Enkele vragen en antwoorden

    _________________

     

    WAARSCHIJNLIJK rijzen er vele vragen in verband met onze studie van dit diepzinnige en mooie onderwerp. Er wordt bijvoorbeeld vaak gevraagd of de theosofie, die zegt dat er een hemelwereld bestaat, ook iets leert omtrent een hel. En hoe staat het met het vagevuur waarin velen geloven?
         Als men onder hel verstaat een plaats van eeuwige straf, dan ontkent de theosofie dit met nadruk. In de Oude Wijsheid is geen plaats voor het onlogische idee van straf. We ondergaan alleen de gevolgen van onze vroegere gedachten en daden in dit of een vorig leven - met andere woorden, karma. De omstandigheden waarin wij als gevolg daarvan komen te verkeren, worden ons door niemand opgelegd. Zij vloeien even natuurlijk uit onze daden voort als warmte volgt op verbranding, of zoals de vore de ploeg volgt. En om nogmaals te herhalen, geen enkele bestaanstoestand of omstandigheid kan eeuwigdurend zijn!
         Onze theologische denkbeelden van hemel en hel zijn eveneens voorbeelden van min of meer verbasterde ideeën, waarover we al eerder hebben gesproken; vervormde overblijfselen van de oude mysterieleringen die in het begin van het christelijke tijdperk nog populair waren. Deze misvattingen namen bezit van de gedachtenwereld van de mens in een tijd waarin de mensheid een eeuw van geestelijke traagheid binnenging, die culmineerde in de Middeleeuwen. En de theologische leringen omtrent de hel zoals die in alle godsdiensten in de een of andere vorm worden aangetroffen, zijn bijna zonder uitzondering onjuiste weergaven en interpretaties van de oorspronkelijke leer zoals die door de Stichters van die godsdiensten werd gebracht. Al deze misvattingen werden letterlijk genomen en hebben het menselijk hart onzegbaar leed en ellende berokkend. De woorden 'hemel' en 'hel', in hun mystieke zin, hebben als deel van de oude mysterieleringen een andere betekenis. Met de hemelen wordt gedoeld op:

         "die geestelijke gebieden van ervaring waar alle monaden zonder uitzondering op een bepaalde tijd tijdens hun eeuwenlange zwerftochten doorheen zullen en moeten gaan en waarin zij zo lang blijven als overeenstemt met hun karmische verdiensten. De zogenaamde 'hellen' zijn die sferen of gebieden van zuivering, waar alle monaden zonder uitzondering tijdens bepaalde perioden van hun eeuwenlange zwerftochten doorheen moeten gaan, en waarin ze de met stof, en daardoor zwaarbeladen zielen reinigen; zodat ze, eenmaal gezuiverd, weer op kunnen stijgen langs de klimmende boog van kosmische ervaring." - The Esoteric Tradition, blz. 543-51

         Deze aarde zelf wordt door die wezens, die lang geleden uitstegen boven haar door stof bezwaarde voertuigen en verleidingen, beschouwd als een hel van een bijzonder pijnlijke soort.
         Er is natuurlijk in de uitgestrekte gebieden van de natuur een bestaanstoestand die het tegenovergestelde of de andere pool is van die stadia van geestelijke verwerkelijking en rust die zich uitstrekken van devachan tot de verschillende graden van nirvâna aan het einde van de grote re periode van evolutie. Deze andere toestand van zijn wordt 'avîchi' genoemd, en bestaat ook in verschillende gradaties overeenstemmende met de materiële neigingen van de entiteiten die er door hun eigen slechte daden toe worden aangetrokken. Zij die zich overgeven aan gevoelens van haat, wraak, begeerten of ondeugden van de een of andere aard, zakken onvermijdelijk af naar de een of andere vorm van avîchi, waartoe ook de lagere trappen van kâma-loka behoren. De 'hellen' of lagere gebieden van kâma-loka zijn de directe karmische gevolgen van het toegeven aan die eigenschappen, die de mens omlaag trekken. Niettemin zijn de gevolgen weldadig, want deze 'hellen' confronteren de entiteiten die erdoor zijn aangetrokken met de verschrikkelijke consequenties van het ongeremd toegeven aan het kwaad, en maken een dusdanige indruk op hen dat de weg naar avîchi later misschien kan worden vermeden. En de toestand is gelukkig slechts tijdelijk, terwijl het aantal van deze onfortuinlijke mannen en vrouwen betrekkelijk gering is.
         De theologische leringen omtrent het vagevuur zijn eveneens een voorbeeld van het door onwetendheid misvormen van de mysterieleringen van de Oude Wijsheid, om de doeleinden van de exoterische religie te dienen. Hoe die konden ontstaan, kan gemakkelijk uit het voorgaande worden afgeleid. De Oude Wijsheid leert dat in de feitelijke toestand van kâma-loka - met uitzondering van de zeldzame gevallen van zelfmoordenaars en van de werkelijk zeer slechte mensen - deze zuivering een onbewust proces is en weinig of geen lijden meebrengt voor normale menselijke wezens, al is er wel een soort vagevuur in de zin van het oplossen van de materiële en zelfzuchtige elementen van de overledene.
         Een ander punt dat dikwijls aan de orde wordt gesteld heeft betrekking op de mogelijkheid de periode tussen twee aardse levens te bekorten. Er is een misschien verrassend grote groep mannen en vrouwen die de gedachte niet kunnen verdragen dat zij duizenden jaren van gelukzaligheid genieten terwijl de wereld moeizaam verder zwoegt zonder dat zij er iets aan kunnen doen. Zo gezien lijkt de toestand van devachan in wezen zelfzuchtig. In antwoord op een aan hem gestelde vraag over dit onderwerp, zegt dr. G.de Purucker:

         "Als we de toestand van devachan nauwkeurig analyseren, moeten we tot de erkenning komen dat, hoe mooi die ook mag zijn, en hoeveel rust en herstel hij ook mag geven - wat stellig het geval is - hij niettemin een zelfzuchtige toestand is. Wat we ook mogen zeggen, hij is noodzakelijk in het huidige stadium, omdat hij rust brengt, herstel en vrede, en een wederopbouw en assimilatie betekent van de ervaringen uit het leven dat pas werd afgesloten; maar al is dit zo, het blijft een zelfzuchtig bestaan; want in de honderden jaren dat we in devachan zijn, zijn we verzonken in schone dromen, en al gaat de wereld misschien ten onder, het deert ons niet. Welnu, dat is niet de geest van de boeddha's van mededogen. Liefde, onpersoonlijke liefde, die alles omvat, groot zowel als klein, zal ons zelfs van devachan bevrijden; en het is juist die geest van onpersoonlijke liefde, liefde voor alle dingen, een verlangen allen te helpen en bij te staan, die de ware kern vormt van de boeddha's van mededogen. . . Het is deze geest die ons devachan zal verkorten en ons snel vooruit zal helpen op het pad van leerlingschap. Het is de geest die onze Oudere Broeders vervult, de Meesters van Wijsheid en Mededogen en Vrede. Zij hebben geen devachan. Zij zijn daar bovenuit gegroeid, tenminste de hogeren onder hen." - The Theosophical Forum, febr. 1933, blz.178

         Een intens onpersoonlijk verlangen om voor de mensheid te leven vormt, als dit een leven lang wordt volgehouden, en vooral als het niet louter sentimentaliteit is, maar de vorm aanneemt van dagelijkse zelfopoffering in denken en handelen, een energie van de meest krachtige soort. Het is sterker dan alle andere krachten omdat het verwant is aan de harmonie en liefde die voortvloeien uit het hart van het heelal. Het komt op passende wijze tot uitdrukking doordat de geëxcarneerde entiteit terug wordt gevoerd naar dat terrein waar deze geestelijke begeerte-energie kan uitwerken - reïncarnatie op aarde in een omgeving waar zulke humanitaire activiteit mogelijk is.
         Het voorgaande leidt tot een vraag die dikwijls wordt gesteld over de betrekkelijke waarde van de twee toestanden, leven op aarde en devachan. Om de zaak eenvoudig te houden zouden we kunnen vragen: Wat is belangrijker, eten of de spijsvertering? Want het aardse bestaan brengt een opeenhoping van ervaringen en devachan zorgt voor de opname daarvan. Voor de gemiddelde mensheid zijn beide noodzakelijk en het ene vult het andere aan.
         Maar de mahâtma, de adept, de Meester van het Leven, is uitgegroeid boven devachan. Hij gaat van het ene leven naar het andere en van lichaam naar lichaam zonder onderbreking van zijn bewustzijn. Maar we moeten het feit niet over het hoofd zien dat door dit te doen hij ook gevorderd is voorbij het punt waarop hij voor zichzelf behoefte heeft aan enige verdere aardse ervaring. Hij reïncarneert als mens om zich te wijden aan het geestelijk welzijn van alle dingen. Om de dood en de daarmee samenhangende toestanden te overwinnen, moeten we eerst de dorst naar het leven overwinnen. Want deze twee, het leven op aarde en het leven in de innerlijke werelden voorbij de dood, zijn op het ogenblik de methode van evolutie voor de mens. En pas als hij de behoefte aan beide te boven is gekomen kan hij een mahâtma worden, zelfbewust, onsterfelijk.
         Maar de dood zal, zelfs voor de gemiddelde mens, tenslotte veranderen, want de mens evolueert natuurlijk doorlopend. Niet alleen onder invloed van zijn eigen innerlijke drang, maar ook met de hulp van een omgeving die hij, gezamenlijk met zijn gezin, zijn natie, en zijn ras, dagelijks creëert, zal hij uit de kern van zijn eigen wezen nieuwe krachten en capaciteiten ontwikkelen. En terwijl hij deze nieuwe vermogens ontwikkelt, zal hij tegelijkertijd toestanden in het leven roepen waardoor hij die tot uitdrukking kan brengen. Dit is een deel van het grootse vooruitzicht dat de theosofie voor de toekomst van de mensheid biedt.

         "In de toekomst, als het menselijk ras wat verder is gevorderd dan nu, zal de ouderdom algemeen worden beschouwd als de mooiste periode van het aardse leven, omdat zij het meest vervuld is van intellectuele, psychische en geestelijke kracht, en dit zal zo blijven tot enkele uren voordat de eigenlijke stoffelijke dood intreedt."(cursivering van de auteur)
         - The Esoteric Tradition, Vol.II, blz. 813

         Een andere zaak die we moeten aanroeren vóór we deze studie besluiten, is het licht dat de theosofie werpt op een veel voorkomende opvatting over onsterfelijk heid nl., dat de ziel van de mens onveranderd blijft bestaan, zoals zij nu is. Niets blijft eeuwig zoals het nu is. Het is dit feit, dat vaak zo onlogisch wordt genegeerd en toch volledige steun vindt in de natuur zelf, dat aan de wortel ligt van het vaak bestaande vooroordeel tegen het begrip onsterfelijkheid. Het individu blijft bestaan, maar dit voortbestaan is alleen mogelijk door middel van verandering. Wij zijn ons eigen karma - wij worden wat we van onszelf maken. Wat blijft is wat we van onszelf maken, en in deze voor- of achteruitgang ligt onze toekomst. Kan men zich een grotere of dwingender uitdaging aan het gezond verstand, zowel als aan het beste en het sterkste en het zuiverste in de menselijke natuur indenken? Zelfs de mooie uitdrukking "het sterfelijke ver heffen tot het onsterfelijke" heeft maar een betrekkelijke waarde. Want de monade zelf waarin wij trachten ons bewustzijn om te zetten, en die onsterfelijk is vergeleken met de menselijke ego, groeit en evolueert op zijn eigen gebied naar steeds grotere en grotere hoogten.
         Wij besluiten deze studie over de dood met de volgende woorden:

         "Men zal de dood noch haar geheimen ooit volledig begrijpen, zo lang men zijn aandacht concentreert op de lichamen waarin deze vlam van bewustzijn zich ontwikkelt. Door het bewustzijn in ons te volgen, vertrouwd te raken met onszelf, onszelf beter te leren kennen, deze vlam van bewustzijn naar binnen te volgen, steeds verder naar binnen, wat ook betekent opwaarts, zal men de dood niet langer vrezen, maar zal men die herkennen als de vriendelijkste, heiligste vriend die de mens heeft; want het betekent het onvolmaakte opzij zetten voor het volmaakte, beperkt bewustzijn verwisselen voor een verruimde sfeer van bewustzijn. Door die stroom van bewustzijn voortdurend te volgen, zal men tenslotte binnenwaarts reiken naar de kern van zijn wezen, de godheid in het hart van onszelf. Dat is het geheim dat leidt tot begrip van het ware mysterie van de dood, zoals het in de oude esoterische scholen van alle mensenrassen wordt onderwezen." - G. de Purucker: Lucifer, april 1934, blz. 441-2

     


    Wat gebeurt er na de dood blz. 87-95

    © 1976   Theosophical University Press Agency
    Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag