginsel van universele broederschap
relatief gemakkelijk vergeleken met het in praktijk brengen
ervan. Wij hebben allemaal soms moeite om in harmonie met onszelf te
leven, laat staan met anderen. Misschien zou een eerste stap kunnen
zijn om onszelf te accepteren, om vriendschap te sluiten met onze hele
natuur, en te erkennen dat wanneer we dat doen, we onze lagere neigingen
accepteren en ook onze hogere potentiële vermogens. Door dit accepteren
gaan we automatisch ook anderen accepteren, hun zwakheden en ook hun
grootsheid. Dit is broederschap in actie, want het verdrijft die subtiele
blokkades die ons ervan weerhouden te voelen dat we allen eenheden zijn
die behoren tot één menselijke levensgolf.
Het thema van ons één-zijn met de natuur heeft de manier
van denken en leven in deze tijd al ingrijpend veranderd. We gaan onszelf
weer zien als deelnemers aan een ecosysteem van kosmische omvang. We
beginnen te ontdekken dat wij, de waarnemers, niet alleen het voorwerp
dat we waarnemen meetbaar beïnvloeden, maar ook alle andere evoluerende
entiteiten. Het belangrijkste is dat we beseffen, hoewel nog onvoldoende,
dat we één mensheid zijn, en dat wat u of ik
doen om een ander te helpen van nut is voor iedereen, en weerklank vindt
als een akkoord in de zich ontwikkelende symfonie die we samen componeren.
Hoewel de last van onze onmenselijke daden inderdaad zwaar is, zal het
heelal zich verheugen over het minste teken van mededogen in de ziel
van zelfs één enkel mens.