Dood en
    wedergeboorte

    ________________

    HET is nauwelijks mogelijk aan verder leven na de dood te denken zonder aan een voorbestaan en wedergeboorte te denken, want als men veronderstelt dat iets geen einde heeft, moet men ook aannemen dat het geen begin heeft. In een logisch gedachtenstelsel moeten we niet alleen beschrijven en verklaren wat er na de dood gebeurt, maar ook wat er voor de geboorte plaatsvindt.
         Het is dan ook van belang na te gaan wat de directe oorzaak van de reïncarnatie van de ego is. Wederbelichaming is natuurlijk een 'wet', of wel een algemene gewoonte van de natuur. Alles in het heelal wederbelichaamt zich - een elektron, een atoom, een mineraal, een plant - dat wil zeggen dat de monaden die zich via deze vormen ontwikkelen, zich moeten wederbelichamen. Hetzelfde geldt voor een dier, een mens, een planeet, een zon, een zonnestelsel, een heelal - niets kan ontsnappen aan het essentiele doel van de evolutie of ontvouwing van de innerlijke aard en krachten door middel van herbelichaming en een geleidelijk vooruitgaande organisatie en veranderend milieu. En natuurlijk heeft de menselijke ego deel aan deze universele gewoonte van zelfontplooiing.
         Maar wat ons nu vooral interesseert, zijn de onmiddellijke oorzaken die reïncarnatie op aarde teweegbrengen, en de werkwijzen die in dit proces worden gevolgd. We verlieten de monade, het geestelijk Zelf, die zijn zwerftochten langs de zeven heilige planeten volbracht met de reïncarnerende ego "slapend in zijn boezem". Maar zoals altijd in de natuur, moet dat wat rust of slaapt,ontwaken en opnieuw beginnen met zelfbewuste activiteit, om de eigen evolutie voort te zetten.
         Er komt dus een moment dat de reïncarnerende ego het einde van zijn periode van devachanische geestelijke assimilatie bereikt. Vage, maar onweerstaanbare herinneringen aan zijn vroegere aardse levens wekken hem uit zijn gelukkige slaap. En zo harmonieus en soepel en zichzelf regelend zijn alle processen in de natuur, dat de monade haar omzwervingen door de binnen- en buitenronden heeft voltooid tegen de tijd dat de reïncarnerende ego het einde van zijn droom-rust in de monadische kern bereikt.
         "Het is duidelijk dat een ego die een kort devachan, of daarentegen een lang devachan heeft, daardoor geen moeilijkheden ondervindt, omdat de geestelijke monade meer of minder sterk wordt beïnvloed door de geestelijke toestand of aard van de wederbelichamende ego die zij in haar boezem herbergt; en dit bepaalt in zekere en dikwijls belangrijke mate de tijd, die door de geestelijke monade op haar interplanetaire pelgrimstocht wordt doorgebracht." - The Esoteric Tradition, blz. 885

         De reïncarnerende ego wordt daarom geleidelijk aan 'omlaag' of 'naar buiten' gevoerd door de onzichtbare interplanetaire sferen totdat hij de drempel van het aardse leven begint te naderen. Hier zendt hij uit zichzelf een manasische straling of straal, en de aanwezigheid van deze straal heeft een dynamische uitwerking op al die krachtcentra, die werden achtergelaten toen hij de laatste keer door de poorten van de dood op aarde ging. De levensatomen waaruit deze krachtcentra, of beginselen, of elementen bestaan, beginnen als een kern uit te kristalliseren om de manasische straal. Zoals eerder gezegd, zijn er vier van deze beginselen of elementen, en zij vormen het lagere viertal of lagere zelf dat de ego in zijn laatste bestaan op aarde als voertuig gebruikte. Het zijn: kâma, de begeerte; prana, het levensbeginsel of de vitaliteit; het astrale of modellichaam, het linga-sarîra; en de stoffelijke vorm of sthûla-sarîra. En zodra deze weer vorm beginnen aan te nemen rond de manasische straal, treedt de persoonlijkheid, kâma-manas, weer in zijn aardse bestaan.
         Het einde van dit proces is als volgt omschreven:

         "De straal of Straling van de wederbelichamende ego bereikt tenslotte het kritieke punt of stadium in zijn 'afdaling', waar hij wordt aangetrokken door die bepaalde menselijke kiemcel die, als er geen onderbreking plaatsheeft, zal uitgroeien tot een stoffelijk lichaam. De psycho-magnetische aantrekkingen en innerlijke impulsen van de wederbelichamende ego. . . hebben hem karmisch geleid naar die ene cel die van een aantal andere mogelijke cellen het meest geschikt is, waarna te zijner tijd de vader en moeder samenkomen om dat te geven wat we figuurlijk misschien de magische schakel van verenigd 'leven' kunnen noemen. . . Vanaf dit moment begint het levend protoplasma van binnen uit naar buiten te groeien, en geleidelijk aan te openbaren wat erin aanwezig is." - idem, blz. 888

         De ego wordt gewoonlijk tot dat gezin en dat sociaal milieu aangetrokken waar hij bij de laatste dood van zijn stoffelijk lichaam zijn lasten, problemen en verwantschappen heeft achtergelaten.(voetnoot) De studie van de dood en de postmortale toestanden van bewustzijn en ervaring is van het grootste belang voor iedereen, en wel onder andere om de volgende redenen:   

         Het leert ons de kloof te overbruggen, die alleen in schijn bestaat, tussen onszelf en hen die wij liefhebben en die zijn overgegaan naar de onzichtbare werelden.
         Het bant de vrees voor de dood uit ons hart, inspireert ons en zet ons aan de dag van vandaag zo te maken dat de dood van morgen goed zal zijn. We kunnen de dood niet begrijpen zonder de geheimen van onze eigen natuur te leren kennen. Als we die bestuderen en leren beheersen zal dat leiden tot een vernieuwing van ons totale leven, zowel tijdens als na dit leven.
         De theosofie geeft een beeld van het totaal van vele processen in de natuur die door de wetenschap nog slechts ten dele zijn verklaard. Daartoe behoren de zwaartekracht en de evolutie, zoals H.P. Blavatsky in De Geheime Leer uiteenzet. De wetenschap ziet het leven van de mens bijvoorbeeld als een rechte lijn, een fragment, terwijl het een oneindig klein gedeelte is van een machtige cirkel die omhoog klimt in afwisselende graden van licht en schaduw - een ontzagwekkende klimmende spiraal. De tendens is steeds opwaarts, een langzame voortdurend omhoog gaande beweging, waarin de mens wordt meegenomen uit de duistere schaduwen van een leven op aarde, naar de stralende boog van de periode tussen twee levens, en dan weer terug naar een volgend aards bestaan, enzovoort, steeds geleidelijk vooruitgaande totdat het doel is bereikt. Als we spreken over het doel of het 'einde' van dit evolutieproces, waarvan het leven op aarde een segment is, en de dood en de periode daarna een ander, moeten we meteen opmerken dat dit doel ook maar een betrekkelijk einde betekent. Het is niet meer dan een halte, een periode van rust en geestelijke verwerking van een hogere soort.
         We hebben nu een enigszins gedetailleerd beeld van wat de esoterische wijsbegeerte over de dood heeft te zeggen en van de plaats die hij inneemt in de evolutie van de mens. Het kan zijn nut hebben het proces van de dood met de verschillende stadia die het menselijk bewustzijn doorloopt, als door de dood het geestelijk Zelf wordt bevrijd, nogmaals in het kort te herhalen.
         Deze stadia zijn:

    1. De dood zelf, of het afwerpen, het uiteenvallen van het stoffelijk lichaam, veroorzaakt door het verbreken van de schakel tussen het geestelijk Zelf en zijn lagere beginselen. Het astrale modellichaam of linga-sarîra valt nu ook uiteen - een proces dat in hoge mate wordt bespoedigd door crematie van het stoffelijk lichaam.

    2. De terugblik die de reïncarnerende ego werpt op de gebeurtenissen van het leven dat zo juist is beëindigd. Dit is een heel belangrijk en plechtig deel van het proces, waarin de ego elke gedachte en daad uit zijn leven waarneemt, en duidelijk de rechtvaardigheid en betekenis van de gebeurtenissen inziet. In de periode die onmiddellijk op de dood volgt, zou er rond de overledene een volledige en eerbiedige stilte moeten heersen, die door niets van buiten wordt verstoord.

    3. Het in slaap vallen van de menselijke persoonlijkheid of het menselijk bewustzijn terwijl de volgende twee processen plaatsvinden.

    4. De ontbinding van het kâma-rûpa, tenzij dit in leven wordt gehouden door mediamieke tussenkomst.

    5. De tweede dood, waarin de geestelijke essentie van de persoonlijkheid door de ego wordt geabsorbeerd. De laatste twee processen gaan in normale gevallen ongemerkt aan de mens voorbij.

    6. Het overgaan van de reïncarnerende ego in zijn devachanische rust in de boezem van het geestelijk Zelf, of de monade.

    7. De omzwervingen, of de kosmische reizen van de monade of het geestelijk Zelf in zijn 'Goddelijk Avontuur', die daarbij de reïncarnerende ego in zijn boezem meevoert.

    8. Het herontwaken van de reïncarnerende ego door de aantrekking van het aardse leven en zijn afdaling naar reïncarnatie in een nieuwe persoonlijkheid.

    Voetnoot:
    Meer informatie over dit onderwerp is te vinden in de reeds eerder gepubliceerde boekjes Karma en Reïncarnatie.

    .


    Wat gebeurt er na de dood blz. 80-6

    © 1976   Theosophical University Press Agency
    Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag