|
________________
HET is nauwelijks mogelijk aan verder leven
na de dood te denken zonder aan een voorbestaan en wedergeboorte te
denken, want als men veronderstelt dat iets geen einde heeft, moet men
ook aannemen dat het geen begin heeft. In een logisch gedachtenstelsel
moeten we niet alleen beschrijven en verklaren wat er na de dood gebeurt,
maar ook wat er voor de geboorte plaatsvindt. De reïncarnerende ego wordt
daarom geleidelijk aan 'omlaag' of 'naar buiten' gevoerd door de onzichtbare
interplanetaire sferen totdat hij de drempel van het aardse leven begint
te naderen. Hier zendt hij uit zichzelf een manasische straling of straal,
en de aanwezigheid van deze straal heeft een dynamische uitwerking op
al die krachtcentra, die werden achtergelaten toen hij de laatste keer
door de poorten van de dood op aarde ging. De levensatomen waaruit deze
krachtcentra, of beginselen, of elementen bestaan, beginnen als een
kern uit te kristalliseren om de manasische straal. Zoals eerder gezegd,
zijn er vier van deze beginselen of elementen, en zij vormen het lagere
viertal of lagere zelf dat de ego in zijn laatste bestaan op aarde als
voertuig gebruikte. Het zijn: kâma, de begeerte; prana, het levensbeginsel
of de vitaliteit; het astrale of modellichaam, het linga-sarîra;
en de stoffelijke vorm of sthûla-sarîra. En zodra deze weer
vorm beginnen aan te nemen rond de manasische straal, treedt de persoonlijkheid,
kâma-manas, weer in zijn aardse bestaan. "De straal of Straling van de wederbelichamende ego bereikt tenslotte het kritieke punt of stadium in zijn 'afdaling', waar hij wordt aangetrokken door die bepaalde menselijke kiemcel die, als er geen onderbreking plaatsheeft, zal uitgroeien tot een stoffelijk lichaam. De psycho-magnetische aantrekkingen en innerlijke impulsen van de wederbelichamende ego. . . hebben hem karmisch geleid naar die ene cel die van een aantal andere mogelijke cellen het meest geschikt is, waarna te zijner tijd de vader en moeder samenkomen om dat te geven wat we figuurlijk misschien de magische schakel van verenigd 'leven' kunnen noemen. . . Vanaf dit moment begint het levend protoplasma van binnen uit naar buiten te groeien, en geleidelijk aan te openbaren wat erin aanwezig is." - idem, blz. 888 De ego wordt gewoonlijk tot dat gezin en dat sociaal milieu aangetrokken waar hij bij de laatste dood van zijn stoffelijk lichaam zijn lasten, problemen en verwantschappen heeft achtergelaten.(voetnoot) De studie van de dood en de postmortale toestanden van bewustzijn en ervaring is van het grootste belang voor iedereen, en wel onder andere om de volgende redenen: Het leert ons de kloof te overbruggen,
die alleen in schijn bestaat, tussen onszelf en hen die wij liefhebben
en die zijn overgegaan naar de onzichtbare werelden. 1. De dood zelf, of het afwerpen, het uiteenvallen van het stoffelijk lichaam, veroorzaakt door het verbreken van de schakel tussen het geestelijk Zelf en zijn lagere beginselen. Het astrale modellichaam of linga-sarîra valt nu ook uiteen - een proces dat in hoge mate wordt bespoedigd door crematie van het stoffelijk lichaam. 2. De terugblik die de reïncarnerende ego werpt op de gebeurtenissen van het leven dat zo juist is beëindigd. Dit is een heel belangrijk en plechtig deel van het proces, waarin de ego elke gedachte en daad uit zijn leven waarneemt, en duidelijk de rechtvaardigheid en betekenis van de gebeurtenissen inziet. In de periode die onmiddellijk op de dood volgt, zou er rond de overledene een volledige en eerbiedige stilte moeten heersen, die door niets van buiten wordt verstoord. 3. Het in slaap vallen van de menselijke persoonlijkheid of het menselijk bewustzijn terwijl de volgende twee processen plaatsvinden. 4. De ontbinding van het kâma-rûpa, tenzij dit in leven wordt gehouden door mediamieke tussenkomst. 5. De tweede dood, waarin de geestelijke essentie van de persoonlijkheid door de ego wordt geabsorbeerd. De laatste twee processen gaan in normale gevallen ongemerkt aan de mens voorbij. 6. Het overgaan van de reïncarnerende ego in zijn devachanische rust in de boezem van het geestelijk Zelf, of de monade. 7. De omzwervingen, of de kosmische reizen van de monade of het geestelijk Zelf in zijn 'Goddelijk Avontuur', die daarbij de reïncarnerende ego in zijn boezem meevoert. 8. Het herontwaken van de reïncarnerende ego door de aantrekking van het aardse leven en zijn afdaling naar reïncarnatie in een nieuwe persoonlijkheid. Voetnoot: . Wat gebeurt er na de dood blz. 80-6 © 1976
Theosophical
University Press Agency
|