De dood en de monade
_________________
DE meesten van ons zijn met de dood enigszins
vertrouwd doordat wij haar komst in familie- of vriendenkring hebben
meegemaakt. En de gedachte dat wij datzelfde lot zullen moeten ondergaan,
komt meer en meer in ons op naarmate de jaren verstrijken, al proberen
wij die gedachte meestal te verdringen. Dat bij de dood de zichtbare
mens verdwijnt uit onze gezichtskring, met alle ervaringen die dat meebrengt,
is het overheersende beeld.
Wat de dood echter betekent voor de geestelijke
mens vragen wij ons meestal niet af, en toch is dat in wezen een veel
belangrijker aspect van het sterven dan het simpele verdwijnen van de
persoonlijke mens uit het aardse bestaan.
De problemen van het leven kunnen nooit worden
opgelost voor de onderzoeker tot het besef komt dat het geheim van alle
leven eerder in het onzichtbare dan in het stoffelijk heelal ligt. Het
geheim van de evolutie moet dan ook worden gezocht in de innerlijke
natuur van de mens en in de onzichtbare werelden, waarvan ons zichtbare
heelal slechts het materiële bewijs is, net zoals het menselijk
lichaam het zichtbare bewijs is van zijn onzichtbaar maar oorzakelijk
Zelf, zijn monade.
Laten we even terugkomen op wat we verstaan
onder de monade, waarover we reeds spraken in hoofdstuk III. Een monade
is een eenheid van bewustzijn, een onvernietigbare eenheid van individualiteit.
Er is een monade in het hart van elk wezen, van atoom tot zon. In een
atoom is de monade veel minder ontwikkeld dan in de mens die bezig is
volledig zelfbewust te worden. De monade in het hart van een zon is
geevolueerd tot de goddelijke staat. In de mens kunnen we de monade
beschouwen als zijn geestelijk Zelf.
Alle evolutie wordt teweeggebracht door monaden.
De monaden die nu het rijk van de mens vormen, begonnen hun evolutie
in vervlogen tijden door ieder voor zichzelf een voertuig te vormen
in elk van de lagere gebieden en rijken - het eerst in het minerale
en plantenrijk; daarna ontwikkelt de monade een dierlijke natuur met
een stoffelijk lichaam; en tenslotte ontvouwt zij uit haar innerlijk
het vermogen dat wij het egoïsche bewustzijn of de zelfbewuste
ego noemen. De natuurrijken beneden de mens bestaan uit monaden die
nog geen zelfbewustzijn hebben ontwikkeld. Globaal genomen kunnen we
zeggen dat de mens nu een monade of geestelijk Zelf (atma-buddhi) is,
die zich uitdrukt door middel van een zelfbewuste, reïncarnerende
ego (manas, tweevoudig, hoger en lager); en deze werken op hun beurt
weer door een lagere triade: kâma, een modellichaam, en een stoffelijk
lichaam, met prana als beider levensadem. (Zie het schema op blz. 24).
Het doel van deze evolutionaire reis door alle
rijken is tweeledig: in de eerste plaats wordt de monade in staat gesteld
de vruchten te plukken van zelfbewustzijn in lagere gebieden dan haar
eigen geestelijk rijk. In de tweede plaats wordt de evolutie van de
levensatomen geholpen - elk daarvan met zijn eigen bezielende monade
- die de voertuigen vormen in de verschillende gebieden van evolutie,
stoffelijk, emotioneel, intellectueel en geestelijk. Om de dood, het
meest verhevene van alle geheimen, te kunnen begrijpen, moeten we iets
afweten van dit proces van evolutie en het doel ervan.
De mens heeft het goddelijke in de kern van
zijn wezen. Het is zijn wortel en geestelijke ouder, de monade waaruit
hij onbewust zijn geestelijke vitaliteit put. Dit goddelijk wezen in
ons is onze inspirator, beschermer, en leid-ster, de stem van mededogen
en van het geweten in het menselijk hart. Het heilige licht daarvan
doet alle idealen en ware aspiraties in ons ontwaken. Zonder deze ons
omringende en alles doordringende aanwezigheid zouden wij hulpeloze
menselijke ego's zijn, niet opgewassen tegen de problemen en beproevingen
van het materiële bestaan.
De monade is dus een deel van onszelf, of liever,
wij zijn er een deel van, en toch is zij niet onszelf. Wij kunnen niet
los van haar bestaan omdat zij onze schakel of ons verbindingskanaal
is met het universele kosmische Leven. Maar de monade is zelf een wezen
op haar eigen (voor ons onzichtbare) bestaansgebied. Op een moment dat
we even de beperkingen van ons dagelijks zelf overwinnen door een daad
van onzelfzuchtige liefde, een krachtige poging tot zelfdiscipline,
of een vurig streven naar het goddelijke in ons - kan er soms een trilling
van vrijheid, inzicht, zuiver geluk of vrede door ons heengaan. Even
ademen we de ether van een zuiverder wereld, en schijnen alle dingen
opeens mogelijk. Dat is het licht van de god in ons, de monade. Die
gedachte of daad was als een klop op de gesloten deur van haar rijk
van geestelijke verlichting, die zich even opende om een straal van
licht in het hart van de strevende mens te werpen.
De god in ons heeft zijn eigen geestelijke
wereld. Hij leeft daar en doet ervaringen op, groeit en verlicht tegelijk
de reïncarnerende ego die reist door de schaduwen van het aardse
leven. Zijn eigen rijk ligt in die oorzakelijke goddelijke wereld waarvan
onze stoffelijke sfeer de uiterlijke bekleding of het voertuig is.
Het heeft niet veel zin te vragen: "Waar
is deze innerlijke, onzichtbare wereld?" Men zou evengoed aan het
onzichtbare zelf van een vriend kunnen vragen: "Waar ben je?"
- doelend op de mentaal-geestelijke mens die de werkelijke vriend is.
Want de innerlijke geestelijke wereld bestaat op een ander vlak, in
een andere toestand van materie, ze heeft een andere vibratie dan de
wereld om ons heen.
We moeten bedenken dat de mens een samengesteld
wezen is: lichaam, ego, geestelijk Zelf. We hebben gezien dat elk van
deze drie weer voor een nauwkeuriger studie moet worden onderverdeeld,
waardoor we tot zeven beginselen of elementen komen. Dat geldt ook voor
de planetaire wereld waarin wij evolueren. Een planetaire wereld bestaat
eigenlijk uit zeven bollen en onze aarde is de laagste en meest stoffelijke
bol van een dergelijke wereld, de enige die we kunnen waarnemen omdat
onze zintuigen alleen daarop zijn afgestemd. In de theosofische literatuur
wordt daarom over een planeet vaak gesproken als een planeetketen.
Elke zichtbare planeet in de ruimte is derhalve
vergezeld van zes andere, voor ons onzichtbare bollen. Als we dus in
het bezit zouden zijn van een orgaan voor innerlijke waarneming, zouden
we als we naar de sterrenhemel kijken, talloze meer etherische werelden
zien in de kosmische ruimte. Deze innerlijke, meer etherische werelden
zijn de oorzakelijke wortels van het stoffelijk heelal, zoals bij de
mens het geestelijk Zelf de wortel is van zijn zichtbare wezen.
H.P.Blavatsky zegt ons over deze werelden het
volgende:
"Wanneer dus "andere werelden"
worden genoemd - hetzij beter of slechter, meer geestelijk of nog meer
stoffelijk, hoewel beide onzichtbaar - plaatst de occultist deze sferen
niet buiten of binnen onze Aarde, zoals theologen en dichters doen;
want zij bevinden zich niet in de ruimte die aan de leek bekend en voor
hem waarneembaar is. Zij zijn als het ware met onze wereld vermengd
- doordringen haar en zij doordringt hen. Er zijn miljoenen en miljoenen
werelden en firmamenten voor ons zichtbaar; er zijn nog grotere aantallen
buiten die welke waarneembaar zijn door de telescoop, en vele van deze
laatste soort behoren niet tot onze objectieve bestaanssfeer. Hoewel
even onzichtbaar als wanneer zij miljoenen mijlen van ons zonnestelsel
verwijderd waren, zijn ze toch bij ons, dichtbij ons, binnen onze eigen
wereld, even objectief en materieel voor hun respectievelijke bewoners
als de onze is voor ons. . . elk staat geheel onder zijn eigen speciale
wetten en bevindt zich in toestanden, welke niet in directe relatie
staan tot onze sfeer. . .
Niettemin bestaan zulke onzichtbare werelden.
Even dicht bevolkt als de onze, zijn ze in grote getale door de schijnbaar
lege Ruimte verspreid; sommige veel materiëler dan onze eigen wereld,
andere meer en meer etherisch, totdat ze vormloos worden en als "ademtochten"
zijn. Dat ons stoffelijk oog ze niet ziet, is geen reden er niet in
te geloven. . .
Maar als wij ons een wereld kunnen voorstellen
die (voor onze zintuigen) uit stof bestaat die nog ijler is dan de staart
van een komeet, en met bewoners die even ijl zijn, vergeleken met hun
bol, als wij zijn vergeleken met onze rotsachtige, met harde korst bedekte
aarde, dan is het geen wonder dat wij ze niet kunnen waarnemen, noch
hun aanwezigheid of zelfs hun bestaan kunnen aanvoelen." - De
Geheime Leer, Deel I
In de hogere en meest innerlijke regionen van
deze onzichtbare werelden verblijft de monade, het geestelijk Zelf van
de mens. Toch betekent dit niet, dat de monade niet bij ons is. Ook
van de werkelijke ego's van onze vrienden kunnen we niet zeggen dat
ze niet bij ons zijn, al zien we alleen hun stoffelijk lichaam. Zoals
al eerder gezegd, moeten we leren meer in termen van bewustzijn te denken
als het om levende wezens gaat. Het geestelijk Zelf van de mens is een
wezen van zuiver bewustzijn, belichaamd in zijn buddhisch voertuig;
de ego is een intellectueel centrum van bewustzijn, belichaamd in een
persoonlijk-dierlijk voertuig. De lagere triade is eveneens samengesteld
uit elementair bewustzijn, belichaamd in een astraal-fysieke vorm. En
te zamen vormen zij een eenheid door hun gemeenschappelijke oorsprong
in de monade.
We zien dus dat deze verschillende centra tijdens
het aardse leven één wezen vormen. Als het een vreemde
gedachte lijkt dat de god in ons voortdurend op zijn eigen vlak evolueert,
kunnen wij dat beter begrijpen als we bedenken dat de geest en het lichaam
zich ook tegelijkertijd ontwikkelen op twee verschillende gebieden,
waarvan er een onzichtbaar is voor onze uiterlijke zintuigen. Elk beginsel
of element in ons verlicht en helpt het beginsel dat er onmiddellijk
onder staat. Niemand kan een gedachte hebben, of een daad verrichten
die geen invloed uitoefent, ten goede of ten kwade, op de ontelbare
lagere levens van zijn eigen organisme, dat geheel van zijn bewustzijn
is doordrongen. De invloed van menselijke ondeugden op de gezondheid
is daar een voorbeeld van. Hoe minder een mens daarentegen wordt beheerst
door zijn lichamelijke behoeften en verlangens, hoe vrijer hij wordt
op innerlijk gebied. En dit geldt op veel grotere schaal voor de verstandelijke
en emotionele ondeugden. Als wij ons daarvan bevrijden, beinvloeden
wij al wat leeft ten goede. We kunnen dus zeggen dat onze dagelijkse
gedachten en daden een hulp of een belemmering betekenen voor de geestelijke
evolutie van onze hogere beginselen, die met hun ruimere gebieden van
bewustzijn ons gewone menselijke zelf geheel doordringen en inspireren.
Zo is er een evolutionaire wisselwerking tussen alle gebieden van zijn.
De dood is de grote vriend, die het geestelijk
Zelf van de mens verlost van zijn stoffelijk omhulsel en voor de vermoeide
menselijke ziel de poort opent naar geestelijke zelfvervulling en vrede.
|