De waarde van deze leringen

    _________________

     

    EEN van de belangrijkste dingen van de theosofische filosofie is dat haar idealisme constructief en praktisch is. Op het eerste gezicht lijkt het wellicht moeilijk het verband te leggen met onze huidige jachtige en vercommercialiseerde maatschappij. En toch is er niet een lering, zelfs niet de ogenschijnlijk meest diepzinnige, die niet een innerlijke en praktische betekenis heeft voor het denken en het dagelijks doen en laten van de mens. Om een voorbeeld te geven: is er iets dat praktischer is in zijn uitwerking dan de zekerheid dat wij voortleven na de dood? De ethische invloed daarvan is enorm, vooral in verband met de gedachten van reïncarnatie en karma.
         Waarom zijn we bang voor de dood? Is het misschien omdat we vrezen ons over te geven, het ons zo vertrouwde dagelijkse bewustzijn op te geven? We zijn niet bang voor de slaap, want we herinneren ons de dag van gisteren, en we weten dat het verlies van bewustzijn tijdelijk is en de volgende dag zal worden hersteld. Maar als het om de dood gaat, zijn we als kinderen die elke avond worstelen om wakker te blijven omdat ze actief bezig willen blijven. Pas als we ouder worden en wat meer ervaring hebben, beseffen we hoe verkwikkend de slaap is.
         Hetzelfde verschil in ontwikkeling tussen kind en volwassene met betrekking tot de slaap, kenmerkt het verschil in groei tussen niet volledig ontwikkelde mensen zoals wijzelf, en de adept of mahâtma met betrekking tot de dood. Want de dood te overwinnen, dat wil zeggen het bewustzijn zonder onderbreking over te brengen van het ene leven naar het andere, is een van de grootste resultaten van ware occulte training. En met ware occulte training bedoelen we de wetenschappelijke toepassing van de theosofische leringen op zelfontplooiing, onder leiding van een geestelijk leraar.
         Wij sterven omdat we vrijwel geheel in dat tijdelijke deel van onze natuur leven dat moet sterven, nl. het persoonlijke en stoffelijke bewustzijn. Zelfs de hoogste god uit de innerlijke geestelijke werelden zou, als hij zich een menselijk lichaam kan aanmeten, vroeg of laat getuige moeten zijn van de ontbinding daarvan. De stoffelijke natuur van Jezus, die een hoge avatâra was - of de openbaring van een god - moest door de poorten van de stoffelijke ontbinding gaan. "Maar", zult U zeggen, "hij verrees weer uit de dood." Ja, inderdaad - zoals iedereen van ons moet leren te "verrijzen" - "grotere dingen dan deze zult gij doen" hield hij ons voor.
        De 'wederopstanding' is een inwijdingsleer uit de oude mysteriescholen. Zulke scholen vormden een vitaal deel van alle oude beschavingen. Hun doel was de mens in te lichten omtrent de oorsprong, de bouw, de wetten, en de bestemming van het heelal en de betrekkingen en de ervaringen van de mens daarin. In de dagen van Jezus waren deze mysteriescholen al achteruitgegaan, zoals het met alle dingen gaat in de loop van de tijd. Maar de waarheden die deze instellingen eeuwenlang hadden onderwezen, waren zo verweven in het mentale en morele patroon van de beschavingen rond de Middellandse Zee, dat de christelijke kerk zich genoodzaakt voelde veel van de mysterietaal en ceremonien over te nemen, om de mensen ervoor te interesseren en de nieuwe dogma's begrijpelijk te maken. Maar door ze slechts gedeeltelijk over te nemen, werden ze verkeerd begrepen en daalden ze af tot het materiële peil, zodat de verheven gedachte van de 'wederopstanding' van de geestelijke mens, die triomfeert over zijn eigen zelfzuchtige en dierlijke natuur, degradeerde tot een onlogische leer. De werkelijke verrijzing neemt in de leer van het occultisme een belangrijke plaats in. Het betekent inwijding, die uiteindelijke glorieuze voltooiing van de lange gang van zelfgeleide evolutie onder leiding van een geestelijk leraar. En deze inwijding is weggelegd voor ieder die het leven wil leiden en de leer in praktijk brengen. Het onderwerp inwijding wordt in de theosofische literatuur uitvoerig behandeld, en daarom zullen we ons hier beperken tot één passage:

         "Inwijding is het pad waardoor het evolutieproces van groei in belangrijke mate kan worden versneld; maar een mens moet daarvoor de eigenschappen hebben ontwikkeld en moet hebben geleerd hoe de 'juiste antwoorden' te geven; met andere woorden, hij moet gereed zijn voor inwijding voor hij een poging kan wagen de riten te ondergaan. Dit betekent een serieuze zelftraining, gepaard gaande met een diep verlangen, ja een hongeren naar licht; en het hebben van een onbuigzame wil om voorwaarts te gaan, die door niets kan worden afgeschrikt. Met andere woorden, het betekent het een worden van de mens met zijn eigen hogere constitutie, met het hogere deel in hem: erin en ervoor leven en het laten overheersen, het activeren in het dagelijks leven, in plaats van, zoals de meesten doen, in rust te verkeren, in een sluimer, in een geestelijke slaap en zich onverschillig op de rustige steeds bewegende golven van de langzame Rivier van de Tijd te laten meevoeren." - G. de Purucker: The Esoteric Tradition, blz. 1036/37

         Er bestaat inderdaad ook een soort wederopstanding van het lichaam:

         "Als de tijd voor de wedergeboorte van de mens in het stoffelijk leven weer is aangebroken, daalt de wederbelichamende ego neer uit de monadische afzondering, waarin hij een periode van onuitsprekelijke vrede en rust heeft doorgemaakt; hij 'daalt neer' door dezelfde tussengebieden of werelden, waarlangs hij tevoren opklom aan het einde van het vorige aardse leven, en hij neemt weer zoveel mogelijk levensatomen op die daar waren achtergelaten tijdens de vorige tocht omhoog en die nu weer worden aangetrokken door de wederbelichamende ego op grond van hun affiniteit. . . Het is deze geleidelijke condensatie of materialisatie van innerlijke voertuigen of elementen die, vanaf de monadische of geestelijke wereld tot aan de stoffelijke wereld, de zeven delen van de constitutie van de nieuwe mens vormt, zoals hij op aarde zal bestaan. Hier op dit stoffelijke aardse gebied zal daarom het nieuwe stoffelijke lichaam van de mens zijn samengesteld uit dezelfde of identieke levensatomen waarin de ego leefde en waarmee hij werkte in zijn vorige incarnatie. - idem, blz. 790

         Deze beide leringen behoorden tot de mysteriescholen en werden in gewijzigde en onvolledige vorm door de nieuwe godsdienst, het Christendom, overgenomen. De theosofie stelt zich tot doel opnieuw de oude mysterieleringen naar voren te brengen die door Krishna, Lao-tse, Gautama, en Jezus op verschillende wijzen werden onderwezen - verschillend, omdat elk van hen op een ander tijdstip en onder een ander volk verscheen. De theosofie tracht uitdrukking te geven aan de aloude, mystieke roep van het hart van het heelal tot het hart van de mens, die hem vraagt op te staan en tot de Vader te gaan, in wiens tempel van de Geest hij die kracht en wijsheid kan vinden, die hem zullen opheffen boven de illusies van de zelfzuchtige persoonlijkheid, en hem over de dood zullen doen zegevieren. Zei de grote Avatâra niet: "In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen", en "Ik ga heen om u plaats te bereiden."?
        Deze grootse ideeën en beloften houden verband met onze dagelijkse ervaringen omdat zij het doel van de gehele mensheid tot uitdrukking brengen. Wij lijden en zwoegen en sterven omdat we noch onszelf begrijpen, noch de elementen waaruit we zijn opgebouwd. We weten niet waarom we hier zijn. We begrijpen zo weinig van het leven, dat onze eigen zelfzuchtige belangen het meest belangrijke deel schijnen. We hebben verkeerde voorstellingen van bijna alles. Die dingen waardoor de innerlijke geestelijke natuur ons wil doen ontwaken, zoals pijn, zelfopoffering, leed en tucht, proberen we te ontlopen als we kunnen. Daarvoor in de plaats geven we ons te vaak over aan de bevrediging van de eigen verlangens of aan onverschilligheid, wat een verdovende invloed uitoefent en alleen maar tot meer pijn, meer leed en ziekte leidt.
        Het doel van het leven is "het sterfelijke te verheffen tot het onsterfelijke." Maar onsterfelijkheid valt ons niet zo maar ten deel, zomin als het karakter en het milieu. Ze moet worden verdiend en opgebouwd door eigen inspanning. Het menselijk zelf moet onsterfelijkheid verwerven en zijn recht op het goddelijk avontuur, door zijn lagere samengestelde natuur om te vormen tot de eenheid en homogeniteit van de geest. Dingen die uit verschillende elementen bestaan, materiële of psychologische, moeten uiteenvallen als de energie die ze samenhield is uitgeput. Maar de god in ons is een zuivere straal van Universele Eenheid en kan niet vergaan of ophouden te bestaan. Als de mens zijn eigen menselijke natuur kan omzetten in de homogeniteit van het goddelijke, door onzelfzuchtig en universeel denken en handelen, dan zal hij zichzelf onsterfelijk weten, want hij is dat geworden door zelfgeleide inspanning. Hij zal een Meester van het leven zijn.

     


    Wat gebeurt er na de dood blz. 73-79

    © 1976   Theosophical University Press Agency
    Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag