Hulp van de leraren

 

De leraren wijzen nooit een oprechte mensenziel af, nooit. Zodra in iemand de roep om hulp opwelt, al is het in de stilte van zijn eigen slaapkamer, als hij ’s nachts in bed ligt, of zich elders bevindt, als de menselijke nood het grootst is en de roep om hulp opstijgt uit het hart van een oprecht mens, dan bereikt die roep zijn doel langs die wonderlijke krachtbanen die we het akasa noemen en elke roep krijgt aandacht – elke. Het gevolg hangt af van de vraag of de leraren de buddhische luister, al is het maar een sprankje, in het menselijk hart aantreffen: d.w.z. een onzelfzuchtig en vurig verlangen naar grotere dingen. Maar de roep moet niet alleen onszelf betreffen: ‘Mijn vrouw en ik, mijn zoon Jan en zijn vrouw, wij vieren en meer niet’. Dat is geen beroep op het heelal, dat is zuiver persoonlijk; die oproep reikt niet ver en bezit geen glans. Maar als de roep om hulp en licht echt is, is er een vleugje buddhische luister, een straaltje licht dat ons van de goden bereikt; en de meesters houden dat in het oog, koesteren dat vonkje hemels vuur dat in dat mensenhart brandt, bewaken het zorgvuldig, moedigen het aan en helpen het zo goed ze kunnen. Ze helpen en leiden met alle passende middelen, zonder de wil of de keuze van die persoon te beïnvloeden, strooien kansen op zijn pad om hogerop te komen; brengen misschien boeken op zijn weg die hem kunnen helpen. Hij wordt zorgvuldig gadegeslagen, over hem wordt gewaakt en hij wordt geholpen; als die mens faalt is dat zijn eigen schuld en niet die van de leraren.


Wind van de geest, blz. 175

© 2001 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag