De exoterische en de esoterische H.P.B.

 

In plaats van u te vertellen wat het werk van H.P. Blavatsky was en wat ze heeft gedaan, is het misschien interessant als ik probeer u enkele belangrijke gedachten te geven over H.P.B. zelf: wie ze was, wat ze was en waarom ze verscheen; ik zal proberen dit beknopt te doen.
    Eerst wil ik het hebben over de exoterische H.P.B. Er waren twee in één in die edele vrouw – een uiterlijke die in de wereld kwam en het hoofd moest bieden aan de omstandigheden van de wereld waarin ze haar werk ging doen; en een innerlijke, een levende vlam van liefde en intelligentie, een vuur van inspiratie en heilig licht, en dit was de esoterische kant van H.P.B.
    Als men naar haar gezicht kijkt, het bestudeert en de Russische trekken ziet, de gelaatstrekken die doen denken aan de steppen van Groot-Rusland: als men alleen daarbij stilstaat, zal men weinig meer zien dan een gezicht dat niet veel zuiver menselijke schoonheid toont. Maar zij die ogen hebben om te zien en achter de sluier van de fysieke persoonlijkheid kijken, kunnen wel iets anders gewaarworden. Ze kunnen schoonheid zien, ze kunnen een intens pathos en grote droefheid zien – niet de droefheid of het pathos van iemand die een groot werk moest doen maar het niet deed, of niet kon; maar het verlangen, het pathos, het verdriet dat altijd in verband is gebracht met de figuur die in het westen de Christus wordt genoemd. Precies zo! Want achter deze uiterlijke trekken, die sommige kunstenaars in feite lelijk noemden, zien we een etherische schoonheid die niet gemakkelijk onder woorden is te brengen, maar die ieder hart kan aanvoelen en die ieder oog dat geestelijk is geopend, kan zien. Dat gelaat toont een inspiratie die mooi is om te zien; het toont volkomen toewijding en goddelijke gedachten omdat er waarheid in is en waarheid behoort tot het goddelijke hart van de natuur. Als we naar een portret van het gezicht van H.P.B. kijken, zijn het deze geestelijke eigenschappen die sterk naar voren komen en die ons duidelijk maken dat zich achter de uiterlijke persoon het innerlijke, levende esoterische vuur bevond.
    Kan iemand die de wijsheidsreligie van de oudheid heeft bestudeerd ook maar een ogenblik denken dat H.P. Blavatsky bij toeval in de westerse wereld verscheen, los van de wetten van de natuur en de stipte opeenvolging van oorzaak en gevolg, waardoor alles in de juiste volgorde plaatsvindt? Is er iemand die denkt dat er iets bestaat dat niet zijn bepaalde en juiste plaats heeft in de kosmische harmonie? Natuurlijk niet. Dat wil dus zeggen dat ze met haar komst gehoorzaamde aan een wet, een van de natuurwetten waarvan het onkundige westen veel te weinig weet en waaraan het dus twijfelt en omdat het twijfelt is het blind – want twijfel versluiert altijd de innerlijke visie.
    H.P.B. kwam omdat de tijd voor haar komst was aangebroken. Ze was één uit een reeks leraren die in de loop van de eeuwen op bepaalde vaste tijden verschijnen, zoals de geschiedenis van de mensheid aantoont; de ene leraar na de andere en altijd als het daarvoor het juiste moment is en de tijd rijp is en nooit bij toeval. Ze was een van de schakels in wat de oude Griekse ingewijden de Levende Keten van Hermes noemden, de Gouden Keten die verband houdt met het doorgeven van licht en waarheid van mystieke en esoterische aard; en ze verscheen als een regelmatige opvolger van de leraren die haar vóór zijn gegaan en die allen werden uitgezonden vanuit de grote groep van wijzen en zieners, soms mahatma’s of oudere broeders van de mensheid genoemd of die met nog andere namen worden aangeduid. Deze leraren, deze leiders en gidsen van de mensheid, komen en onderwijzen overeenkomstig de esoterische- en natuurwet, wanneer de tijd om hun komst vraagt; hoe zou men anders hun opeenvolging logisch kunnen verklaren?
    De eeuwen gaan voorbij en iedere eeuw brengt een nieuwe generatie voort en elke generatie ontvangt licht van de generaties die eraan voorafgingen, van haar voorvaderen. Maar generaties hebben hun opkomst en hun verval, in materiële beschaving maar ook in geestelijke verlichting, en in de intellectuele, ethische en mentale wegen die de mens volgt bij het voortbrengen van de beschavingsinvloeden van het menselijk leven. In die elkaar opvolgende generaties is er altijd behoefte aan leidende figuren, aan licht dat van eeuw tot eeuw telkens weer wordt gegeven, aan een opnieuw ontsteken van de oude vuren, zoals een feniks uit zijn as herrijst. Zij die het licht doorgeven vormen de Gouden Keten van Hermes.
    Wat brengen deze leraren aan de mensheid? Zijn het leringen die afwijken van die van hun voorgangers, die ermee in tegenspraak, in strijd zijn? Nooit en te nimmer, als hun leringen op de juiste manier worden begrepen. Onderzoek de leringen van alle grote wijzen en zieners die onder de mensen zijn verschenen. U zult ontdekken dat ze in wezen één zijn, hoewel ze in verschillende talen zijn weergegeven, in verschillende gedachtevormen en formuleringen zijn uitgedrukt, passend in de periode waarin elk van de boodschappers respectievelijk verscheen. Al zijn ze in een ander kleed gestoken en verschillen ze uiterlijk, de waarheden die ze leerden en leren zijn één.
    Wat deze wijzen brachten, heeft ook H.P. Blavatsky gebracht. Onderzoek en toets deze uitspraak, bewijs het voor uzelf – de wereldliteratuur is beschikbaar en maakt het u mogelijk dit te doen. Het zou me verbazen als u iets zou kunnen vinden in wat ze leerde, wat de grote zieners die haar voorgingen niet leerden; ik denk niet dat u dat kunt. U zult zich herinneren wat Confucius hierover zei: ‘Ik leer niets nieuws. Ik breng wat mijn voorgangers hebben geleerd. Ik houd van de Ouden; daarom breng ik wat zij leerden’. Details van de lering verschillen, de vorm van de lering is onvermijdelijk anders, maar de lering zelf is de waarheid van en over de natuur, het wezen van de natuur, haar structuur, haar werkingen, haar opbouw, haar kenmerken, haar wetten. Wanneer een theosoof zonder nadere aanduiding over de natuur spreekt, beperkt hij dit woord nooit alleen tot de fysieke wereld. Hij bedoelt dan het universele Zijn, waaronder de goddelijke natuur, de geestelijke natuur, de intellectuele natuur, de fysieke natuur, de astrale natuur – alle geestelijke en etherische rijken en sferen en werelden en gebieden die tezamen vormen wat de grote denkers van het westen en het oosten de geest, de ziel en het lichaam van het heelal hebben genoemd.
    Dat is het wat ze bracht. Dat is wat de grote wijzen en zieners leerden: een openlijke of uiterlijke leer en een innerlijke of verborgen leer; een exoterische leer voor de menigte en een esoterische leer voor hen die hadden bewezen die leer te kunnen begrijpen en die door hun begrip bereid waren haar geheim en heilig te houden. Als het juist was deze esoterische leer aan de menigte te geven, dan zou dat gebeuren. Vergeet niet dat de archaïsche wijsheidsreligie der eeuwen het natuurlijke erfdeel van de mens is en hem rechtmatig toekomt; maar als individu hebben we geen recht op ons erfdeel voor we volwassen worden, voor we geestelijk rijp zijn en in geestelijk en verstandelijk opzicht niet langer kinderen zijn die gemakkelijk misbruik maken van wat ons rechtmatig toekomt, maar wat de natuur en de goden en de meesters uit mededogen en liefde en wijsheid de dwalende mensen onthouden tot ze hebben geleerd meester over zichzelf te zijn. Dan is de mens in staat te beheren wat hem van nature toebehoort. Dan is er geen gevaar meer dat het verkeerd wordt gebruikt of toegepast.
    Aan wat deze edele boodschapper van de meesters, H.P.B., onderwees lag een grootse en verheven ethiek ten grondslag. Ze liet ons zien dat de ethiek of moraal is gebaseerd op de structuur en wetten van de natuur zelf, dat de ethische normen en waarden niet slechts afspraken tussen mensen zijn, dat goed eeuwig goed is, hoe men ook over bijzonderheden mag twisten; en dat kwaad altijd kwaad is. Goed is harmonie en kwaad is disharmonie. Harmonie is het hart van liefde en muziek en vrede van de natuur, want het is evenwicht; disharmonie betekent wanklanken en gebrek aan vrede, onmuzikale dissonanten in de natuur en in het hele mensenleven; want de hele natuur is bezield evenals de mens en deze ethische leer is een van de edelste leringen die ze heeft gebracht. Ze leerde ons dat we onafscheidelijk zijn verbonden, één zijn, met het hart van het Zijn, zodat de dood niet langer als een grauw spook wordt gezien maar als het meest verheven avontuur dat de mens kan beleven; een verheven en prachtige inwijding in andere werelden, in een edeler, grootser en verhevener leven.
    Als één in een reeks leraren verscheen ze in de ritmische orde van de wetten die onze planeet beheersen. Ze kwam inderdaad aan het begin van een Messiaanse cyclus van 2160 jaar en aan het einde van de voorafgaande cyclus van dezelfde duur. Ze was de boodschapper voor haar eeuw, dat wil zeggen voor de komende eeuw – die een nieuwe grondtoon moest aanslaan, maar die, mystiek gesproken, eeuwenoud is; in een bepaalde, zeer ware maar weinig bekende zin was ze een avatara – een avatara van een bepaald type, een bepaalde soort, want er zijn verschillende soorten avatara’s. Iedere leraar die verschijnt heeft niet alleen de beschikking over zijn of haar lichaam, en een op ongewone wijze ontvangen psychisch gestel, maar wordt op bepaalde tijden vervuld van het heilige vuur van een grotere ziel en is daardoor in feite een bepaald soort avatara. Precies zoals Jezus, de Christus genoemd, een avatara van een bepaald type voor zijn tijd was, zo was H.P. Blavatsky voor haar tijd een avatara van een andere soort.
    Bij moderne westerlingen, vooral kunstenaars, is het gebruikelijk Jezus, van Nazareth genoemd, uit te beelden als een man van grote lichamelijke schoonheid, uitgesproken mannelijk, een boeiende verschijning; maar zag hij er werkelijk zo uit? Geeft dit beeld de realiteit weer? Het is een idee of ideaal van de Middeleeuwen en van onze eigen tijd. Weet u niet dat de christelijke kerkvaders vaak trots en luid en openlijk de gedachte verkondigden dat Jezus een man met een armzalig uiterlijk was, in lichamelijk en fysiek opzicht onbeduidend? Maar of dit nu waar is of onwaar, wat heeft dat te maken met de innerlijke vlam, het vuur van de geest dat het sterfelijke omhulsel doorschijnt, zodat dit lichtgevend wordt en gloeit als een lamp en hen die hem omringen verlicht? Daar bevindt zich het ware geestelijke wezen – vanbinnen.
    Ik zal u vertellen waarom H.P.B. – deze avatara van bijzondere aard waarover ik sprak – het uiterlijk had van iemand van wie de lichamelijke verschijning onaantrekkelijk is. Bij haar is die opzet tot nu toe verbazend goed geslaagd. Bij Jezus, de Syrische avatara, heeft dezelfde reden in latere eeuwen niet het gewenste effect gehad. Wat was en is dan die reden? Deze: waar leraren naar streefden was, en dat geldt feitelijk voor elke nieuwe verschijning van een boodschapper, dat die boodschapper alleen door het vuur van de innerlijke geest, het vuur van de innerlijke godheid, zijn geestelijke en intellectuele stempel op de wereld zou drukken, en te voorkomen dat latere generaties zouden falen en uit een instinctieve liefde voor schoonheid het fysieke lichaam zouden verafgoden. Het gaat in tegen de instincten van het menselijk hart om te aanbidden wat lelijk is en te bidden tot wat onaantrekkelijk is. In het geval van Jezus kregen in latere tijden blind geloof en dwaze aanbidding de overhand. In het geval van H.P.B. heeft de onaantrekkelijke vrouw ons en haar tot dusver behoed voor dat lot. Geen enkele man of vrouw heeft de neiging het lelijke te verheerlijken en op zichzelf is dat in zekere zin juist; het is niet verkeerd omdat de mens instinctief weet dat innerlijke schoonheid uiterlijke schoonheid voortbrengt; misschien niet zozeer wat de vorm, maar wat het voorkomen betreft. Dat is de schoonheid van mannelijke en vrouwelijke waardigheid, de schoonheid van het innerlijke licht dat in liefde en wijsheid, vriendelijkheid en zachtaardigheid uitstraalt. Ik hoop dat u begrijpt wat ik met deze paar korte opmerkingen wil zeggen.
    Tweeduizendeenhonderdzestig jaar voor de geboorte van H.P. Blavatsky begon die bijzondere Messiaanse cyclus, die in de loop van de elkaar opvolgende eeuwen de Europese landen in de duisternis van de Middeleeuwen dompelde. Toen ze werd geboren, ongeveer 2160 jaar later, begon er een nieuwe cyclus, een opgaande cyclus die de mensen licht, vrede, kennis en wijsheid moest brengen; het is de plicht van theosofen, als gewone leden van de theosofische beweging, ervoor te zorgen dat de boodschap die ze bracht en ons als een heilige opdracht in handen gaf, zuiver en onvervalst wordt bewaard en aan onze nakomelingen van de volgende generaties wordt doorgegeven zoals wij haar hebben ontvangen. Zoals ik het heb ontvangen, zo moet ik het doorgeven, Iti maya srutam – ‘Aldus heb ik gehoord’.
    Ik geloof dat de grootste hulde die we met ons hart en ons hoofd aan H.P.B. kunnen brengen is haar precies te leren kennen zoals ze was; precies zoals ze werkelijk was en niet zoals wie ook over haar spreekt. De beste manier om haar te zien zoals ze was, is haar en haar boeken, die feitelijk haarzelf zijn, te bestuderen. Dan leert u de ware H.P.B. kennen; want u gebruikt dan de toets van uw intelligentie en uw hart bij het beoordelen van wat zijzelf was en wat ze heeft voortgebracht en niet van wat een ander misschien over haar zegt. Laten we de lichtende toorts die ze ons in handen gaf verder dragen.
    H.P. Blavatsky kwam in een wereld die zich in de greep van een ware ‘dodendans’ bevond, een danse macabre waarin, volgens die middeleeuwse gedachte, men het rammelen van de beenderen van de doden, het krassen van de uilen van vertwijfeling kon horen, en de vochtige kwalijke stank kon ruiken van het kerkhof waar de mens zijn hoopvolle verwachtingen had begraven. Dat was de wereld waarin ze verscheen en de tijd waarin ze sprak: een tijd waarin de mens praktisch alle geloof in een mogelijk bestaan van kennis over geestelijke zaken had verloren; een tijd waarin alleen al het spreken over het goddelijke, over eeuwige hoop en andere geestelijke zaken werd beschouwd als een teken van intellectueel onvermogen. Het woord ziel alleen al was taboe.
    Door de kracht van haar geestelijke kennis die haar in staat stelde een beroep te doen op de geest en de ziel van de mens, bracht die geweldige vrouw, geheel alleen, een verandering in het denken van de mens tot stand en aldus strooide ze gedachtezaden in hun geest, zaden die als vonken vuur door het menselijk brein schoten. Met de enorme energie van haar intellect leerde ze mannen en vrouwen op een nieuwe manier aan het leven en de natuur te denken. Ze toonde namelijk aan dat de stellingen van het stervende materialisme die toen zo in de mode waren en waaraan men innerlijk zijn vertrouwen had gegeven, slechts holklinkend koper en een rinkelend cimbaal waren; dat men niet alleen zijn mooiste verwachtingen op het kerkhof van het fysieke bestaan begroef, maar dat men zich ook innerlijk richtte naar het kerkhof waarheen men op weg was.
    Een geweldige kracht verscheen in de wereld en ging aan het werk en het web dat ze weefde heeft in hoge mate bijgedragen aan de betere omstandigheden waarin we ons nu bevinden. De wereld van vandaag begint theosofie te denken, op een theosofische manier te denken en daardoor is aan de dodendans uit haar tijd een einde gekomen – die duizelingwekkende, zielloze en gedachteloze dodendans op het kerkhof van menselijke verwachtingen – is opgehouden!
    Er is bij H.P.B. sprake van een psychologisch wonder, een mysterie, want H.P.B. was een mysterie. Wat vertellen de grootste wetenschappelijke onderzoekers en denkers ons nu, nadat ze verscheen en haar leringen bracht? Vage afschaduwingen van vele van haar leringen: leringen die, voorzover het deze wetenschappelijke onderzoekers betreft, zijn gebaseerd op conclusies getrokken uit het onderzoek van de fysieke natuur dat die wetenschappers verrichten. Vóór de wetenschappers de feiten ontdekten, maakte zij die feiten bekend en ze deed dat ondanks de spot, de hoon en de tegenstand van de kerk enerzijds en van de wetenschap anderzijds en van alle gevestigde privileges en voorrechten – maatschappelijke, godsdienstige, filosofische en wetenschappelijke – die haar omringden.
    Ze bezat kracht, spirituele kracht, want ze zette de ziel van de mensen in vuur en vlam; ze bezat intellectuele kracht, want ze leerde mensen denken en tot een nieuwe visie komen; ze bezat ook psychische kracht, want ze sloopte de mayavi-psychische muur die de mens in zijn dwaasheid om zijn bewustzijn had opgetrokken.
    Bedenk eens wat dit allemaal betekent. Zou u dat hebben gekund? Zou u het hebben aangedurfd? Zou u nu, in uw eentje, op een dergelijke manier de wereld durven tegemoettreden? Er is een oorzaak en een reden voor het werk dat ze tot stand bracht. We zien nu de gevolgen, we kennen het historische fenomeen van haar leven en haar werk; maar wat was de innerlijke oorzaak? Het was het levende, geestelijke en intellectuele vuur in haar. Het was de esoterische kant van H.P. Blavatsky die haar in staat stelde te doen wat ze deed.
    Denkt u ook maar een ogenblik dat H.P.B. slechts een gewone vrouw was? Denkt u dat de verhalen die over haar zijn verteld, zoals in ‘Voorvallen in het Leven van H.P. Blavatsky’ van Sinnett, alle werkelijke feiten uit haar leven bevatten en gelooft u dat zelfs wat daarin wordt verteld op zichzelf een volledige verklaring over haar verschaft? Geloof het niet! De feiten zelf weerspreken die mening. Een vrouw zoals Sinnett in zijn Voorvallen beschrijft kon de wereld nooit zo in beweging zetten als H.P.B. heeft gedaan. Gelooft u dat het Russische meisje dat hij beschrijft en de zogenaamde Russische priesteres die Solovyoff, haar vroegere vriend en later haar bittere vijand, probeerde af te schilderen, dit had kunnen doen? Denkt u dat iemand die huichelt, die een vals gemoed paart aan een gewoon denkvermogen, de intellectuele en vaak moreel hoogstaande mensen om zich heen had kunnen verzamelen zoals zij dat deed? Natuurlijk niet.
    Denk eens aan de feiten in H.P. Blavatsky’s leven. Laat u niet meeslepen door de verhalen die over haar zijn verspreid. Overdenk ze zelf en trek dan uw eigen conclusies, want zorgvuldig nadenken behoort tot de eerste plichten van een theosoof. Feitelijk interesseren ons de verhalen die over H.P.B. zijn verteld alleen als een psychologisch verschijnsel van de zwakheid van het menselijk denken, want ze duiden op het onvermogen van mannen en vrouwen die proberen een verklaring van haar te geven. Men zou net zo goed kunnen proberen de oceaan in een theekopje te gieten als het karakter en de aard van H.P.B. samen te vatten in de over haar geschreven verhalen die biografisch beweren te zijn. Op zijn best bevatten ze bepaalde willekeurig verzamelde feiten, afkomstig van haar eigen familie – die haar misschien nog minder begreep dan haar theosofische vrienden, en dat ook zei – die tot een verhaal werden samengeweven. Leidt het lezen van die verhalen tot het begrijpen van iemand die deed wat zij deed?
    H.P. Blavatsky was natuurlijk lichamelijk een vrouw, bedenk dat goed en dat lichaam met zijn brein werd geïnspireerd en gestimuleerd door de innerlijke goddelijke zon, de innerlijke boeddha, de levende christus van binnen, zoals mystieke christenen van deze tijd zeggen. Maar tussen dit goddelijke vuur en het gevoelige, mystiek getrainde en opgeleide brein van de vrouw bevond zich een psychisch gestel, dat in het spraakgebruik van het westen gewoonlijk de menselijke ziel wordt genoemd en dat in haar geval – want ze was een ingewijde in de Orde van de Boeddha’s van Mededogen en Vrede – soms zijn plaats kon afstaan om in de open plaats toegang te verlenen aan een zelfs nog veel verhevener menselijke ziel dan de hare.
    Daarom was ze een bepaald soort avatara. Het was deze buddhische luister die de lege plaats vulde die ze met vreugde afstond, die grotendeels de wonderen tot stand bracht die H.P.B. verrichtte. U zult zich herinneren dat ze in haar geschriften vaak onderscheid maakt tussen wat ze H.P.B. en H.P. Blavatsky noemt. H.P. Blavatsky was de vrouw, de chela, de aspirerende, lerende, schitterende, edele, moedige chela. Maar H.P.B. was de ziel van de meester die door haar sprak. Lichaam en geest, één wezen; dan de tussennatuur, het psychische gestel, gewoonlijk ziel genoemd, die desgewenst tijdelijk kon worden opzijgezet. Toen H.P.B. als boodschapper werd uitgezonden bleef in feite dat psychische gestel grotendeels achter. Dat verklaart de zogenaamde tegenstellingen en tegenstrijdigheden in haar karakter, waargenomen door hen die probeerden over haar te schrijven – die ze heel duidelijk zagen en wel moesten zien – maar die ze niet begrepen en waardoor zij vaak verkeerd werd beoordeeld en verkeerd begrepen. Maar wanneer de heilige vlam deze lege plaats vulde, verscheen H.P.B., de leraar, de wijze, de ziener, de leraar van grote wetenschappelijke waarheden, waarvan de wetenschap nu pas de waarheid begint aan te tonen, de leraar van hoopvolle verwachtingen voor de mensheid, die de mensen een visie schonk en een nieuwe filosofie-religie-wetenschap samenstelde en vormgaf.
    Moeten we H.P. Blavatsky alleen zien als een Russische dame van adel? Zo ja, dan was ze een bewonderenswaardige adellijke dame! Deze simpele theorie dekt de feiten niet – een Russische vrouw die technisch gesproken geen opleiding had: niet wetenschappelijk was geschoold, niet in religie onderlegd, geen noemenswaardige filosofische vorming had, maar op mystieke manier opgeleid; toch was de H.P.B. die leefde en onderricht gaf een adept, en in haar leringen een meester op al die terreinen van menselijke kennis!
    Moeten we haar zien als een geïncarneerde mahatma? Alle feiten spreken dat tegen, zoals ze ook in strijd zijn met de eerstgenoemde theorie. Laten we H.P. Blavatsky precies nemen zoals ze was, niet zoals ze verkeerd is voorgesteld. Laten we haar nemen zoals we haar kennen. Laten we haar nemen zoals we haar in haar boeken aantreffen. Laten we ons aan de feiten houden en niet aan theorieën die iemand over haar heeft; als u wijs genoeg bent, zult u zien, zult u begrijpen wie en wat ze was.
    Er waren tijden in haar maatschappelijke leven dat ze de charmante gastvrouw was, een grande dame. Bij andere gelegenheden was ze een voortreffelijke, buitengewoon bekwame pianiste. Weer andere momenten bracht ze mensen in verrukking door haar briljante conversatie, boeide ze een hele zaal, hield ze het hele gehoor in haar ban. Geleerden, handarbeiders, edellieden, vorsten en boeren, kwamen bijeen om naar haar te luisteren. Op nog weer andere tijden, als in haar woning alles rustig was en haar leerlingen haar omringden, gaf ze enkele waarheden door, ontleend aan de grote mysteriën van de wijsheidsreligie uit het verleden. Of ze zat, op andere tijden, aan haar schrijftafel en schreef en schreef van de ochtend tot de avond, ging daarna naar bed om, zoals ze zelf zei, een poosje naar ‘huis’ te gaan. Dan had ze rust!
    Er waren ook perioden dat ze ontvangdagen hield, haar recepties, en ze wetenschappers, filosofen, denkers, polemisten van allerlei aard op filosofisch, wetenschappelijk en religieus terrein ontving; ze sprak met hen en ze vertrokken in opperste verbazing. ‘Waar haalt die vrouw haar wonderbaarlijke kennis vandaan?’ zeiden ze. ‘Hoe komt het dat ze mij geheimen van mijn eigen vak kan vertellen die ik nog niet wist? Vanwaar haar vermogen mij duidelijk te maken dat dit zo is?’ Al deze stemmingen, deze kanten van haar karakter, waren er inderdaad en elk ervan verdient aandacht. Alleen de verklaring van de feiten zelf zal het u mogelijk maken haar te begrijpen. Soms was ze de vrouw, lief en meelevend, als vrouw gesteld op ringen, heerlijke parfums en aardige vrienden. Een andere keer was ze de leraar en wijze. Weer een andere keer was ze sterk en mannelijk, zodat, zoals haar vrienden zeiden, het echt leek of de geïncarneerde mens zich door haar openbaarde – niet een willekeurige mens, maar de Mens.
    Wat zien we: het lichaam, de vrouw, de adellijke dame, goed getraind, goed opgevoed, slecht onderlegd; de goddelijke vlam in haar die als het ware nu en dan beslag legde op haar brein – en dan sprak ze als een pythische priesteres, als een profetes, als een orakel van Delphi; zo ook op andere tijden als ze als de avatara vervuld was van de heilige vlam van een van de Groten. Dan was ze de wijze en ziener en schreef ze haar boeken, kondigde in die boeken aan wat later zou gebeuren en wees ze de mens op de gevaren van een geloof dat losstaat van ethische voorschriften.
    Laten we H.P. Blavatsky zien zoals ze was; en let wel, vrienden: wij die H.P.B. hebben bestudeerd, die van haar houden, haar met hart en ziel trouw zijn, zullen ons niettemin met hand en tand verzetten tegen iedere poging om haar op een voetstuk te plaatsen en een nieuwe Jezus van haar te maken. U weet wat de Groten ons hebben gezegd: wat we bovenal verlangen is een broederschap onder de mensen, een broederschap die de mensheid zal behoeden voor de catastrofen die haar boven het hoofd hangen, veroorzaakt door haar eigen dwaasheid. De morele en zelfs fysieke rampen en onheilen die zelfs nu boven ons hoofd hangen, zullen zeker over ons komen als mannen en vrouwen hun denkgewoonten, en als gevolg daarvan hun daden en gedrag niet veranderen. We zullen ons hardnekkig verzetten tegen iedere poging een nieuwe religie in te voeren die, zoals onze grote leraren al hebben gezegd, een van de grootste vloeken en lasten is waar de mensheid nu onder gebukt gaat: het geloof in een verlosser buiten ons in plaats van de innerlijke, goddelijke geest. Want daarin ligt inderdaad alle waarheid, alle harmonie, alle wijsheid, alle liefde, alle vrede. De innerlijke god in ieder van u als individu maakt deel uit van het hart van het hart van het heelal; en wat dat hart van het heelal betreft, ieder van ons is Het.
    H.P.B. was inderdaad een mysterie; maar al was ze een mysterie, dan wil dat niet zeggen een mysterie in de betekenis die gewoonlijk in het westen eraan wordt gehecht. Ze was een mysterie in de betekenis van de oude Grieken als die spraken over de oude mysteriën en de oude mysteriescholen – iets wat verborgen is, maar kan worden gekend, wat occult en heilig is, maar wat kan worden overgedragen.
    H.P.B. kan worden begrepen; en als we haar begrijpen houden we des te meer van haar; hoe meer we haar begrijpen, hoe groter wordt onze liefde, onze eerbied voor haar. Laat het daarom nooit gebeuren dat theosofen aan de opdracht die ze ons heeft gegeven zo ontrouw worden dat we het mystieke oosten, waar ze altijd naar wees, de rug toekeren en de avatara aanbidden. Laten we trouw blijven aan wat ons is toevertrouwd. We kunnen het voorbeeld van indrukwekkende moed en verheven vertrouwen dat ze ons gaf liefhebben, vereren en navolgen. We kunnen proberen te worden als deze edele vrouw en als vele anderen zoals zij die in het verleden zijn verschenen en in de toekomst zullen verschijnen, anderen veel groter dan zij; maar laten we haar nooit op een voetstuk plaatsen, zoals helaas met een van de leraren in de eerste jaren van het christendom is gebeurd.
    We kunnen onze geliefde H.P.B. geen grotere hulde brengen dan trouw en uit liefde voor haar het werk voort te zetten dat ze op zo grootse wijze is begonnen.


Wind van de geest, blz. 140-53

© 2001 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag