Karma: aangenaam en onaangenaam

 

De titel van dit korte artikel over karma geeft volgens mij goed weer hoe mensen die op de hoogte zijn van deze majestueuze leer ertegenover staan: ze denken dat karma iets is dat op zichzelf aangenaam of onaangenaam voor ons is. Als psychologisch feit is die opvatting natuurlijk verklaarbaar; want als karma ons treft, voelen we allen dat zijn slagen hard en onaangenaam zijn, of vriendelijk en troostend, of wat wij aangenaam noemen.
    Maar is het niet eigenlijk zo dat we karma, in al zijn innerlijke en uiterlijke, algemene of bijzondere werkingen, als aangenaam of onaangenaam ervaren door onze eigen reacties op wat het lot ons oplegt en onze eigen houding daartegenover? De natuurwetten, waarvan karma een van de moeilijkst te doorgronden en meest mysterieuze, maar ook de meest troostrijke is, zijn in feite alle volstrekt onpersoonlijk, kennen geen afwijkingen, zijn niet te veranderen en er is geen enkele mogelijkheid ze buiten werking te stellen.
    Juist omdat we volkomen kunnen vertrouwen op de fundamentele rechtvaardigheid van de universele natuur, vinden of ontdekken we het geluk, onze gemoedsrust en wat nog veel belangrijker is, het vaste voornemen ons zo af te stemmen op de geestelijke harmonieën van de natuur dat ons leven daarmee in overeenstemming komt en wij zo medewerkers van de natuur worden, haar intelligente partners. Als we in hogere sferen van menselijke activiteit komen en bereidwillige medewerkers kunnen worden van de natuur in haar plannen, zullen we onze plaats innemen naast de meesters en de goden van de hiërarchie van licht die in hun verschillende ontwikkelingsgraden bewuste en gewillige instrumenten zijn geworden van de lipika’s of ‘schrijvers’.
    Deze lipika’s zijn buitengewoon mysterieuze en occulte wezens in de harmonische structuur van de universele natuur en in feite in het bouwwerk van de kosmos zelf. Er is maar weinig over de lipika’s bekendgemaakt en toch is de plaats die zij in het heelal innemen heel duidelijk. Ze zijn in feite dhyani-chohans van de allerhoogste klasse in de zogenaamde arupa-werelden; omdat zij de eerste kanalen of voertuigen zijn waardoor kosmische ideeën stromen of zich openbaren, worden ze de belangrijkste en machtigste werktuigen van karma, die voortkomen uit de zaden die besloten liggen in de structuur van de kosmische ideatie zelf. Daarom worden ze de middelaars van karma genoemd en omdat ze bovendien niet alleen kosmische ideeën doorgeven naar lagere hiërarchieën, maar karmische gevolgen mee omhoogvoeren om ze bij wijze van spreken op te slaan in de schatkamer van de kosmische ideatie zelf, worden ze, hoofdzakelijk om laatstgenoemde reden, de schrijvers of optekenaars van karma, enz., genoemd.
    In wezen is karma niets anders dan een naam die we geven aan de werkingen of processen van de universele kosmische harmonie die naar morele en andere vereffening streeft, dat wil zeggen, kosmische evenwichten overal in de universele structuur.
    Uit het voorgaande kunnen we gemakkelijk het uiterst belangrijke en betekenisvolle feit afleiden dat wat wij ons karma noemen – of we dat als aangenaam of als onaangenaam zien – in werkelijkheid de uit het verleden tot ons komende gevolgen zijn van allerlei aard of type van wat wij en anderen om ons heen, hiërarchisch gesproken, in dat verleden hebben gedacht, gevoeld en gedaan; en dat op precies dezelfde manier het toekomstige karma van ons en van hen om ons heen, hiërarchisch gesproken, zal zijn wat wij nu door onze gedachten, gevoelens en daden opbouwen als ons toekomstige lot.
    Het is dus, zoals H.P. Blavatsky heeft gezegd, niet karma dat ons naar willekeur begunstigt of straft met wat wij de beloningen of vergeldingen van het lot noemen, maar wijzelf en zij die ons omringen hebben ons in het verleden gemaakt tot wat we nu zijn en zijn nu bezig ons te maken tot wat we in de toekomst zullen worden. Alleen op grond van onze huidige reacties op het karmische lot of de karmische omstandigheden noemen we karma aangenaam of onaangenaam.
    Laat ik als laatste gedachte in verband met karma duidelijk zeggen dat de karmische slagen van het lot, die we onaangenaam of misschien wreed noemen, vaak ware zegeningen van de goden blijken te zijn, die tot ons komen in een vorm of verpakking die we voor het ogenblik met afkeer en misschien met angst bekijken. Het is tenslotte maar al te waar dat teveel voorspoed, teveel geluk, het karakter, zelfs van de besten onder ons, kan verzwakken; maar als we genoodzaakt zijn te strijden of tot handelen worden aangespoord, misschien vaak tegen onze wens, dan ontwikkelen we daardoor niet alleen onze wilskracht, maar ook ons intellectuele en morele karakter, omdat de ingeboren vermogens en latente krachten worden opgeroepen en geoefend.
    Karma, in welke vorm het zich ook voordoet, is een zegen; laten we dat nooit vergeten.


Wind van de geest, blz. 120-2

© 2001 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag