Het bezielen van de mens

 

Bij vele gelegenheden heb ik gesproken over die Groten, die volledig bezielde mensen zijn en ook over de meerderheid van de mannen en vrouwen die nog zielloos zijn; en met deze laatste term bedoelde ik niet ‘verloren zielen’. Als men begrijpt wat bezielen betekent, begrijpt men ook de betekenis en het wezen van het chelapad. Een chela is iemand die zichzelf bezielt. De meester is een volledig bezielde mens. De boeddha is een meester van wie de ziel door het licht van de geest wordt verlicht, iemand in wie de geest met zijn stralende pracht de toch al grote schoonheid van de bezielde mens nog verhoogt.
    Het pad van chelaschap is een proces van bezieling van ‘zielloze’ mensen. Onze steden, dorpen, gehuchten en woningen zijn vol van zulke ‘zielloze’ mensen. Ieder van ons is op die momenten dat hij niet langer een ‘ziel’ is, maar slechts in de vier lagere beginselen van zijn wezen leeft, tijdelijk zielloos; dat wil zeggen dat de menselijke monade niet langer actief in hem is. Een verloren ziel daarentegen is iemand die zelfs niet meer de mogelijkheid heeft zich weer met het goddelijke, de geest, de boeddha, de christus in hemzelf te verenigen. De verloren ziel daalt af in de hel.
    Toen de grote Syrische wijze Jezus zei: ‘hij die zijn leven opgeeft om mijnentwil’ – ter wille van de boeddha of de christus in zichzelf, in ieder van ons – ‘zal zijn leven vinden’, bedoelde hij dat zelfs in de meest gewone mensen de innerlijke christus leeft, hoe zwak ook in het begin, en blijft leven als een innerlijk wezen; dat de mens, naarmate de tijd verstrijkt en hij het diepste centrum van zijn wezen meer nadert, geleidelijk bezield raakt, een leider wordt en vervolgens een boeddha en op de boeddha’s schijnt het licht van de eeuwigheid. Zo eenvoudig is dat.
    Zielloze mensen zijn niet slecht. Ze laten zich alleen meedrijven, ze slapen, zijn niet ontwaakt. Ze leven min of meer in de vier lagere beginselen van de constitutie. Maar de chela is iemand die zich door zijn wil, door inspanning, door zijn gedachten, toewijding en liefde voor al wat is, zowel groot als klein, begint te bezielen; en hij klimt langs het chelapad omhoog naarmate hij zich meer en meer bezielt.
    Ik gebruik de term ‘bezielen’ omdat het een eenvoudig woord is en gemakkelijk wordt begrepen. Met opzet vermijd ik woorden die misschien uitvoerig zouden moeten worden toegelicht. Ik geef liever een aanwijzing dan een gedetailleerde leer.
    Ik zal proberen u een beeld te geven van wat bezielen betekent en dat, althans voor mij, kenmerkend is. Wij mensen zijn samengestelde wezens. We hebben een goddelijke, een geestelijke, een menselijke en een dierlijke kant en ook nog het fysieke lichaam dat zo vaak ten onrechte moet lijden door de wandaden die ertegen worden begaan door ons grillige, dwalende, ongedurige, hartstochtelijke, lagere menselijke aspect: de lagere emotionele en mentale beginselen in ons. Deze vier lagere beginselen zijn het menselijke dier. Omdat het een menselijk dier is, staat het hoger dan het dierlijke dier, want het eerste bezit een menselijk instinct. Niettemin moet dit menselijke dier, wanneer de mens als mens leeft, worden bezield door het menselijke van de mens. Als een mens alleen in zijn vier lagere beginselen leeft, is hij minder dan de werkelijke mens. Hij vegeteert slechts. Hij bestaat. Voor hem is er absoluut geen uitzicht op onsterfelijkheid, want er is niets onsterfelijks in de vier lagere beginselen in ons. Maar de menselijke monade, het voertuig van de geestelijke monade of, om het anders te zeggen, de menselijke ziel, het voertuig van de geestelijke ziel, heeft grote kans op bewuste onsterfelijkheid.
    Wanneer een mens in zijn menselijke monade leeft, zijn de vier lagere beginselen bezield. Hij is dan een volledige mens, leeft bewust en gelukkig en zodanig dat hij daarover niet bedroefd en verbitterd hoeft te zijn. Dat is de toets. Het betekent niet een mens die volmaakt is en ook niet dat die mens niet aan verzoekingen blootstaat. Zeker niet, want we zijn allemaal menselijk. De mens van vier beginselen bezwijkt gewoonlijk aan verleidingen omdat hij niet door het menselijke in hem wordt bezield. Het menselijke in ons, om begrijpelijke taal te gebruiken, de menselijke monade, heeft meer kans verleiding te overwinnen dan eraan te bezwijken; en als ik over verleiding spreek, bedoel ik niet alleen lichamelijke hartstocht; ik bedoel allerlei verleidingen. Buitensporige ambitie die alleen ten koste van anderen kan worden bevredigd, is in deze tijd een algemeen voorkomende ondeugd; zelfzucht in een van haar vele vormen; egoïsme, een veelkoppig monster; onbeheerste woede – al die dingen behoren tot het lagere menselijke; lager dan het hogere menselijke, lager dan het echt menselijke.
    Bezielen betekent dus die dingen in praktijk brengen waarvan wij intuïtief en instinctief beseffen dat ze tot ons betere deel behoren. Daar komt het op neer: leven in de menselijke ziel in plaats van in de menselijk-dierlijke ziel; om het technisch te zeggen, leven in buddhi-manas in plaats van in kama-manas.
    In die zin zijn onze straten vol zielloze wezens, met een karakter dat even veranderlijk is als de wind, zonder vaste wil, zelfs zonder een vaste overtuiging, vooral een morele overtuiging, draaiend als weerhanen, heen en weer getrokken door iedere voorbijgaande vlaag van verleiding. Ze zijn minder dan menselijk. Ze zijn zielloos – wat niet betekent dat ze geen ziel hebben, maar dat de ziel in hen niet werkzaam is; ze is niet actief; ze uit zich niet. Kijk in de ogen van die mensen: wat ontbreekt is de stralende schoonheid van de ziel, die u altijd zult herkennen als u haar eenmaal heeft gezien.
    Elke vriendelijke daad die men verricht toont de mate waarin men bezield is, als het een daad is die opwelt uit het hart en niet uit een louter egoïstisch verlangen de aandacht te trekken. Telkens als men een verleiding weerstaat waarvan men weet dat eraan toegeven betekent dat men zich in zijn eigen ogen verlaagt, ook al weten onze medemensen niets van die val; telkens als men die weerstaat, leeft men in de menselijke ziel en bezielt men zich in die mate. Telkens als men de drang tot een zelfzuchtige daad weerstaat, een daad ingegeven door een zelfzuchtige gedachte en voor eigen voordeel, dan bezielt men zich evenzoveel.
    Volledig menselijk, volledig bezield zullen we in de vijfde ronde zijn. Op het ogenblik kunnen we dat zijn door inspanning en aspiratie. De grote meerderheid van de mensheid is zielloos in de technische betekenis die wij eraan geven. De ziel is er wel, maar men wil er niet in leven; men wil haar niet zijn. Men geeft de voorkeur eraan in het dier te leven. Let wel, met dat dier wordt niet alleen het seksuele bedoeld. Dat is slechts één kant ervan en betrekkelijk onbelangrijk. Met het dierlijke wordt het inhalige, hebzuchtige, zelfzuchtige, begerige en aan zichzelf toegevende deel van ons bedoeld; het najagen van dit of dat, zonder standvastigheid van karakter of anders gezegd zonder ziel.
    Begin u te bezielen met de ziel die uzelf bent; dat is het chelapad. Hij die erin slaagt dat te doen is een chela. Het pad is voor alle mensen gelijk en toch voor elk individu verschillend. Zoek het.


Wind van de geest, blz. 105-8

© 2001 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag