Waarom sterven wij?

    _________________

     

    DE mens sterft omdat hij innerlijk een geestelijk wezen is. Het leven op deze aarde vormt maar een deel van zijn evolutie. De geest-ziel van de mens hoort thuis in de onzichtbare geestelijke werelden, en verblijft slechts korte tijd op aarde om ervaringen op te doen en de ontelbare minder geevolueerde wezens, zoals de levensatomen waaruit zijn aardse voertuig bestaat, gelegenheid tot groei te geven. De geestelijke mens reïncarneert hier leven na leven; maar in de tussenperioden keert hij terug naar zijn tehuis in de innerlijke werelden en vervolgt daar zijn evolutie op een hoger plan.
         De ware reden waarom wij sterven is dat, diep in ons binnenste, het geestelijk Zelf de roep van zijn 'geboorteland' voelt. Er komt een tijd dat het vermoeid raakt door de last van het lichamelijk bestaan, en verlangt naar de vrijheid en het licht van de geestelijke gebieden. Daarom laat de geest, in het geval van de gemiddelde mens, stap voor stap zijn greep op zijn aardse tehuis los, en maakt zich gereed de reis naar zijn verheven geboorteland te beginnen.
         Wat wij 'dood' noemen betekent veel meer dan vrijwel iedereen beseft. Het afleggen van het stoffelijk lichaam of omhulsel is niet alles wat de geestelijke bewoner heeft te doen om zich klaar te maken voor de reis naar de innerlijke gebieden. Want de mens is een samengesteld wezen. Hij heeft niet alleen een stoffelijk lichaam, maar zijn geest-ziel gebruikt ook een psychologisch voertuig - zijn persoonlijkheid. Deze bestaat uit mentale en emotionele toestanden van bewustzijn. Het is een ingewikkeld weefsel dat door zijn zelfzucht en stoffelijkheid de geest zelfs meer omlaag drukt dan het grof stoffelijke lichaam. Dit kleed van de persoonlijkheid moet ook worden afgeworpen en op zijn beurt tot ontbinding overgaan. En dit latere proces noemt men in de esoterische wijsbegeerte de 'tweede dood'. De dood is derhalve het uiteenvallen in hun respectievelijke elementen van deze twee lagere aspecten van het bewustzijn, het stoffelijke en het psychologische. Het lichaam ontbindt en verdwijnt. Alle tijdelijke energie-centra van de psychologische natuur - die van de hartstochten, de aardse verlangens en begeerten, en de zuiver persoonlijke mentale activiteiten - lossen op en vallen uiteen in de levensatomen waaruit ze waren opgebouwd door de gedachten en handelingen van de persoon die ze gebruikte. De ware Mens, het geestelijk Zelf, kan na op deze wijze zijn omhullende aardse voertuigen te hebben afgeworpen - zoals een vlinder de cocon - zijn vleugels uitslaan naar de vrijheid en vreugde van het geestelijk rijk waar hij thuishoort.
         Het wonderlijke, mystieke proces van de dood vindt steun in de wet van de periodiciteit die het leven van alle dingen beheerst. Want dood en geboorte zijn zelf uitingen van deze universele wet. Alle leven heeft twee polen, een positieve en een negatieve. Alles beweegt zich als een slinger tussen dag en nacht, hitte en kou, eb en vloed, regen en zonneschijn, systole en diastole, slapen en waken - en ook tussen geboorte en dood. Maar zoals de tweede pool van elk van deze paren van tegenstellingen - nacht, kou, vloed, zonneschijn, enzovoort - niet anders is dan een periode en geen eindfase, zo is ook de dood niet een einde maar het begin van een tijdperk van leven van een andere aard. En daar het slechts een tijdelijke periode is, moet het weer door geboorte worden gevolgd.
         Het is dus deze wet van periodiciteit die ten grondslag ligt aan de manifestatie van alle actieve, samengestelde wezens, en die het geestelijk Zelf helpt zich van zijn aardse tabernakel te bevrijden. Maar dit gebeuren, deze zogenaamde dood die wij kunnen waarnemen, is slechts het keren van het tij, waarbij het niet stervende, voor het oog onzichtbare Zelf op de geestelijke ebstroom wordt meegevoerd naar de oneindige oceaan van het eindeloos bestaan.

         "In de meeste gevallen wordt de dood voorafgegaan door een bepaalde periode waarin de monadische individualiteit, of liever de reïncarnerende ego, zich terugtrekt, waarmee tegelijk de scheiding van de uit zeven beginselen bestaande mens gepaard gaat. Dit proces van scheiding gaat een aantal maanden of zelfs jaren aan de stoffelijke dood vooraf, afhankelijk van de individuele mens en is dus een voorbereiding voor zijn toekomstig bestaan in wat voor hem de daaropvolgende sfeer van gevolgen is - het devachan.
         De wederbelichamende ego reageert zo krachtig op de aantrekkingskracht tot de onuitsprekelijke heerlijkheid van de innerlijke werelden, dat het gouden koord van het leven dat hem met de lagere triade verbindt, breekt. Daarop volgt een onmiddellijke bewusteloosheid; want de natuur, die wordt geleid door vrijwel oneindige wijsheid, is in die dingen zeer genadig.
         De ouderdom is dus niet anders dan het lichamelijk gevolg van het proces van voorbereiding tot het terugtrekken van de wederbelichamende ego uit het zelfbewust deelhebben aan de beslommeringen van het aardse bestaan. Hij kan goeddeels worden vergeleken met de periode - die maanden of zelfs jaren kan duren - voorafgaande aan de geboorte van een kind, waarin de terugkerende ego zich min of meer bewust voorbereidt op zijn 'dood' in devachan en zijn afdaling door de lagere tussengebieden in die toestand die geschikt is voor zijn belichaming op dit gebied. De karakteristieke omstandigheid die we kennen als kindsheid, vertegenwoordigt een van de verschillende wijzen om dit aardse leven te verlaten. Er is niets nadeligs in; het leven ebt eenvoudig weg, terwijl een 'geboorte' op de onzichtbare gebieden in voorbereiding is."
         - G. de Purucker: - Bron van het Occultisme, blz. 541 - 42


    DE ZEVEN BEGINSELEN VAN DE MENS

    Om beter te kunnen begrijpen wat er na de dood gebeurt en hoe de innerlijke mens, het geestelijk Zelf, een voor een de omhulsels of voertuigen die voor zijn ervaring nodig waren, afwerpt, zullen we in het kort de zeven beginselen van de samengestelde menselijke natuur bezien.
         Het volgende diagram, dat met het geestelijke begint als het eerste en hoogste element, geeft een kort overzicht.

         De geestelijke triade, Atma Het geestelijk Zelf, of de
         van goddelijke oorsprong Buddhi Geest-Ziel

        
         Manas Hogere Manas            - de reïncarnerende Ego
         Lagere Manas                        - de menselijke
                                                          ego of het persoonlijk zelf

         Het lagere viertal Kâma
         Prâna
         Linga-sarîra                         Produkt van de stoffelijke
         of modellichaam                         evolutie
         Sthûla-sarîra
         of stoffelijk lichaam

         Atma-buddhi is de monade, de geest-ziel in de mens. Het woord monade betekent een eenheid van leven of bewustzijn - een individu. In het hart van elk wezen leeft een monade - of het een ster, planeet, mens, dier, plant, atoom of elektron is. In de mens kunnen we het duidelijker beschrijven als zijn geestelijk Zelf, het gevoel van Ik ben. Atma is een straal van de zuivere Universele Geest, die ons met het Al verbindt. Buddhi is zuivere intelligentie, wijsheid en liefde. Het dient als voertuig of kanaal waardoor het licht van het Universele kan worden getransformeerd. Aan buddhi ontspringen al onze hoogste eigenschappen: mededogen, onderscheidingsvermogen, sympathie, en het geweten, de visies van waarachtig geestelijk zienerschap of verheven genialiteit. Atma-buddhi is zuiver bewustzijn, dat in alle wezens gelijk is, al kan het zonder manas (zoals bij de dieren) niet verstandelijk functioneren.
         Manas is de denker in de mens. Het is zijn ego, de zetel van het zelfbewustzijn, waardoor hij zich "ik ben ik en niemand anders" voelt. Daardoor kan hij bewust in relatie treden met anderen en met zijn omgeving, en hij is zodoende in staat zijn eigen zelfgeleide evolutie voort te zetten. Manas verzamelt de ervaringen van het individuele leven in alle werelden en slaat ze als het ware op. En als deze ervaringen uiteindelijk zijn geabsorbeerd door de Universele Geest, verrijken ze doorlopend de ontplooiing van het kosmisch bewustzijn. Deze drie hogere beginselen zijn van goddelijke oorsprong. Het lagere viertal vormt dat samengestelde voertuig dat bestaat uit de dierlijk-vitale eigenschappen in de natuur, die de evolutie op deze aarde in vervlogen tijden ontwikkelde om door manas, de zelfbewuste denker, te worden gebruikt. In het diagram zien we dat manas tweevoudig is, want deze zelfbewuste denker of ego moet, zodra hij op aarde door middel van een stoffelijk lichaam begint te werken, zich in zijn lagere aspect verbinden met het dierlijke viertal. Het is deze verbinding die de persoonlijkheid of menselijke ego vormt, en die we de lagere manas noemen.
         Maar het hogere aspect van manas staat in verbinding met de wijsheid en het licht van buddhi; en dit hogere aspect is de reïncarnerende ego, de hogere manas. De reïncarnerende ego ervaart de dood niet; maar de lagere manas, die alleen het produkt is van de verbinding van manas met het sterfelijke deel van de menselijke natuur, bestaat slechts gedurende het leven op aarde en lost op bij de tweede dood.

    HET LAGERE VIERTAL

    We zijn nu toe aan het kâma-rûpa, het hoogste aspect van het lagere viertal en een van de krachtigste en belangrijkste elementen in de menselijke natuur. Kâma-rûpa betekent letterlijk begeerte-lichaam, en het is dat centrum van dierlijke verlangens, hartstochten en emoties dat in het leven van de meerderheid der mensen de drijvende kracht is. Want worden de meesten van ons niet gemakkelijker gedreven door hartstochten en verlangens, door eigenbelang en vooroordeel, dan door onzelfzuchtigheid en onpersoonlijke wijsheid?
         Het kâma-rûpa is in vele eeuwen van evolutie tot ontwikkeling gebracht. Tijdens het leven van de mens is het die bundel, of dat samenstel van krachten, die de hogere triade nodig heeft om in verbinding te komen met de lagere, stoffelijke rijken van de natuur op aarde. Het overwinnen van dit begeertecomplex, en het omzetten in een centrum van geestelijk willen in plaats van dierlijke en zelfzuchtige neigingen, is een van de evolutionaire taken van manas, de reïncarnerende Ego. Naar gelang de denker in ons verkiest te worden geregeerd door het lagere viertal, of door zijn geestelijk Zelf, maakt hij slecht of goed karma, dat zijn tegenwoordig en toekomstig leven bepaalt. Het doel van de reïncarnatie is dat de denker, door zijn ervaringen en inspanningen in een lange reeks van aardse levens, door vreugde en pijn, het voorbijgaande en onbevredigende karakter leert inzien van alles dat verband houdt met het lagere viertal. Als hij dan tenslotte ontdekt hoe hij zich met het geestelijk Zelf kan verbinden, zal hij zijn sterfelijke delen opheffen tot onsterfelijkheid. Een ander belangrijk beginsel dat we moeten leren begrijpen is het zogenaamde astrale lichaam of linga sarîra. Linga betekent model of patroon, en sarîra, een niet-blijvende vorm. Het wordt door dr. de Purucker in zijn Occulte Woordentolk omschreven als het zesde substantie-beginsel van de constitutie van de mens, "het model of het raamwerk waaromheen het stoffelijk lichaam is gebouwd, en waaruit in zekere zin het stoffelijk lichaam voortkomt, of waaruit het stoffelijk lichaam zich ontwikkelt naarmate de groei vordert."
         Prâna kunnen we ons voorstellen als het 'veld' van vitale krachten dat wordt begrensd door ons astraalfysieke organisme. Het is een verzameling van vitale levensatomen, ontleend aan de reservoirs van de natuur en qua karakter en activiteit bepaald door de karmische affiniteiten en kenmerken van de betreffende persoon. Voor een goed begrip van de toestanden na de dood zijn deze beginselen niet zo belangrijk als de hogere, want beide verdwijnen bijna onmiddellijk na de dood. Hetzelfde geldt voor het stoffelijk lichaam.


    DE TOESTANDEN NA DE DOOD

    Laten we nu eens zien wat er met deze beginselen na de dood gebeurt. Eerst scheidt de hogere triade zich af van het lagere viertal, en het laatste begint onmiddellijk uiteen te vallen. Het stoffelijk lichaam gaat direct tot ontbinding over en dit maakt het astrale model-lichaam of linga-sarîra vrij, dat ook uiteenvalt. Prâna of vitaliteit vloeit terug in de reservoirs van de natuur.
         Bij het terugtrekken van de hogere triade en het uiteenvallen van de drie lagere beginselen, wordt het kâma-rûpa als het ware afgescheiden als een bundel of rûpa (vorm) van begeerte-energieën. Het is natuurlijk zielloos, want de hogere triade, het ware Zelf, is weg; maar het zal voor kortere of langere tijd blijven bestaan, afhankelijk van de vraag of in het juist beeindigde aardse leven de hartstochtelijke zelfzuchtige aard werd beheerst en verfijnd, of werd versterkt. Maar waar bevindt zich het kâma-rûpa? Leeft het en is het actief? Deze schil van de mens die was, bestaat nu in wat men in de theosofie kâma-loka noemt, dat wil zeggen de'plaats' of 'wereld' van 'begeerte'. Het is voor ons belangrijk deze kâma-loka toestand na de dood te begrijpen, want hij houdt ten nauwste verband met de vooruitgang en het geluk van de mens. Het is het gehele psychologische gebied, dat zich in bewustzijn uitstrekt tussen het aardse leven en devachan, de geestelijke hemelwereld. De Occulte Woordentolk geeft de volgende verklaring van dit gebied:

         "Kâma-loka: Een samengesteld woord dat kan worden vertaald als "begeerte-wereld," . . . Het is een halfstoffelijk gebied, of beter wereld of rijk, dat subjectief, en in de regel onzichtbaar is voor menselijke wezens, en dat onze stoffelijke bol omgeeft en ook insluit. Het is de woon- of verblijfplaats van de astrale vormen van dode mensen en andere dode wezens - het rijk van de kâma-rûpa's of begeertelichamen van gestorvenen. "Het is de Hades," zoals H.P.Blavatsky zegt, "van de oude Grieken, en de Amenti van de Egyptenaren, het land van de Stille Schaduwen." In dit kâma-loka vindt de tweede dood plaats. . . De hoogste gebieden van kâma-loka gaan onmerkbaar over in de laagste rijken of gebieden van devachan; . . .
         Wanneer het stoffelijk lichaam bij de dood uiteenvalt, blijven de astrale elementen van de geexcarneerde entiteit in kâma-loka of de "schaduw-wereld" achter, met dezelfde vitale centra erin aanwezig als tijdens het stoffelijk leven die het nog steeds bezielen; en hier vinden bepaalde processen plaats. De lagere menselijke ziel die is bezoedeld met aardse gedachten en lagere instincten, kan niet gemakkelijk opstijgen uit kâma-loka, omdat ze onrein en zwaar is, en bijgevolg omlaag is gericht. In kâma-loka vinden de processen plaats van de scheiding tussen de monade en het kâma-rupisch spook of de schim; en wanneer deze scheiding zich heeft voltrokken, wat de hierboven genoemde "tweede dood" is, ontvangt de monade de reïncarnerende ego in haar schoot, waarin deze zijn lange rustperiode van geluk en herstel zal genieten."

         De tweede dood is een geleidelijk proces waarvan de gemiddelde mens zich in het geheel niet bewust is. Het is een volkomen normaal proces. Vergeet niet dat we met 'dood' eenvoudig bedoelen het ontbinden van de elementen van een lichaam. We zijn ons van deze tweede dood niet meer bewust dan van de dagelijkse, en heel normale en gezonde afbraak van de weefsels van ons lichaam, of van de geleidelijke en meer subtiele veranderingen die altijd in ons karakter plaatsvinden, want de bundel krachten die we kâma-rûpa of begeertelichaam noemen, is slechts instinctief van aard. Maar al is het gewoonlijk onbewust, toch behoudt het enige tijd het stempel, de karakteristieke persoonlijke indruk van de mens tot wie zijn krachten behoorden - kortom van het menselijk individu dat het kâma-rûpa deed ontstaan. En het is erg belangrijk dat we dit feit begrijpen.
         Een zeer groot aantal spiritistische manifestaties zijn een gevolg van het feit dat het medium en de andere aanzittenden, door het magnetisme van intens verlangen, smart, of nieuwsgierigheid, deze schillen, of maskers, of kâma-rûpa's van de overledenen aantrekken, die als hun overblijfselen in de kâma-lokische gebieden zijn achtergebleven. Deze schillen kunnen magnetisch tot de gedachtenatmosfeer van de seancekamer worden aangetrokken, en levenskracht ontvangen van het medium en de 'kring', waardoor ze als het ware worden aangewakkerd tot een soort onecht leven. Daarna kunnen deze automaten, als gramofoonplaten, zinnen, herinneringen en ideeën weergeven die nauw verbonden zijn met het leven en de persoonlijkheid van de overledene. Of ze kunnen, als een film, de gedachten van de mensen in de kring weergeven. Ongetwijfeld zijn een heel groot deel van de zogenaamde 'mededelingen van de doden' van deze soort.
         Dat deze mededelingen zelden iets anders zijn dan automatische herhalingen, blijkt uit het feit dat de seance-kamer nooit zoiets heeft voortgebracht als een creatieve filosofie, aanwijzingen voor nieuwe wegen in het wetenschappelijk onderzoek, of voor archeologische en historische ontdekkingen. De weinige voorzichtige nieuwe lijnen van onderzoek die het spiritisme heeft opgeleverd, waren het resultaat van levende, en niet van gestorven denkers. Maar dit is slechts de negatieve kant van de zaak, zoals we in een later hoofdstuk zullen zien.
         Het volgende diagram geeft een kort overzicht van de verschillende processen en toestanden die worden veroorzaakt na de dood door de scheiding van de zeven beginselen van de mens:

         Atma - Buddhi: Verkeren in de geestelijke werelden

         Manas:. Absorbeert geleidelijk de geestelijke essentie van de lagere manas of menselijke ego en gaat dan over naar devachan.
         Kâma-rûpa - lagere manas: Lossen langzaam op bij de tweede dood in kâma-loka

        
         Prâna
         Linga-sarîra               Zijn al uiteengevallen als de
         Sthûla - sarîra               tweede dood plaatsvindt

     


    Wat gebeurt er na de dood blz. 20-32

    © 1976   Theosophical University Press Agency
    Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag