Universaliteit en de esoterische traditie

 

H.P. Blavatsky heeft op indrukwekkende wijze over de geheime leer der eeuwen geschreven en erop gewezen dat deze geheime leer uit onheuglijke tijden tot ons is gekomen, en is bewaard door grote leraren in al hun verschillende graden. Zij toonde aan dat deze wijsheid van de goden oorspronkelijk aan de eerste mensen werd geschonken door geestelijke wezens uit andere sferen, uit andere gebieden. Maar ondanks de grootsheid van wat ze leerde en het hoge gebied van denken waarheen ze ons voerde, moet hieraan, lijkt me, nog iets worden toegevoegd om de onderzoeker te behoeden voor het in zijn geest binnendringen van valse ideeën, valse leringen, die hem zouden kunnen afleiden van het centrale vuur. Met andere woorden, het ontbrak de mens aan een maatstaf, een toetssteen, waarmee hij kon vaststellen of een leer waarmee hij in aanraking kwam zuiver goud was of slechts koper.
    Wat is die onfeilbare toetssteen, dat instrument dat men kan gebruiken als men het als zodanig herkent? Het is universaliteit. Elke leer die u wordt voorgelegd, die deze toets niet kan doorstaan, waarvan kan worden aangetoond dat ze niet meer is dan een zogenaamde mededeling uit een andere sfeer, en die geen grondslag heeft in de grote filosofieën, religies en wetenschappen uit het verleden die meesters van wijsheid aan de mensheid hebben geschonken – elke zodanige leer is bedrog en heeft in de hof van ons geweten geen recht en geen plaats. De goden onderrichtten de mens in zijn begintijd, ze leidden hem, voedden hem op, verlichtten zijn denken, zodat hij de archaïsche goddelijke wijsheid, de goddelijke leringen of de geheime leer kon ontvangen en begrijpen en doorgeven in geheime en openbare overleveringen.
    Als deze gedachte, dit denkbeeld tot ons doordringt dat de waarheid, de werkelijkheid aan de mens is gebracht, en dat die nu op aarde voor ons beschikbaar is als wij daarvoor gereed en waardig blijken te zijn, begrijpen we dat ze traditioneel is, dat ze van eeuw tot eeuw door de edelste mensen, de titanische intellecten van de mensheid, op verschillende manieren, op grotere of kleinere schaal, is bekendgemaakt; en dat deze traditie, deze kabbala, deze brahmavidya, dus in alle grote religies en filosofieën kan worden aangetroffen.
    Als men deze zienswijze aanvaardt, let men niet langer op wie de schrijver is van het boek dat men in handen krijgt. Men vergeet de persoonlijkheid, de individualiteit van de leraar en kijkt naar wat hij brengt. Als hij een echte leraar is treft men daarin geen vage randgebieden waarin door sluwe lieden bedrieglijke structuren kunnen worden opgetrokken; men begrijpt dat het gaat om een verheven en machtige traditie, die vanuit het heelal, uit het hart van het goddelijke tot ons is gekomen.
    Deze traditie, deze geheime leer, verschafte H.P. Blavatsky de titel voor haar meesterwerk; en om dezelfde reden heb ik deze woorden, de esoterische traditie, als titel gekozen voor mijn meest recente boek. Ze is esoterisch omdat tot nu toe slechts weinigen haar hebben begrepen; ze is traditioneel omdat ze uit onheuglijke tijden aan ons is overgeleverd. De Esoterische Traditie is dus een poging, misschien een zwakke poging, maar een heel eerlijke en oprechte, om te doen wat onze leraren bij ons proberen te doen: in ons hart en hoofd eerbied en toewijding bij te brengen voor de waarheid die voor ons ligt; in ons hart het goddelijke vuur van liefde wekken voor al wat bestaat; wanneer die liefde alleen is gericht op iemand die men als leraar heeft aanvaard, raakt ze begrensd en beperkt en ontaardt ze gewoonlijk.
    De gedachte achter de titel van dit boek is dat een leraar eerbied moet krijgen, maar alleen voorzover zijn leer waar is. Door niet te letten op de persoon ziet men de boodschap. Is er niet juist aan die toetssteen behoefte, in het bijzonder in de theosofische beweging van nu? Is het niet volkomen in overeenstemming met alles wat H.P. Blavatsky ons leerde: naar binnen zien, omhoogzien, de hand die geeft vergeten en toch eerbiedigen, de boodschap aannemen? Onderzoek die; aanvaard wat u goedvindt; verwerp de rest als u wilt. Misschien maakt u zo een fout, maar u maakt gebruik van uw recht om te kiezen, te onderscheiden, uw intuïtie te gebruiken. Daardoor maakt u de vermogens sterker; en in de loop van de tijd zullen ze heel sterk worden en zult u de grondgedachte die u verwierp accepteren en op die manier de leraar en de leer op de juiste wijze in uw hart toelaten.
    Eén les heb ik geleerd: het gaat om de leer en de magie ervan die invloed op mij hebben; want als de leer mijn hart binnentreedt, groeit mijn eerbied voor hem die haar doorgaf. Is uw eerbied voor de meesters niet oneindig veel groter als u beseft dat zij het edelste en het beste in ons wakker maken? Juist dit edelste en beste in ons stelt ons in staat, als het eenmaal is gewekt, hen te zien. Dat is wat zij willen: niet dat wij hen zien, maar dat we wakker worden, dat ons hart met hetzelfde ritme klopt als de hartslag van het universele hart; en dat ons denken vervuld is van de waarheid die zij ons doorgeven en die wij waarderen naar gelang ze onpersoonlijk is.
    Ik geloof dat de theosofische beweging, nu of in de toekomst, niet meer van bedriegers en valse leraren te lijden zal hebben, mits we onthouden dat de toetssteen van alles wat ons als leer wordt aangeboden, universaliteit is en dat er een beroep wordt gedaan op het geweten, op de innerlijke stem.


Wind van de geest, blz. 51-3

© 2001 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag