‘Mij komt de wraak toe’

 

Er is geen ontkomen aan de natuurwet dat een oorzaak tot een gevolg leidt. Dat is onontkoombaar. Gebeden noch smeekschrif-ten, niets zal de werking van het goddelijk bestel veranderen: zoals u bent en zoals u handelt, zo worden de vruchten die u voortbrengt. Ze zijn uw kinderen. Doe goed: en het goede zal u ten deel vallen. Doe kwaad: en de natuur zal de boosdoener met dezelfde disharmonische trillingen en reacties treffen.
    Dat is de betekenis van het oude joods-christelijke gezegde: ‘Mij komt de wraak toe; ik zal vergelden, zegt de Heer’ – woorden waarover men 2000 jaar heeft gepraat en gepreekt, zonder voldoende erin te geloven om op de kracht ervan te vertrouwen. Met andere woorden, men heeft kwaad aan kwaad toegevoegd, door te proberen kwaad met kwaad te beteugelen, wat de zaak alleen verergert. Ga het maar na in de gewone dingen van het menselijk bestaan. Wraak nemen is niet de manier om de boosdoener te verbeteren. Men sterkt hem alleen in de overtuiging dat hij eigenlijk toch gelijk heeft: hij zal weer wraak nemen en de ander zal zich weer op hem willen wreken. Soms wordt het even onderdrukt, zeker. Maar men kan kwaad niet met kwaad beteugelen; angst kan men niet met angst bestrijden en haat niet met haat bevechten. De hemel mag weten hoeveel duizenden jaren dwaze mensen dat hebben geprobeerd, en zijn ze er ooit in geslaagd? De wereld zelf is het antwoord.
    Zelfs de gewone menselijke wetten in een beschaafd land staan niet toe dat men de wet in eigen hand neemt en terugslaat. Ze erkennen dat dit dwaas is en meer kwaad dan goed oplevert. De gewone beginselen die gelden in de maatschappij bevatten meer praktische wijsheid dan volkeren op zichzelf toepassen, of mensen tegenover elkaar in acht nemen. De wet staat niet toe dat men het recht in eigen hand neemt en zich wreekt op iemand door wie men is benadeeld; en dat is heel verstandig want dat beginsel berust op een diepzinnige wijsheidsleer. De natuur duldt het niet.
    De mens is vergeten dat men oogst wat men zaait – niet iets anders. Denk eens aan wat dat betekent; hoe duister de dag ook is, hoe wanhopig de toestand ook mag zijn, wie kwaad doet en wie goed doet krijgt eens zijn loon, precies overeenkomstig het goede of het kwade dat men deed. Men vergeet dat men geen haatdragende gedachten kan koesteren zonder het eigen karakter te misvormen, dat betekent zonder het te verzwakken, minder sterk, minder briljant, minder intuïtief en minder scherpzinnig te maken. Er is kracht voor nodig om een goed mens te zijn en de wet te gehoorzamen vereist kracht; en die kracht neemt sterk toe door oefening.
    Zie wat de maatschappij doet; ze beschermt zich. Hoe beschaafder die maatschappij is, des te humaner wordt het beteugelen van het kwaad. Naarmate een maatschappij minder beschaafd is, zijn de dwangmaatregelen tegen boosdoeners wreder, harder en onrechtvaardiger. En ze hebben geen blijvende uitwerking. Hoe komt dat? Omdat mannen en vrouwen innerlijk fatsoen bezitten. Ik heb zelfs ervaren dat een misdadiger – iemand met een hopeloos karakter, in hart en ziel fatsoen bezat. Zelfs zo iemand wist wat fatsoenlijk is; maar hij was in de ban van de gedachte dat het voor hem volstrekt zinloos was het weer te proberen; want hoe hij ook zijn best deed, zijn strafblad zou tegen hem werken, zijn leven zou een voortdurende hel zijn.
    Wat u zaait zult u oogsten; en wat u nu oogst heeft u in het verleden gezaaid. Dat is precies wat de wereld nu ervaart: ze oogst wat ze heeft gezaaid. Het is niet blijvend, het is niet eeuwig, het is maar tijdelijk. Wat we de ijzeren tijden van beproeving en pijn noemen, wordt door een rustiger en vriendelijker tijd gevolgd, tot de mens genoeg krijgt van schoonheid en harmonie en met de genialiteit waarover hij beschikt zich overgeeft aan kwalijke daden en plannen; dan breekt er een nieuwe duistere tijd aan, een nieuw tijdperk van verschrikkingen, waarin de mens alles wil hebben wat hij kan krijgen en meent dat te kunnen krijgen zonder ervoor te betalen. Dat kan hij niet.
    Een mooie, oude spreuk is: Mij komt de wraak toe – nee, niet wraakzucht; we kunnen het vertalen als het herstel van evenwicht, van gerechtigheid, van harmonie in het heelal – mij komt de wraak toe. Niemand met gezond verstand twijfelt daaraan. We weten allemaal dat als we onszelf niet vertrouwen, de natuur haar tol vraagt. Als we ons lichaam, dat een deel van onszelf is, misbruiken, zelfs als het om gewone kleine vergrijpen gaat, duurt het niet lang of de natuur vraagt haar tol; dan hebben we pijn, zijn misschien ziek. En ook voor alle andere verstoringen van de natuurwet en de harmonie moeten we de prijs betalen.
    Dit is de meest verheven leer die het menselijk genie uit de schoot van de kosmische waarheid tevoorschijn heeft gebracht: ontsnappen is niet mogelijk. Wat een prachtige gedragsregel is daarmee in het leven van de mens gebracht. Men kan nooit eraan ontkomen, ook al probeert men dat. Ontsnappen is niet mogelijk. Men moet tot de laatste cent betalen en dan krijgt men nieuwe kansen. Dan heeft men zijn schuld betaald. Dat is de leer van karma en sommige mensen die het niet begrijpen vinden mis-schien dat het wreed en onvriendelijk is dat er in de natuur, ter bescherming van de kosmische harmonie, wetten bestaan en vergelding voor het verstoren van die wetten. Maar als dat niet zo was, wat zou ons dan doen gehoorzamen? Wel, de mensen zouden dan geen bescherming hebben, de goden zouden geen bescherming hebben. Er zou geen wet en orde heersen. Herstel van harmonie is het mooiste en wonderlijkste wat er in de natuur gebeurt. Het is de veilige haven voor hen die het goede doen, het voornaamste gedragsbeginsel voor de goeden en een waar-schuwing voor de boosdoeners.
    Vat moed. Treed wat komt moedig tegemoet; als u in het verleden in gebreke bent gebleven moet u de schuld betalen; daarna bent u vrij en is er een schoon blad waarop u uw nieuwe lot kunt schrijven. Het zal niet meer de waarschuwing zijn die op de Babylonische muur werd geschreven. De natuur zegt dan: ‘Ja kind, het is voorbij. Een nieuwe weg ligt voor je open, een nieuwe kans. Je bent nu vrij. Je hebt je schuld betaald. Je bent nu bevrijd uit de gevangenis die die verschrikkelijke situatie betekent.’
    Het lijkt mij dat niets zoveel troost geeft en zo mooi is als de gedachte dat de natuur om ons heen, waarmee ik niet alleen de fysieke natuur bedoel, maar de goddelijke schoot van het zijn waaruit we in de dageraad van de tijd zijn voortgekomen, nog altijd onze Moeder is, Vader-Moeder, dat wij kinderen zijn van de kosmische harmonie; en dat in die harmonie oneindige vrede en oneindig geluk liggen voor ons dagelijks leven, en gedragsregels waarop we altijd kunnen vertrouwen. Doe het goede en het goede komt tot u terug. Zaai vrede en er komt vrede over u. Geef anderen iets van de vreugde die in uw eigen hart is en er zal vreugde tot u komen in uw hart en in moeilijke tijden zal die vreugde u vrede brengen. Zaai kwaad in de wereld en dat kwaad zal u, zoals de zich steeds uitbreidende kringen van het lot, op een dag insluiten; dan zal het volstrekt nutteloos zijn de goden zuchtend toe te roepen: ‘Waarom overkomt mij dit?’ U betaalt uw schuld. Dat is pijnlijk, maar als de schuld eenmaal is betaald, bent u vrij. Is dat niet een bemoedigende, in elk opzicht gezonde, praktische en troost brengende leer?


Wind van de geest, blz. 179-82

© 2001 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag