De vier heilige jaargetijden
G. de Purucker

Vertaling van: The Four Sacred Seasons

isbn 9789070328498, gebonden, bestel boek

1ste druk 1979

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën, opnamen, of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Deze online editie bevat kleine aanpassingen in de vertaling.

© 2013  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 


Inhoud       Voorwoord

1. Winterzonnestilstand    2. Lentenachtevening    3. Zomerzonnestilstand    4. Herfstnachtevening

 

Winterzonnestilstand


Er zijn vier keerpunten in het jaar: de zonnestilstanden van winter en zomer en de nachteveningen van lente en herfst. Onder de oude volkeren werd de jaarcyclus altijd gezien als een symbool van het leven van de mens, of zelfs van het leven van het heelal. De geboorte ten tijde van de winterzonnestilstand, het begin van het jaar; adolescentie – het ondergaan en doorstaan van beproevingen – bij de lentenachtevening; volwassenheid, ten volle ontplooide krachten en vermogens, bij de zomerzonnestilstand, die een periode van inwijding vertegenwoordigt, waarin de grote verzaking plaatsvindt; en dan de afsluiting bij de herfstnachtevening, de periode van de grote overgang. Deze cyclus van het jaar symboliseert eveneens de training voor het chelaschap.

Ten tijde van de winterzonnestilstand zijn er twee belangrijke graden die de neofieten of initianten moeten doormaken, te weten, de vierde graad en de zevende of laatste: de vierde voor de minder groten, al zijn zij niettemin groot; en de laatste of zevende inwijding, die in de cyclische loop der eeuwen slechts zelden plaatsvindt en die de geboorte van de boeddha’s en christussen betekent.

Tijdens de inwijding van die individuen van minder grootse geestelijke en intellectuele capaciteit dan het menselijk materiaal waaruit de boeddha’s worden geboren, tijdens deze vierde inwijding wordt de kandidaat geleerd zich te bevrijden van alle verstandelijke belemmeringen en van de lagere vier beginselen van zijn constitutie en aldus bevrijd, trekt hij langs de magnetische kanalen of circulaties van het heelal, zelfs tot aan de poorten van de zon, maar dan stopt hij en keert hij terug. Gewoonlijk zijn daar drie dagen voor nodig en dan verrijst de mens als een volledig ingewijde, maar in het besef, dat zich voor hem nog verhevener toppen bevinden die beklommen moeten worden op dat eenzame pad, op dat stille pad, dat smalle pad, dat naar het goddelijke voert.

Wat de zevende inwijding betreft, deze vindt plaats in een cyclus die ongeveer 2160 aardse jaren duurt, de tijd die een teken van de dierenriem nodig heeft om van het ene sterrenbeeld naar het volgende te komen in teruggaande beweging; met andere woorden wat onder de mystici in het Westen de messiaanse cyclus wordt genoemd. Wanneer de planeten Mercurius en Venus en de zon, de maan en de aarde in syzygy staan, kan de bevrijde monade van de verheven neofiet het magnetische pad door deze lichamen volgen en rechtstreeks doorgaan naar het hart van de zon. Veertien dagen lang verkeert de op aarde achtergebleven mens als in een trance of leeft hij in een toestand van verdoving, in een soort bedwelming; want het innerlijk deel van hem, het werkelijke deel van hem, reist door de sferen. Twee weken later, tijdens de lichte helft van de maancyclus of de maand, dat wil zeggen als het volle maan is, keert zijn rondtrekkende monade zo snel als een flitsende gedachte terug langs hetzelfde pad waarlangs hij opsteeg naar vader zon, en neemt hij de bekleedselen weer op die hij bij zijn doorgang van elke planeet daarop achterliet: de bekleedselen van Mercurius, de bekleedselen van Venus, de bekleedselen van de maan – van het maanlichaam, van de maanbol – en van de maan keert de monade terug naar het in trance verkerende lichaam dat werd achtergelaten. Dan is het hele wezen van de neofiet gedurende enige tijd, korter of langer, al naar de omstandigheden, doorstraald van de geestelijke luisster van de zon en is hij een pas ‘geboren’ boeddha. Zijn hele lichaam straalt als het ware van heerlijkheid; en uit zijn hoofd, en voornamelijk uit zijn achterhoofd, schieten als een aureool stralen te voorschijn, schitterende stralen als van een kroon. Daarom werden vroeger in het Westen kronen en in het Nabije Oosten diademen gedragen door hen die deze graad hadden bereikt, want zij zijn inderdaad Zonen van de zon, gekroond met zonneluister.

In deze inwijdingen sterft de mens. Inwijding betekent dood, de dood van het lagere deel van de mens; en eigenlijk sterft het lichaam ook, maar het wordt niettemin in leven gehouden, niet door de geest-ziel, die het heeft verlaten zoals een vlinder zich uit de pop bevrijdt, maar in leven gehouden door hen die waken en wachten en beschermen. Het is dank zij het in leven houden van de lichamelijke triade dat de rondtrekkende geest-ziel in staat is tenslotte terug te keren als een vogel naar zijn nest, waar zij haar vroegere lichamelijke tehuis herkent, en wordt ‘wedergeboren’, maar in dit geval wedergeboren in hetzelfde lichaam. Tijdens de periode waarin de rondtrekkende monade afwezig is, of die drie of veertien dagen duurt, volgt de geëxcarneerde monade letterlijk de paden van de dood, maar doet dat snel en binnen veertien dagen. Het proces is in feite praktisch gelijk aan dat wat in het geval van excarnatie en reïncarnatie wordt gevolgd, want zij keert naar het in trance verkerende lichaam terug langs de wegen van wedergeboorte, van wederbelichaming, en wordt als het ware in het oude lichaam herboren in plaats van in een nieuw lichaam; en daarom werd in India van zo’n mens gezegd dat hij een dvija is – zoals de brahmanen van Aryavarta het noemen – een ‘tweemaal-geboren’ ingewijde.

Deze uitdrukking heeft nog een andere betekenis: iemand die is herboren uit de as van het oude leven, welk leven nu opgebrand en dood is. Maar ze heeft ook de diepere betekenis waarover ik sprak. Deze zevende-graad inwijdingen, die eenmaal per messiaanse cyclus plaatsvinden en die de geestelijke vrucht voortbrengen van een mindere boeddha, een bodhisattva genaamd, moeten niet worden verward met een van de grootste inwijdingen, die aan de mensheid bekend zijn, namelijk die welke uitsluitend de boeddha’s van het ras betreffen. Er zijn in elk wortelras slechts twee raciale boeddha’s. Maar de bodhisattva’s van verschillende graden van evolutionaire grootheid zijn zeer talrijk. Van de cyclische bodhisattva’s, waarop hierboven werd gezinspeeld, verschijnt er een in elke messiaanse cyclus van 2160 jaar, en gewoonlijk zijn ze avatarisch van aard.

Er zijn gevallen waarin neofieten falen, maar zij die falen krijgen een nieuwe kans in andere levens; maar de straf voor het falen in dit leven is óf de dood óf krankzinnigheid, en de straf is heel rechtvaardig. Ernstig zijn de waarschuwingen die worden gegeven aan hen, die als een vogel de ether van de innerlijke werelden willen binnenvliegen, en het spoor willen volgen van diegenen die hen langs de circulaties van het heelal zijn voorgegaan.

Als men nachts omhoog ziet naar de sterren of overdag de blik omhoog richt en de luister van vader zon ziet, die in het middaguur aan het blauwe gewelf straalt, hoe leeg schijnt dan de ruimte van het uitspansel schijnbaar een vacuüm! De sterrenkundigen zeggen ons dat de aarde een bol is die in het ledig zweeft, in de ether, vrij, behalve van de aantrekkingskracht van de zon, en dat de aarde haar weg, haar baan om de zon alleen volgt omdat ze door de zwaartekracht daartoe wordt aangetrokken; kortom, dat de ‘ruimte’ leegte is. De ruimte is in mystieke zin inderdaad sunyata, ‘leegte’, in de esoterische betekenis, maar in geen geval ‘leegte’, zoals de Westerse sterrenkundigen die zien; want in feite is de ruimte die we zien, die onze stoffelijke ogen menen te zien – of niet zien – een zo dichte, zo vaste substantie, dat geen menselijke voorstelling daarvan een helder begrip kan geven voor het verstand, behalve door middel van de wiskunde.

Een natuurkundige en astronoom, J.J. Thomson, berekende enige jaren geleden dat de ether van de ruimte tweeduizend miljoen maal dichter is dan lood. Dit vertolkt opnieuw een oude leer; maar bedenk wel dat het geheel afhangt van de manier waarop we dit feit bekijken, of we er op de juiste wijze uitdrukking aan geven. We hebben ogen ontwikkeld die de stof van onze sfeer waarnemen en daarin doordringen, en we zien wat voor ons een vacuüm, een leegte is; maar dat schijnbare vacuüm of die leegte is in werkelijkheid absoluut vol, ze is in feite een plenum, een pleroma, vol van werelden en bollen en gebieden, vol van Hiërarchieën, van zich ontwikkelende entiteiten op deze werelden en bollen en in deze gebieden.

Probeer een helder begrip van deze gedachte te krijgen. Vanuit een zeer juist standpunt, kan ons hele surya-stelsel, ons hele zonnestelsel, het Ei van Brahma genaamd, word en gezien als een reusachtig eivormig samengesteld lichaam dat in de ruimte zweeft; en als een astronoom op een ver verwijderde bol in de stellaire ruimte ons Ei van Brahma zou zien en als hij het zou zien vanaf het juiste hogere gebied of de juiste wereld, dan zou het hele zonnestelsel hem voorkomen als een bolvormig lichaam van licht – als een eivormige onoplosbare nevelvlek. Deze zou alle ‘leegte’ omvatten die we zien, of menen te zien, de zogenaamde leegte, en zou daarom onze hele solaire wereld van het Ei van Brahma omvatten, van het hart van vader zon af tot voorbij de grenzen van wat de astronomen de verst verwijderde planeten noemen.

Het Ei van Brahma bestaat uit concentrische sferen met de zon als middelpunt, en elk van deze sferen is een kosmische wereld. Het hart – het hart van elk van hen – is de zon. De wereld of de sfeer van onze aarde is er een van en ze omringt de zon als een sfeer van dichte substantie, en de kern van deze sfeer of dit ei, want dat is het, is wat we gewoonlijk onze aarde noemen. Dat geldt ook voor de sfeer van Mercurius, voor de sfeer van Venus, de sfeer van Mars, ook van Jupiter en ook van Saturnus; ja, en ook van Uranus – maar bedenk wel dat Uranus niet tot ons eigen stelsel van heilige werelden behoort, al behoort ze wel tot ons Ei van Brahma.

Het is in dit verband van belang er goede nota van te nemen dat, hoewel elke concentrische sfeer, zoals die van onze aarde of die van Jupiter of die van Mercurius, in feite zo’n Ei of Sfeer van Brahma is, de kern van elk van deze planeten of sferen, als men die vanaf een ander gebied in beweging zou zien, een golf of rimpeling zou blijken te zijn, die zich gestadig voortbeweegt in en om een vaste of halfvaste zone of gordel; en deze zone of gordel is in feite wat we op ons gebied de locus van de baan van een planeetlichaam zoals van de Aarde of van Jupiter of van Mercurius noemen. Dit betekent weer dat een planeetbaan, zoals die van de aarde, gezien vanaf een ander gebied, in werkelijkheid een gordel of zone is die de zon omringt en die, bij wijze van spreken, de weg is van de kern, waarvan de beweging in deze zone kan worden gezien als een rimpeling of golf die gestadig om deze gordel of zone of ring gaat. Uit wat zo juist is gezegd, wordt meteen duidelijk dat wat we een planeet noemen, terecht vanuit drie verschillende gezichtspunten als drie verschillende dingen kan worden gezien: ten eerste als een bol, zoals we die op dit gebied zien; ten tweede, vanaf een ander gebied als een golf of rimpeling, die zich cirkelvormig voortbeweegt en de baan volgt van een ringvormige zone of gordel die de zon omgeeft; en ten derde als een concentrische sfeer, of liever sferoïden, of ei, waarvan het middelpunt in het hart van de zon ligt.

Deze concentrische werelden of sferen zijn in een voortdurende cirkelvormige beweging of omwenteling om het hart van de zon, terwijl de zich binnen elkaar bevindende sferen enigszins lijken op de rokken van een ui, maar toch bestaat elk van hen in zekere zin uit andere stoffen, uit stoffen in een andere toestand dan die van de overige sferen, en daarom gaan zij even gemakkelijk door elkaar heen alsof de andere niet bestonden. Vandaar dat ons oog enkele van de stellaire lichamen kan zien die voorbij de banen van Mars en van Jupiter en van Saturnus liggen. Al wat we van het sterrenleger zien buiten ons Ei van Brahma, zijn die bepaalde sterren of zonnen die, omdat zij dezelfde graad van stoffelijke evolutie hebben bereikt als die waarin we ons nu bevinden en waarin onze stoffelijke zon zich bevindt, voor onze gezichtsorganen waarneembaar zijn. Als we op een ander gebied zouden leven, dan zou onze blik niet kunnen doordringen tot de respectieve substanties of wel banen of sferen van Mars of Jupiter of van Saturnus. Deze drie planeten alleen al verbergen miljarden en miljarden en miljarden zonnen, die we in onze tegenwoordige manvantara of wereldcyclus nooit kunnen zien. Eens in de verre toekomst, naarmate de evolutie verder inwerkt op de stof van onze wereldsfeer, zullen we enkele van de raja-zonnen zien, die nu verborgen word en door deze drie planeten – door de sferen van deze drie planeten, want de planeten en hun respectieve sferen zijn in werkelijkheid hetzelfde. Het is juist omdat het Ei van Brahma door en door substantieel is, en daarom die interplanetaire ruimte door en door substantieel is, dat licht dat tot dit vierde kosmische gebied behoort, van de sterren tot ons kan komen.

Nu we het over deze concentrische sferen hebben, moeten we ook bedenken dat het voor een juist begrip van de structuur en de kenmerken van het Ei van Brahma nodig is ons ook bewust te zijn van het belangrijke feit dat er veel meer planetaire concentrische sferen bestaan dan die van de acht of negen of tien planeten die aan de Westerse astronomie bekend zijn. Er zijn talloze planeten in het zonnestelsel die volkomen onzichtbaar zijn voor enig astronomisch instrument of apparaat en, wat nog belangrijker is, er bestaan vele van deze concentrische sferen die tot geheel andere gebieden van de kosmos behoren, en elk van deze onzichtbare concentrische sferen, die in sommige gevallen hoger en in andere gevallen lager zijn dan ons gebied, is even dichtbevolkt met veelsoortige scharen van wezens als ons eigen gebied. Elk gebied heeft zijn eigen hiërarchieën van bewoners, zijn eigen bevolkte werelden met hun bewoners, met hun landen, met hun bergen en zeeën en meren en woningen en wat al niet, evenals onze aarde.

Deze concentrische wereldsferen, als een geheel beschouwd, waren de kristallijnen sferen van de Ouden, die de astronomen zo schromelijk verkeerd hebben begrepen en bijgevolg zozeer hebben bespot.

Wat betekenden deze woorden: ‘kristallijnen sferen’ eigenlijk? De betekenis was, sferen waarvan de zon het middelpunt was en die voor ons oog doorzichtig waren. Evenals glas zeer dicht is en toch doorzichtig voor ons oog, zo zijn ook de ethers van ons vierde kosmische gebied zeer dicht en toch doorzichtig voor ons. Voor de bewoners van de aarde, die de verschijnselen van het zonnestelsel vanaf de aarde bekijken, lijkt het alsof, ten gevolge van de aswenteling van de aarde, het hele stelsel van concentrische sferen om de aarde draait, en daaruit ontstaat de geocentrische wijze waarop zij de schijnbare bewegingen van de planeten en de zon, de maan en de sterren bezien. Alles in de universele natuur herhaalt zich in structuur en werking. Het kleine weerspiegelt het grote, en het grote reproduceert zichzelf in het kleine, want beide zijn in feite één.

Bovendien oefent onze aarde, vanwege de magnetische structuur en werking van de twaalf bollen van onze planeetketen, een magnetische bipolaire werking van twaalf verschillende soorten uit; een zo’n polair paar is aan de wetenschapsmensen bekend, de andere zijn onbekend. Ons Ei van Brahma, ons zonnestelsel als geheel, heeft eveneens twaalf magnetische bipolaire stromen, of wat in het kort magnetische polen word en genoemd, en elk van deze twaalf polen heeft haar locus in een van de twaalf constellaties van de zodiak – of beter gezegd de twaalf constellaties van de zodiak zijn de loci van de twaalf polen van de zodiakale periode. Het levensrad met zijn twaalf spaken wentelt eeuwig voort.

Zo komt het dat een menselijk wezen een zoon van de zon kan zijn. Zo komt het dat een menselijk wezen kan opstijgen langs de magnetische paden van de aarde naar de maan, van de maan naar Venus, van Venus naar Mercurius, van Mercurius naar het hart van vader zon – en kan terugkeren. Op de uitreis word en bepaalde scheden of omhulsels van de rondtrekkende monade op elk planetair station achtergelaten. Stof tot stof op aarde. Het maanlichaam wordt in de valleien van de maan afgeworpen en achtergelaten. Op Venus worden ook de bekleedsels van de aard van Venus terzijde gelegd; en zo gaat het ook op Mercurius. Dan wordt het zonnedeel van ons opgenomen in zijn eigen hart. Op de terugreis verlaat de rondtrekkende monade de zon na haar eigen zonnebekleedsel weer te hebben opgenomen. Zij treedt de sfeer van Mercurius binnen, vergaart daar het kleed dat zij tevoren had afgelegd, hult zich daarin en gaat dan verder naar Venus, bekleedt zich opnieuw met wat zij daar vroeger had achtergelaten, treedt vervolgens de onheilige sfeer van de maan binnen, neemt in haar donkere valleien het vroegere maanlichaam op en wordt vandaar, wanneer de maan vol is, op de stralen van de maan naar de aarde gevoerd. Stof tot stof, maan tot maan, Venus tot Venus, Mercurius tot Mercurius, zon tot zon!

Inwijding betekent het tijdelijk één worden door zelfbewuste ervaring, met andere werelden en gebieden, en de verschillende graden van inwijding geven de verschillende trappen van vooruitgang aan of van de mogelijkheid daartoe. Naarmate de inwijdingen in verhevenheid toenemen, dringt de geest-ziel van de initiant dieper en dieper in de onzichtbare werelden en sferen door. Men moet volledig bekend raken met alle geheimen van het zonne-ei voor men een godheid in dit zonne-ei kan worden en zelfbewust en weloverwogen deel kan hebben aan het kosmische werk.

Bereid u voortdurend voor, want elke dag is een nieuwe kans, een nieuwe poort, een nieuwe gelegenheid. Laat de dagen van uw leven niet verloren gaan, want de tijd zal komen, zal onvermijdelijk komen, dat het uw beurt zal zijn om dit meest verheven avontuur te ondernemen. Onbeschrijfelijk heerlijk zal de beloning zijn als u slaagt. Oefen daarom voortdurend uw wil. Open uw hart meer en meer. Herinner u de godheid in uw binnenste, uw meest innerlijke godheid, het hart, de kern van uw wezen. Heb anderen lief, want deze anderen zijn uzelf. Vergeef hen, want zodoende vergeeft u uzelf.

Help hen, want zodoende sterkt u uzelf. Haat hen, en u zet uw eigen voet op de weg naar de hel, want zodoende haat u uzelf. Wend u af van de hel,en keer uw gelaat naar de zon!

 


De vier heilige jaargetijden, blz. 3-20

© 2013  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag