Inwijding en lijden

 

Alle inwijding is in werkelijkheid een test of een beproeving, maar de voorbereiding voor die test of beproeving ligt in het dagelijks leven – van 1 tot 2 en 3 januari en verder tot 31 december. Wat wij inwijding noemen betekent eenvoudig dat de neofiet, als hij op de proef wordt gesteld, bewijst of zijn training in het dagelijks leven intensief genoeg was om hem geschikt te maken een hogere zaak te dienen.
    Daarom zeggen de meesters ons dat chela’s niet aan bijzondere beproevingen worden onderworpen; alleen dan wanneer er inwijding volgt en zij de kans krijgen de toets te ondergaan. De beproevingen komen in het dagelijks leven. Ziet u welke les daaruit kan worden getrokken? Maak u gereed nu het nog dag is en vóór de avond valt. Weet u waaruit sommige van die beproevingen bestaan? Daarover zijn allerlei romantische verhalen geschreven. Voor het grootste deel waren dat gissingen, maar de basisgedachte is vaak juist. Dit zijn de beproevingen: Kunt u de bewoners van andere gebieden tegemoet treden en in alle vrede met hen leven? Weet u wat dat wil zeggen? Bent u helemaal zeker van uzelf? Hoe kan iemand die op dit vertrouwde gebied waarop hij leeft, zich niet kan zien zoals hij is en zich niet kan beheersen als dat nodig is, hoe kan zo iemand verwachten de bewoners van andere gebieden veilig onder ogen te komen, niet alleen de elementalen – die zijn lang niet de ergste – maar de intelligente entiteiten of wezens die op andere gebieden leven?
    Welnu, iemand die zich onder controle heeft, misschien niet volledig, maar weet dat hij, als hij zijn wil daarop richt, alles in zijn eigen karakter kan beheersen en die dat weet door het te bewijzen, is gereed inwijding te ondergaan. Wanneer deze kennis tot hem komt, wordt hem de kans gegeven.
    Velen schijnen te denken dat inwijdingen voorrechten zijn, verleend aan mensen die voorwenden een heilig leven te leiden of iets dergelijks, maar ik zal u iets meer vertellen, iets wat ik weet omdat ik het bij mijn medemensen heb gezien: de man of vrouw die zich eerlijk heeft ingezet, die is gevallen en weer opgestaan, met andere woorden, iemand die het brood der smarte heeft gegeten, en daardoor milder en sterker is geworden, voor hem of haar is de mogelijkheid groter dan voor iemand die nooit door het vuur is gegaan. De universele natuur is zo meedogend en zo met ons begaan dat het vaak juist degenen zijn die op het pad struikelen die uiteindelijk het meest worden verrijkt. Heiligheid komt voort uit de strijd met zichzelf die men voert en verliest, voert en verliest en voert en wint. En dan groeit in het hart mededogen, medelijden en inzicht. We worden vriendelijk tegenover anderen.
    U ziet nu hoe het komt dat iemand die snel over de fouten van anderen oordeelt, juist degene is die zelf nooit op het pad is gestruikeld en daarom niet geschikt en gereed is. Mededogen en medelijden bewijzen dat men karakter en kracht heeft die door lijden zijn verworven. ‘Tenzij de voeten zijn gewassen in het hartenbloed’ – zo is het! U ziet hoe vol mededogen de Christus en de Boeddha waren. Laten we leren en hetzelfde doen.
    Mij is vaak gevraagd of geschreven wat ik denk van iemand die ongelukkig is op zijn levensweg, iemand die van het rechte, smalle pad is afgedwaald, en ik heb me afgevraagd hoe een theosoof ertoe komt mij zo’n vraag te stellen. Is het niet duidelijk dat juist degenen die door lijden hebben geleerd sterker zijn dan zij bij wie dat niet het geval is? – en ik bedoel degenen die hebben geleden en zichzelf hebben overwonnen. ‘Oordeel niet opdat u niet wordt geoordeeld.’ Hij die door het vuur is gegaan zal nooit oordelen over iemand die erdoorheen gaat. Hij weet wat het betekent. Het zijn de onvolwassenen, de geestelijk onontwikkelden, zij die nooit door het vuur van het leed zijn heengegaan, die snel met kritiek en een oordeel over anderen klaarstaan. Oordeel niet, opdat u niet zelf eens zult worden geoordeeld.


Wind van de geest, blz. 96-7

© 2001 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag