Het visioen van de Heer Boeddha

 

Toen ik een jongen van twaalf was las ik een citaat uit het boeddhisme dat diepe indruk op mijn verbeelding, mijn hoofd en hart maakte. Ik denk dat, van wat ik me kan herinneren, dit een van de dingen was die mij in dit leven het meest hebben wakker geschud. Het is zuivere theosofie en een zuivere boeddhistische leer. Het is dit: de Heer Boeddha spreekt en ik geef een vrije weergave van zijn woorden om ze te verduidelijken: ‘O discipelen, laat nooit ontmoediging toe in uw ziel. Ziet u lijden in de wereld, ziet u ellende en pijn, onwetendheid, nood en leed die het hart doen ineenkrimpen? Discipelen, het is de bestemming van alle dingen om het boeddhaschap te bereiken: stenen, planten, dieren, alle atomen waaruit ze zijn samengesteld, alles en iedereen, ja ook de zon en de maan en de sterren en planeten – alle zullen in toekomstige tijden boeddha worden. Elk wordt een boeddha.’
    Wat een prachtig beeld! Wat een rust brengt het aan het hart en het denken; want als één atoom, één mens een boeddha wordt, geldt dat voor alles; want dit heelal is één, in velen verdeeld tijdens het manvantara of de periode van manifestatie; geworteld in dat Ene, waarin en waardoor het leeft. Daarin leven we, bewegen we en hebben we ons hele bestaan. Daarom is het de bestemming van elk van de vele menigten, zonnen, sterren, planeten, kometen, goden, mensen, dieren, planten, stenen, atomen, elementen, werelden, van alles en ieder individueel, eens, ergens in de ontelbare eonen van wat we de toekomst noemen, het boeddhaschap te bereiken.
    Na dat te hebben gelezen verkeerde ik bijna drie maanden lang in een roes van geestelijke verrukking en innerlijk herontwaken. Tot op de dag van vandaag zou ik u niet kunnen zeggen of ik at of dronk of sliep. Ik weet dat ik dat wel moet hebben gedaan, maar ik herinner me niets anders dan licht; het openen van mijn ogen, innerlijk en uiterlijk, omhoog en naar binnen. Het was precies die gedachte die de deuren openbrak, die zich sloten toen ik de laatste keer stierf en van de wateren van de Lethe, van vergetelheid, dronk. De deuren gingen open en het licht kwam naar binnen, begon binnen te komen.
    Ik vind dat dit fragment ons een prachtig beeld geeft. Neem het delfstoffenrijk: het bestaat helemaal uit onbewuste monaden, dat wil zeggen monaden die onbewust zijn op dit gebied, nooit onbewust in hun eigen sfeer. Maar wat we in het delfstoffenrijk monaden noemen, zijn als het ware de geopenbaarde vormen van in wezen geestelijke monaden, die hier beneden op dit gebied werken en zich ontwikkelen en, zoals de Hebreeuwse kabbala zegt, door deze gilgulim gaan, dat wil zeggen deze lagere verblijven van leven en ervaring, deze werelden van de eindeloze evolutiereis; toch is elk ervan in wezen een god, elk is in essentie een boeddha, een straal van de adiboeddha of de kosmische boeddha. En zo is het met alles.
    Daarom zei de Heer Boeddha: ‘Discipelen, wanneer verdriet uw hart doet ineenkrimpen, als pijn en leed te ondraaglijk worden, als u anderen uit gebrek aan zelfs de gewone levensbehoeften ziet sterven: wees dan niet ontmoedigd. Kijk naar de toekomst. Elk van die menigten zal eens een boeddha zijn, adiboeddha, dus een boeddha, stenen, planten, dieren, mensen en goden, zonnen, sterren, kometen en de elementen van al deze.’
    Toch moet het besef dat alles in essentie goddelijk is en dat alles in de toekomst het boeddhaschap zal bereiken, nooit ook maar een moment onze handen ervan weerhouden hier en nu werken van liefdevolle sympathie en hulpvaardigheid te doen; want het is hier en nu onze verheven plicht om alles te doen wat in ons vermogen ligt om het leed en de noden van de wereld te verlichten die de monaden op hun evolutionaire tocht doormaken en die voor hen noodzakelijk zijn.


Wind van de geest, blz. 154-5

© 2001 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag