Materialisme, een verloren zaak

 

De theosofische beweging ontstond niet als gevolg van een willekeurige beslissing van de bestaande machten, maar als een cyclische noodzaak. Toen dus H.P. Blavatsky verscheen, kwam ze omdat het nodig was de geestelijke intuïtie van de mens wakker te houden; en door die wakker te houden te voorkomen dat de mensheid zou worden overheerst door een wereld die door brute kracht wordt geregeerd en waarin macht als rechtmatig en de buit van de sterkste als het enige recht wordt beschouwd. Ze wist dat de wil tot brute kracht de mensheid zou beheersen als die niet in toom werd gehouden door de aangeboren goede eigenschappen die in de ziel van de mens aanwezig zijn.
    Hoe is die toestand in de wereld ontstaan? Door twee dingen: een godsdienst die zo door en door materialistisch was geworden dat men niet meer geloofde dat dit heelal wordt bestuurd door geestelijke krachten die ervoor zorgen dat het recht zegeviert, en dat men daarom meende te kunnen doen wat men wilde als er maar lippendienst werd bewezen aan een kerkelijke organisatie. Deze opvatting die afkomstig is van de religieuze kant van de kennis, de opvoeding en de maatschappelijke contacten van de mens, werd meer dan versterkt door een even kwalijke macht uit de gelederen van de wetenschappers. En deze laatste macht oefende een veel grotere invloed uit op het denken van de mens dan de uitspraken van de kerk en haar hiërarchie. Waarom? Omdat men begon te geloven dat het edele onderzoek van de natuur door de wetenschap ons de waarheid bracht; men had reden om dat te geloven, want het ware werk van de wetenschappers is: het zoeken naar feiten en die onderbrengen in een alomvattende filosofische vorm. Heel veel wetenschappers werken heel serieus, met veel energie en uiterst prijzenswaardige volharding aan dat edele doel. Maar heel anders is het als mensen, die zelf alle geloof in een geestelijke leiding van het heelal hebben verloren, gaan theoretiseren en wetten vaststellen die op theoretische bespiegelingen berusten, over het ontstaan van het heelal en de mens, de werkingen van het heelal en het bestaan van de mens daarin en de toekomst van het heelal en de mens. Dit waren geen wetenschappelijke feiten die door onderzoek waren ontdekt. Het waren slechts theorieën, speculaties en hypothesen, voortgekomen uit de verbeelding van mensen die hun geloof in een geestelijke leiding van het heelal hadden verloren. Natuurlijk waren het oprechte pogingen, maar niet gebaseerd op een geestelijk geloof en daarom konden deze wetenschappers de door hen ontdekte feiten in de natuur niet in een alomvattend geheel, een filosofisch geheel, weergeven.
    Kijk eens naar die eerste periode van volslagen materialisme die ongeveer begon in de tijd van Voltaire en anderen. Ik noem Voltaire als voorbeeld, niet omdat hij de grondlegger van dit tijdperk was, maar omdat hij een van de eerste voortbrengselen ervan was en een van de edelste. Hij streed tegen elke vorm van dogmatisme. Alle eer aan hem! Maar zijn werk vernietigde ook het geloof in een geestelijk heelal.
    Wat waren deze wetenschappelijke theorieën aan de ene kant en de religieuze aan de andere kant? Dat dit heelal zichzelf aan de gang houdt, dat er geen geestelijke macht in is die het bestuurt of leidt en dat de dingen bij toeval gebeuren, niet door wetten. Dit kwam enerzijds uit de mond van de wetenschappers en anderzijds kwam de even gloedvolle uitspraak: het heelal wordt veroorzaakt door natuurwetten. Met één kant van de mond preekten ze het toeval; en met de andere kant preekten ze het bestaan van wetten. Het scheen nooit bij hen op te komen dat die uitspraken volkomen met elkaar in strijd waren.
    Wat waren de factoren die volgens Darwin de evolutie veroorzaakten, of wat waren de omstandigheden waaronder de evolutie plaatsvond; of anders gezegd, wat was de oorzaak van de evolutie? Die was strijd – een strijd waarin de sterkste overleefde, niet de beste, niet de edelste, maar de sterkste. Dat zag men als een natuurwet. Noch bij Darwin, noch bij Lamarck, Haeckel, Huxley of bij een andere als groot bestempelde figuur uit de negentiende eeuw vinden we iets dat erop wijst dat deze wereld wordt bestuurd door inherente morele wetten, geen enkele aanwijzing. Wat heerste was brute kracht, waarbij de sterkste of meest geschikte overleefde; en de meest geschikte wilde zeggen de niets ontziende sterkste, niet de beste. Als het dus gaat om een mens en een haai in de oceaan – wie is dan de geschiktste om te overleven bij een gevecht tussen die twee? De haai zal overleven want die is in zijn eigen element. Hij is de geschiktste in dat element en zal de mens doden. Toch is de mens een edeler schepsel, beter en verder ontwikkeld.
    Het Darwinisme komt hierop neer: de toevallige werking van de natuur in een wanhopige strijd om te overleven, waarbij de zwakken worden opgegeten of het onderspit delven en alleen brute kracht de oorzaak van de overwinning is. Zulke denkbeelden vernietigen het zielenleven van de mens, of ze nu van de theologie of de wetenschap afkomstig zijn. Stel u deze feiten helder voor ogen en ga in onze wetenschappelijke boeken na in hoeverre ze met de logica in strijd zijn en in hoeverre de betogen van wetenschappers tekortschieten.
    In die wereld, beheerst door het geloof in geweld als de enige wijze waarop de natuur functioneert, verscheen de wijsheid van de goden door bemiddeling van H.P. Blavatsky; haar voornaamste werk was, zoals ze verkondigde, de geestelijke intuïties in de mens wakker te houden, zodat hij in opstand zou komen tegen wat men ten onrechte de ‘regel’ noemde, het ‘toeval’ in de natuur, deze regel van brute kracht. Let eens op de daden van de volkeren op aarde in de afgelopen drie of vierhonderd jaar. Let eens op de wereld van vandaag. Het gevolg van het verlies van de ziel, van het verstikken van de geestelijke instincten van de mens. Theosofen hebben zich inderdaad krachtig verzet tegen deze leringen van de theologie of de wetenschap. We hebben de minachting en de spot ervaren in een tijd waarin zelfs het praten over de menselijke ziel gezichtsverlies betekende.
    Zie eens wat H.P. Blavatsky deed. Bijna alleen en zonder steun daagde ze het gedachteleven van de wereld uit en bracht ze door haar moed en met haar leringen de oprichting tot stand van de Theosophical Society; ze verkondigde duidelijk en aan allen, zonder onderscheid, dat de wereld wordt geregeerd door ethische wetten en dat wie die wetten overtreedt, of dat nu onder het schijnheilige mom van deugdzaamheid is of openlijk en uit wanhoop, zoals een misdadiger – dat wie die wet overtreedt moet boeten. De wereld van nu gelooft dat niet meer. Ze gelooft dat de enige manier om iemand te laten boeten die men voor een misdadiger houdt, is door grotere brute kracht te gebruiken dan wie ook. Ze geloven niet meer dat er geestelijke wetten heersen. Ze geloven niet meer dat dit heelal wordt bestuurd door ethische wetten. Ze nemen het recht in eigen hand.
    Is dit waarheid? Is dit religie? Is dit filosofie? Is dit wetenschap? Het is geen religie, geen filosofie, geen wetenschap. Al deze drie zeggen in feite dat er in de natuur wetten heersen; dat die wetten geestelijk en dus ethisch zijn; dat er oorzaken zijn en gevolgen die uit die oorzaken voortvloeien en dat die gevolgen altijd onontkoombaar en onvermijdelijk zijn. Ze moeten, kunnen en zullen een mens achtervolgen, zoals de wagen de os volgt die hem trekt – een prachtig oud boeddhistisch gezegde uit het Dhammapada, geschreven in een tijd toen de mensen nog geloofden dat het heelal door geestelijke en morele wetten wordt beheerst.
    Doe een slechte daad en zo zeker als de wagen de os volgt die hem trekt, zal die slechte daad u achtervolgen en u in dit of een toekomstig leven treffen. Dat is religie, dat is filosofie en dat is wetenschap; vooral wetenschap, want die leert het beginsel van oorzaak en gevolg, dat een gevolg op een oorzaak volgt en gelijk is aan de oorspronkelijke oorzaak. De wereld gelooft niet meer hierin. De volkeren geloven niet meer daarin. Alleen die fijnbesnaarde zielen, bij wie de intuïtie helderder brandt dan bij de meerderheid van onze medemensen, geloven niet in die leringen van het nu stervende materialisme: stervend in de religie, stervend in de filosofie, stervend in de wetenschap; maar de kwaadaardige gevolgen ervan kwellen ons zoals het Atlantische karma dat zelfs nu nog zwaar op ons drukt.
    Het is daarom van belang in de wetenschap van onze tijd al die elementen te steunen die het geloof in een geestelijke leiding van de wereld hooghouden. Het is voor ons van belang in de filosofie die elementen te steunen, die filosofische elementen die leren dat het heelal door inherente ethische wetten wordt geregeerd. Het is voor ons van belang in de religie met de grootste sympathie en het grootste begrip die elementen te steunen die het materialisme van de ongeveer 1800 jaar die achter ons liggen verwerpen, en die leren dat het goddelijke alle vaten vult, zowel vaten ter ere als vaten ter onere; want voor het goddelijke is noch het ene noch het andere eerloos. Dat goddelijke is de universele geest uit de schoot waarvan alle wezens en dingen voortkomen en waarin, als in een hemelse haven, alle dingen en alle wezens in de loop van de eeuwen eens zullen terugkeren.
    Het meest noodzakelijke voor ons in deze tijd is ons uiterste best te doen om in het denken van de mens de wedergeboorte tot stand te brengen van de waarheid dat dit heelal de meest strikte kosmische ethische wetten volgt; anders gezegd, wetten van harmonie; want wat in het heelal harmonie is, noemen we in de menselijke ziel het ethische instinct. Vergeet niet dat de mens die vast ervan overtuigd is dat zijn gedachten en gevoelens tot daden leiden en dat hij voor die daden verantwoordelijk is, lang en grondig zal nadenken voor hij tot daden overgaat. Zo is het. Alleen die eenvoudige wet, het geloof van de mens dat dit heelal van ons niet door toeval is voortgebracht, maar dat het is vervuld van morele kracht en dat die morele kracht in de ziel van de mens zetelt, en dat die ethische kracht in de menselijke ziel onze gids moet zijn in ons dagelijks leven. Als men slechts die eenvoudige regel zou volgen, dan zou ons leven hier op aarde een hemel zijn vergeleken met wat het nu is. Al veel te lang heeft de denkende mens onder de illusie of maya verkeerd dat hij de natuurwetten naar zijn hand kon zetten en op zijn manier, met zijn zwakke en onbetrouwbare verstand, kon proberen kosmisch recht uit te oefenen.
    Wat zullen de goden om ons lachen! En als ze bedroefd zijn, zoals sommigen zeggen, wat moeten hun hemelse ogen dan soms vol tranen staan uit een goddelijk medelijden met de mens!


Wind van de geest, blz. 127-32

© 2001 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag