De maagdelijke geboorte

 

Het kerstfeest en de leringen die sinds de vroegste christelijke tijd daarmee samenhangen zijn in oorsprong in het geheel niet christelijk. Ze zijn nooit door christelijke theologen of gelovigen uitgevonden, maar waren alle gebaseerd op gangbare heidense denkbeelden uit het heilige der heiligen. En dit was helemaal geen ongewone gebeurtenis in de geschiedenis van het christendom maar een veel voorkomend gebruik, want de christenen namen uit de filosofieën en religies van die tijd – die ze later minachtten en verwierpen – het grootste deel over van de ideeën die in latere tijden als christelijke theologie bekend zouden worden.
    De vroege christenen groeiden op in een heidense wereld waarin men het bestaan erkende van een exoterische religie of reeks religies en van een geheime leer, alleen voorbehouden aan hen die hadden bewezen geschikt en waardig te zijn om de leringen van de mysteriescholen, de geheimen van het goddelijke, te ontvangen. Alle exoterische religies hielden iets verborgen dat schoon en buitengewoon verheven was en dat binnen het heilige der heiligen werd onderwezen. Dit moet men duidelijk inzien want het is een historisch gegeven; de vroegchristelijke geschiedschrijvers hebben deze gedachten altijd verdoezeld of vergeten of genegeerd; er werd zelfs niet op gezinspeeld en toch is dat de sfeer waarin het christendom is ontstaan. Als men deze sleutel begrijpt en in gedachten houdt, heeft men iets waarmee men kan ontsluieren wat voor christelijke theologen niet alleen moeilijk te begrijpen was maar vooral moeilijk te verklaren.
    Wat de maagdelijke geboorte betreft, die is van oorsprong niet christelijk. Deze opvatting komt sinds onheuglijke tijden in de hele wereld algemeen voor. Vele volkeren leerden in archaïsche tijden dat maagden het leven schonken aan grote wijzen en zieners en men kan dezelfde geschiedenis van Jezus de avatara in andere talen en anders verteld terugvinden, maar ze bevatten alle in wezen dezelfde grondwaarheid die hierop neerkomt dat een groot mens het menselijk goddelijke bereikt door een nieuwe geboorte. Dit denkbeeld was zo algemeen dat het zelfs tot de gewone exoterische taal van de straat of het marktplein behoorde.
    De hindoes spraken van een dvija, een ‘tweemaal geborene’; daarbij dacht men aan de lichamelijke geboorte, geboren uit een moeder zoals met alle mensenkinderen gebeurt, waarna men, als de training was voltooid, innerlijk werd geboren, innerlijk werd verlicht, en dat was de tweede geboorte van de mens, een nieuwe geboorte in het licht van de geest. U ziet hoe groots die gedachte is zodra we het licht van de theosofie erop laten schijnen. Het blijft niet langer christelijk, maar wordt universeel en zie eens hoe het appelleert aan het hart en het denken van de mens. Hoe verheven schijnt het licht van de waarheid op het gelaat van de mens met een hart dat wordt verlicht door een gevoel van eenheid met alles; en hoe tragisch is het wanneer het gevoel van afgescheidenheid hem wegvoert van zijn eenheid met anderen.
    Wat was de betekenis van deze leer in het vroege christendom? Precies dezelfde als in alle andere grote heidense landen. Het ging om gebeurtenissen die zich afspeelden in het heilige der heiligen, waar de neofiet of discipel zijn innerlijke wezen, zijn innerlijke gewaarwordingen, na lange training zo had ontwikkeld dat hij op het punt stond christos te worden, een christus, of zoals het mahayanaboeddhisme het noemt, een bodhisattva. De volgende stap zou het boeddhaschap zijn. Zelfs in exoterische geschriften werd over deze verbazingwekkende waarheid uit het heiligdom gesproken als over een maagdelijke geboorte, een tweede geboorte; en alle verlossers van de mens, in welk land, welke windstreek en in welke tijd ook, alle groten, wijzen en zieners, de boeddha’s en bodhisattva’s van de hoogste graad, de grootsten, werden allen geboren uit de Moeder, de innerlijke heilige geest. Hoe mooi en hoe waar! Het spreekt ons direct aan en het is zelfs volkomen in overeenstemming met het weinige dat het hedendaagse wetenschappelijke onderzoek ons begint te vertellen in wat ze psychologie noemt. We herkennen het allen wanneer een mens zijn leven verbetert en het door eigen inspanning en streven op een hoger plan komt. Het is het eerste zwakke ochtendgloren in het mystieke oosten, het begin als het ware van de heilige geboorteweeën waardoor een mens tot supermens wordt. Na verloop van tijd wordt hij een geïncarneerde god, de god in hem en daarna openbaart hij zich door het christuskind en wordt de lichamelijke mens ontvankelijk voor de innerlijke vlam, het innerlijke licht of het innerlijke vuur. Ziet u niet wat een waardigheid dit ons mensen verleent? Wat een hoop voor de toekomst voor hen die moedig zijn, die zich inspannen en zwijgen!
    Het gaat hier om iets opmerkelijks in de vroegchristelijke geschriften: als Maria een maagd was, hoe kon ze dan kinderen baren? In vroegchristelijke teksten komt in de Grieks-christelijke handschriften een merkwaardige passage voor, die in onze taal overgezet betekent: ‘Mijn Moeder, de Heilige Geest (want de Heilige Geest was bij de eerste christenen altijd vrouwelijk, nooit mannelijk zoals later) mijn Moeder, de Heilige Geest nam me bij mijn hoofdhaar en bracht me naar de heilige berg Athor’. Begrijpt u het? Het gaat hier om de geest in mij, de Heilige Geest, mijn Moeder uit wie ik ben geboren, opnieuw geboren, niet langer geboren uit het vlees maar uit de geest: eerst uit water geboren overeenkomstig het vlees, dan uit vuur geboren overeenkomstig de geest – de eerste geboorte en de tweede geboorte. Dit is inderdaad de maagdelijke geboorte; want de geest van de mens, een straal van het goddelijke, van het onuitsprekelijke, is eeuwig maagdelijk en toch eeuwig vruchtbaar, eeuwig productief. De kosmische christus is geboren uit de kosmische geest, ook in de oudheid vrouwelijk; en op dezelfde manier is de geestelijke mens vrouwelijk en doet in de heilige voltooiing de bodhisattva geboren worden, het christuskind en vanaf dat moment is de mens vervuld van de heiligheid van de geest die door hem stroomt vanuit de goddelijke bron.
    Welk verband houdt dit allemaal met de zon? Sinds onheuglijke tijden zag men naar Vader Zon met eerbied – niet noodzakelijk de fysieke bol die in schoonheid, licht, straling en levensenergie is gehuld, de lichtbrenger voor zijn eigen rijk, maar de godheid binnen, boven en achter die zon en evenzo bij alle andere sterren. Onze zon was een symbool van de kosmische geest, want door die zon heen bewogen zich stromen van vitale schoonheid, leven en licht: licht voor het denken en liefde voor het hart; zonder deze is de mens geen mens.
    De christenen hadden de gewoonte hymnen te zingen tot de zon, waarover men, evenals in andere bronnen, gegevens kan vinden in een mededeling van Plinius, gouverneur van Bithynië en Pontus, aan keizer Trajanus in Rome. Hij zei dat in zijn district de christenen onschuldige en ongevaarlijke mensen leken, want ze kwamen iedere ochtend bij het opgaan van de zon bijeen en zongen lofzangen tot die godheid. En in een verzameling oude christelijke gezangen is er nog een bewaard gebleven dat aan de zon is gewijd, een dat ik vaak heb aangehaald. Het kan als volgt worden vertaald:

O u ware zon
Die straalt met eeuwig licht,
Beeld van de heilige geest
    [niet slechts een schepping van de heilige geest,maar een beeld ervan]
Vervul ons geheel en al.

Geen pars of zogenaamde zonaanbidder schiep ooit een meer typerende lofzang aan de zon dan deze eerste christenen. Die eerste christenen wisten wat ze deden; ze aanbaden niet de fysieke zon, maar het goddelijke licht, dat wat de zon vertegenwoordigde. De zon was het symbool, het beeld van de kosmische christus, geen schepping van god, maar een beeld van het goddelijke. O u ware zon – en het was bij de christenen heel gewoon hun verlosser, Jezus de avatara, te vergelijken met de zon.
    Ik zou willen dat ik tijd had en u meer over de verborgen mysteries van deze leer kon vertellen, maar ik wil alleen dit zeggen: dat zich in de constitutie van de mens een zonne-element bevindt. Hoe kan het ook anders? Er is een maanelement en een element ontleend aan elk van de planeten. Zelfs de wetenschap zegt ons dat we niet alleen deelhebben aan het kosmische licht dat ons van Vader Zon bereikt, maar ook dat zelfs de warmte, die we krijgen uit hout en kolen die we branden, oorspronkelijk van de zon afkomstig is, dat de atomen waaruit deze is samengesteld dezelfde zijn als de atomen die door ons heengaan en dat het zonnelichaam zich niet alleen tot de aarde uitstrekt maar tot alle andere planeten. Natuurlijk is er in ons een zonne-element en een maanelement en een element van elk van de planeten. Anders zouden we onvolledig zijn. De mens heeft alles in zich wat het heelal in zich heeft.
    Al zou een mens alle kennis bezitten en geen liefde in zijn hart voelen, het zou hem niet baten; want dat zou eenvoudig betekenen dat de mens onvolledig is, onontwikkeld, omdat hij als deel van het heelal niet alles te zien geeft of openbaart wat in het heelal is, alles wat in het geheel besloten ligt. Al zou ik alle waarheid van de wereld bezitten, ik zou die niet op de juiste wijze begrijpen. Ik kan erover praten en denken, maar niet de samenhang zien van de werkelijkheid, omdat het hart in mij nog niet is ontwaakt. De magische sleutel van de liefde gloeit nog niet in mijn binnenste.
    Stel u eens deze vraag: u kent twee mensen. De een bezit alle kennis ter wereld, maar is harteloos; de ander is eenvoudig van geest, ongekunsteld, maar zijn hart is groot door de universele, alomvattende sympathie van de liefde. Wie van deze twee zou u als metgezel kiezen en tot wie kunt u zich wenden als er moeilijkheden komen?


Wind van de geest, blz. 133-7

© 2001 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag