Het wegen van het hart

 

Ons leven, onze bestemming als mens, worden ons niet door een grillig noodlot toebedeeld; alles wat we denken, alles wat we voelen en alles wat we doen wordt gewogen op de weegschaal van het lot, zoals in de Egyptische ceremonie of rite van het Wegen van het Hart van de overledene symbolisch wordt voorgesteld. Die weegschaal weegt twee dingen, zoals dit Egyptische ritueel zo knap demonstreert: op de ene schaal bevindt zich het levenscentrum, het hart van de mens die leefde, maar nu dood is; en op de andere schaal ligt de veer van de waarheid, van de werkelijkheid, die niet kan worden omgekocht, die zich door niets laat afleiden, die zich door niets laat overhalen of beïnvloeden. Dit symbolische ritueel geeft dus een prachtige verklaring van de leer van karma, het onontkoombare lot dat door niets en niemand ooit kan worden veranderd, want het is de goddelijke wet zelf, die we vergelding noemen als het de gevolgen van onze verkeerde daden betreft, en beloning als het om de gevolgen van het goede in ons of van onze goede werken gaat. In de majestueuze atmosfeer rond dit ritueel is de mens echter niet afhankelijk van een rechter of een vonnis en er is ook geen kwijtschelding van straf. Hij is uitsluitend afhankelijk van de wetten van het zijn. Die weegschaal weegt uiterst nauwkeurig; niets brengt haar uit haar evenwicht, niets laat de schaal omhoog of omlaag gaan. Hij wordt gewogen – let wel – hij wordt gewogen tegen de waarheid zelf en heeft u ooit gehoord dat de waarheid werd omgekocht of bepraat, veranderd of beïnvloed?
    Dit is de leer van beloning en vergelding die wij karma noemen: wat een mens zaait dat oogst hij, niet iets anders; en hij kan de oogst niet ontlopen want hijzelf, gesymboliseerd door zijn hart op de weegschaal, wordt tegen de waarheid gewogen. Als het hart en de veer van de waarheid in evenwicht zijn, dan is het hart even licht en geestelijk als de waarheid zelf en is het daaraan verwant. Maar als het hart zwaarder weegt doordat het verkeerd heeft gehandeld en door de aantrekking tot de lagere dingen op aarde, dan gaat het omlaag en is de omhooggaande veer op de andere schaal het getuigenis en bewijs tegen het door het aardse belaste hart dat niet omhoog kan om het evenwicht te herstellen.
    Dit symbolische ritueel heeft iets majestueus. Het heeft vele verbazingwekkende betekenissen en volgens mij is de edelste de uitwerking ervan op ons in ons dagelijks leven. Wat u zaait, zult u oogsten. Met geen woord wordt gesproken over kwijtschelding van straf en als er in het heelal van zoiets als kwijtschelding sprake was, zou het heelal zelf als oneindige gerechtigheid worden uitgeschakeld. Een gewoon mens kan geen oneindige zonde begaan, want noch zijn geest, noch zijn ziel of zijn kracht is oneindig in omvang. Zijn fouten zijn menselijk en daarom is het wegen op de weegschaal menselijk; de vergelding zowel als de beloning liggen beide op menselijk niveau. Dit is de oneindige rechtvaardigheid van moeder natuur, de natuur die het geestelijke, het goddelijke en de ons omringende natuur omvat, want die zijn één.
    Als iemand van dit belangrijkste feit in het menselijk leven is doordrongen, verandert daarmee zijn hele leven als mens. Hij begint zich rekenschap te geven van zijn daden, hij begint zich rekenschap te geven van de aard van zijn gedachten. Hij bekommert zich om de stroom van zijn gevoelens; want vóór zijn heengaan en wat men de dood noemt, is hijzelf de bezitter van de weegschaal en door zijn gedachten, zijn gevoelens en zijn daden, daden die voortvloeien uit zijn gedachten en gevoelens, bezwaart hij zijn hart met het gewicht ervan. En na zijn dood wordt hij op de weegschaal gewogen, niet op theatrale wijze, zoals het wegen in de symbolische afbeelding, maar gewogen op de weegschaal van het lot; dezelfde weegschaal die mij of u in dit of dat lichaam brengt, in dit of dat land, nauwkeurig in overeenstemming met wat elk mens in vroegere levens in zichzelf, door gedachten en gevoelens en aspiraties en alle andere menselijke emoties heeft opgebouwd. Die dingen zijn geen toeval en gebeuren niet zomaar.
    Welnu, is het niet duidelijk dat als iemand zich van deze dingen bewust is, en ze op hem inwerken en zijn hart beginnen binnen te stromen, zijn gedrag onvermijdelijk wordt veranderd? Leert hij niet, zoals een kind dat zijn vinger in kinderlijke onschuld in een kaarsvlam steekt? Daardoor leert hij. Wat een geweldige morele betekenis heeft deze symbolische voorstelling van het hart van een mens, dat zijn ware zelf is, dat wordt gewogen op de weegschaal van kosmische gerechtigheid, die niet door bidden kan worden beïnvloed, die volslagen betrouwbaar is, want op de andere schaal ligt de veer van de waarheid. Niemand wordt ooit onrechtvaardig beoordeeld of ondergaat iets, hoe gering ook, dat hij niet zelf heeft verdiend; ook wordt nooit iemand beloond voor wat hij niet heeft verdiend, want dat zou absurd zijn; en het ‘gezonde verstand’ en de schoonheid van het heelal zijn zonder weerga.
    Het wegen van het hart, dat het eigen zelf is van de mens, op de weegschaal van het lot, toont ons ook dat wij van ons leven iets moois of iets lelijks maken, strikt in overeenstemming met onze eigen wens en wil en onze aspiratie. We hebben ons lot in eigen hand. Het is niet zo dat de ene mens kracht x krijgt toegemeten om te slagen, en de andere kracht y om te mislukken. We zijn allemaal een vonk van het goddelijke hart, hebben allemaal gelijke mogelijkheden en hebben eeuwig gelijke kansen; en als we mislukken, dan zijn wij het die falen en daarvoor de prijs betalen; maar als de prijs eenmaal is betaald, beginnen we weer met nieuwe hoop en nieuwe kansen: ik heb mijn schuld betaald, ik ben nu vrij, ik begin opnieuw. Wat een kracht schenkt deze leer en hoe bemoedigend is ze voor ons. Ze is een leer van hoop, want geen menselijk lot is zo ongelukkig of minderwaardig dat het niet, als men dat wil en vanaf dit moment begint, op schitterende wijze ten goede kan worden veranderd; want als men zich wil beteren, begint het hart te werken, op u in te werken en uw geest te vullen met edeler gedachten dan er eerst leefden en met gevoelens die veel dieper en milder en zuiverder zijn dan die u eerst koesterde.
    Het is een prachtig symbolisch beeld van de werkelijkheid. Wat is die weegschaal en hoe doet de natuur haar werk? Wel, dat zien we voortdurend om ons heen. Hoe kwam ik in dit lichaam en deze incarnatie? Via de vele woningen van de Vader, zoals de avatara Jezus placht te zeggen. Ik kwam uit de hemelwereld, uit devachan, naar deze wereld via vele bestaansgebieden, daalde af naar deze materiële wereld omdat ik hierheen werd aangetrokken. Wie is de gids en de leider? Horus, de goddelijke geest, de voornaamste geleider van mijn voetstappen, als ik hem dat toesta – volgens het Egyptische ritueel. En het gebeurt als het ware allemaal door dezelfde krachten die in deze stoffelijke sferen heersen, die de zonnen doen stralen, en de hemellichamen zoals onze aarde doen wentelen, en die maken dat alles in een samenvloeiende beweging van het ene naar het andere kosmische gebied van het lot gaat. Dit gebeurt allemaal omdat het geheel en al binnen de natuurwet valt, de wetten van de natuur.
    Hoe vind ik dus mijn weg door dit leven? Door aantrekkingskracht, door wat ik van mezelf heb gemaakt. Ik word hierheen aangetrokken en die aantrekking laat me niet ergens anders heen gaan. Ik schep mijn eigen lot, ben daar ook nu mee bezig en zal in het volgende leven het opnieuw scheppen; laten we hopen meer harmonieus dan ik het in dit leven deed.
    Wat zijn deze hallen of woningen waar Ani, de gewone mens van het Egyptische ritueel, doorheen moet voordat zijn hart wordt gewogen tegen de veer van de waarheid – licht als een veer en die toch het heelal aan banden houdt die nooit worden verbroken? Wat zijn die kamers en woningen waar de goddelijke ziel doorheen gaat? Het zijn de verschillende gebieden, de verschillende werelden waardoorheen de mens na de dood zijn weg zoekt. Hoe kent de ziel van de overledene, als ze bij een poort komt en aanklopt om binnen te worden gelaten het juiste wachtwoord? Door precies dezelfde instinctieve kennis en aantrekkingskracht waardoor de incarnerende ziel die uit devachan komt, haar weg vindt naar haar huidige familie en het lichaam van nu. Ze kan niet verdwalen. En wat betekent het aankloppen van de overledene – weer zo’n prachtig symbool? Het is als het ware niets anders dan het naderen van een nieuw gebied, een nieuwe wereld, een nieuw stadium op de weg van de ziel tijdens haar pelgrimsreis en zij weet instinctief hoe het te naderen, hoe er binnen te gaan, hoe volgens het Egyptische ritueel het wachtwoord moet worden gesproken. Dat bevindt zich in de ziel zelf. Het is ervaring, intuïtie en kennis, hetzelfde wat wij hier nu gebruiken om elkaar te begrijpen, met elkaar te praten, samen te lezen en te studeren. We begrijpen elkaar; maar hoe zou men begrip kunnen verklaren voor iemand die niet weet wat begrip is? Als ik woorden spreek die bij uw verstand aankloppen, als een spreker klopt aan uw hart, gebeurt dat met een gedachte, met een gevoel, het gebeurt met kennis en de poorten van begrip vliegen wijd open; ideeën en gedachten treden uw geest, uw ziel binnen. Dan is er op de juiste manier geklopt.
    Dat wordt bedoeld met de kamers of woningen waar de ziel doorheen gaat; waar ze voor de verschillende poorten komt te staan en krachtig aanklopt; als ze wordt beproefd zegt ze het wachtwoord dat het haar mogelijk maakt verder te gaan. Als men deze wachtwoorden tot een deel van zijn wezen heeft gemaakt, kan men ongehinderd verdergaan. Als men zich niet tot dat punt heeft ontwikkeld of onwaardig is, als ze niet een deel van de ziel zijn geworden, wordt men uitgedaagd, een halt toegeroepen en moet men terug.
    Het is een oude, algemeen erkende waarheid van de goddelijke wijsheid dat alle grote dingen in de wereld uit het hart van de mens komen. Die zetelen niet in het brein; want het brein is de grote brenger van verdeeldheid, de grote bedrieger. Het hart brengt de mensen samen. Waarom gebeurt dat? Omdat het hart een universele taal spreekt die geen woorden nodig heeft. Maar het brein spreekt een woordentaal die van mens tot mens moet worden vertolkt. Daarom is het hart zoveel edeler. De grote dingen van het leven komen voort uit het hart; want in het hart zetelen liefde en intuïtie, onderscheidingsvermogen en inzicht, zelfopoffering, medelijden en mededogen, zuiverheid en goedheid, waarheid, trouw en eer; uit het verstand van de mens komen onenigheden, ruzies, de onwil om anderen te begrijpen, gevoelens van haat en al die andere minderwaardige voortbrengselen van de lagere natuur van de mens, want het zijn de dingen van het brein waarover mensen voortdurend twisten. Ze twisten nooit over wat uit het hart voortkomt, want dat zijn de dingen die we als mensen gemeen hebben.
    Voorbeeld: de waarheid is mij lief en datzelfde geldt voor iedereen in deze zaal. Dat is een uitspraak die rechtstreeks uit het hart komt. Maar het verstand zegt onmiddellijk: wat voor soort waarheid, wat bedoelt u met waarheid? De waarheid van Jan of de waarheid van Kees? Het zakt zoals u ziet onmiddellijk af en er begint een geredeneer, gekrakeel, geharrewar over en weer en een twistgesprek over louter details; maar het hart zegt eenvoudig: ik heb eerbied voor de waarheid en ieder ander mens in het gehoor begrijpt dat met zijn hart. Het hart zegt: ik houd ervan. Het brein begint dadelijk erover te redeneren en allerlei mannen en allerlei vrouwen hebben andere ideeën over wat liefde is en hoever men moet gaan en hoever men niet moet gaan, hoeveel vertrouwen men moet hebben en niet moet hebben, van wat voor soort mensen ik houd en van welke soort ik niet houd. Het hart staat ver hierboven. Het zegt eenvoudig, ik heb lief. Het is een universele taal die ieder mens begrijpt. Daarover hoeft u niet te twisten. U aanvaardt het. Het is het brein dat argumenten aandraagt. Het hart zegt: vertrouwen is een van de mooiste uitingen in het menselijk gedrag, vol vertrouwen zijn. Waar houden we van iets en bewonderen we het? In het hart. Met welk deel van ons zijn we trouw, betonen we respect? Met het hart. Het spreekt een universele taal; daarom zeggen we dat uit het menselijk hart alle grote dingen in het leven van de mens komen.
    Ik wil nog iets verder gaan en u zeggen dat het hart van de mens de tempel of woonplaats of het tabernakel is van een godheid; het is de woning van Horus, volgens het Egyptische ritueel. Iedere keer dat iemand u zijn woord geeft en dat houdt, vooral als hij er zelf nadeel van heeft, handelt hij als een bezielde mens. Iedere keer dat iemand u zijn woord geeft en het niet nakomt, omdat het hem beter uitkomt zich niet eraan te houden, is die mens tijdelijk niet bezield. Zijn ziel slaapt. Iedere keer dat iemand een medemens bedriegt, is zijn ziel in dit opzicht in slaap, ze is niet actief. Hij is niet bezield. Iedere keer dat iemand iets doet of een edele gedachte denkt die anderen helpt, is hij werkelijk mens, want hij is bezield. En als een mens volledig bezield is, zoals alle mensen op deze aarde eens zullen zijn, als zijn ziel vrij is, leeft er niet langer een mens maar een god onder ons. Ik denk dat het mooiste dat wij mensen ooit kunnen zien het licht van bezieling is dat in de ogen van een medemens daagt. Als u dat nooit heeft gezien en nooit heeft begrepen, komt dat omdat uw eigen ziel slaapt; want in deze dingen doet geest een beroep op geest, geest herkent geest, het goddelijke herkent het goddelijke, de mens in me herkent de mens in u; en dat is bezielend. O, als alle mannen en alle vrouwen eens zo leefden dat ze het goddelijke in hen naar buiten brachten en daardoor getuigden van de goddelijke bron van hun eigen innerlijke licht!


Wind van de geest, blz. 98-104

© 2001 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag