Verlies van de ziel en onoprechtheid

 

Er bestaat een soort zelfdoding die niet vaak maar wel terecht zo wordt genoemd, en die toch zeer reëel is en in de toestanden zoals die nu in de wereld heersen een gevaar, een ernstig gevaar betekent. Ze betreft het verlies van de ziel – een gedachte die de mensen in het westen hardvochtig toeschijnt als iets onvriendelijks en wreeds; want de westerse mens veronderstelt in zijn onwetendheid als gevolg van een verkeerde opvoeding dat we door de een of andere goddelijke kracht hier zijn neergezet voor ons bestwil of tot ons verdriet en dat we, wat we ook doen, eeuwig zullen voortleven. Maar die gedachte steunt absoluut op geen enkele realiteit en dat blijkt al uit het feit dat het gezonde verstand van de mens haar al heeft verworpen in het land waar ze ontstond, het westen.
    We moeten wel bedenken dat de ziel niet hetzelfde is als de monade. De monade is eeuwig want ze is als het ware een deel van de oneindigheid, van de kosmische oceaan van leven en daarvan niet te scheiden. Maar de ziel is het voertuig dat ze heeft opgebouwd om zich op deze gebieden tot uitdrukking te brengen. Als die ziel overeenstemt en in harmonie is met haar goddelijke prototype, dan hebben we op aarde een god-mens en kan de ziel daarna deelhebben aan de onsterfelijkheid van dat goddelijke prototype, want ze wordt er één mee, verbindt zich ermee. Dan hebben we een ziel die niet alleen het voertuig van de monade, van de goddelijke geest in het hart van de mens is geworden, maar die haar ook tot uitdrukking brengt.
    Neem het tegenovergestelde geval waarin de ziel zo is misvormd, zo onvolmaakt is als voertuig, zo onvolkomen geëvolueerd, dat zelfs de geweldige kracht van de geest nauwelijks haar grove substantie kan binnendringen, door de sluiers van het denken kan heendringen, door de maalstroom van gevoelens en gedachten. In dat geval is de ziel nutteloos of nagenoeg nutteloos en wordt tenslotte afgeworpen of afgedankt en in de loop van de eeuwen moet er een nieuwe ziel worden ontwikkeld. Maar dit gebeurt niet alleen vanuit de monade. De keus ligt bij de ziel zelf, de menselijke ziel. Ze kan zichzelf langzaam doden door in leven na leven opzettelijk het slechte te kiezen ter wille van het slechte en te houden van het kwaad ter wille van het kwaad. Als het punt wordt bereikt waarop de opstandigheid van de ziel tegen de goddelijke straal van bovenaf sterker is geworden dan het vermogen of de kracht van die straal om de opstandige ziel in toom te houden, doet zich het geval voor dat we morele zelfdoding noemen. Een ziel is verloren.
    Dit zijn niet slechts woorden, het is een realiteit; en ik denk dat het hoog tijd is dat theosofen hierover niet langer een blad voor de mond nemen. Sinds onheuglijke tijden worden we daarvoor gewaarschuwd. De grootste leraren die de wereld ooit heeft gekend hebben allen deze zelfde waarheid geleerd. ‘Leid het leven en u zult de leer kennen.’ Leid het leven en u kunt onsterfelijk worden. Als u weigert met de natuur mee te werken, weigert haar te gehoorzamen, in opstand komt tegen haar wetten, dan loopt dat uit op verlies van de ziel – en de eerste stappen daartoe zijn zo gemakkelijk. Facilis descensus Averno: ‘de gemakkelijke afdaling naar de Avernus’. In het begin is het zo eenvoudig. We lopen eigenlijk allemaal elke dag van ons leven risico’s: onoprechtheid, plichtsverzuim, beloften niet nakomen; bovenal zijn woord niet houden, niet betrouwbaar zijn wanneer er op ons wordt gerekend. We weten allen wat de innerlijke gevolgen zijn voor iemand die weet dat hij onbetrouwbaar, onoprecht is. Zijn ziel ontaardt. In het ergste geval is de ziel van zo iemand, zou ik willen zeggen, aangetast door zedelijk bederf. Op die manier begint het verlies van de ziel. Zelfdoding, morele zelfmoord of verlies van de ziel begint met kleinigheden. Maar de man of vrouw die zijn of haar woord houdt, die oprecht en trouwhartig is, is edel. Die dingen zijn verheven van aard omdat de geest erin huist.
    Iemand die zijn woord houdt, die oprecht blijft wat het hem ook kost, is edel – en dat betekent dat men niet wreed is tegenover anderen, maar wel dat men innerlijk eerlijk en moedig is. Daaruit ontstaat zelfrespect, innerlijke vrede en zo wint men het respect van hen die we liefhebben.
    Afglijden gaat zo gemakkelijk. Onoprechtheid leidt tot onwaarheid en als onwaarheid in ons hart is, worden onze woorden onbetrouwbaar en komen we gemakkelijk tot leugens. Elke stap omlaag maakt herstel moeilijker en vergemakkelijkt de volgende stap omlaag. Vlei uzelf geen ogenblik met de gedachte dat u veilig bent. Zolang we onze tussennatuur bezitten of wat we de ziel noemen, moeten we op onze hoede zijn. De mens heeft het in eigen hand van zichzelf een god te maken of, wat minder verheven, van zichzelf iemand te maken tegen wie anderen opzien en in wie ze vertrouwen hebben; wat is er mooier dan dat men van iemand kan zeggen: hij is te vertrouwen! Omdat we omhoog kunnen stijgen, kunnen we ook vallen.
    Het is heel moeilijk gedragsregels te geven waardoor een man of vrouw weet of hij of zij zich tenminste op het omhooggaande pad bevindt; het is buitengewoon moeilijk daarvoor formele regels te geven; toch denk ik dat als men zichzelf eerlijk onder-zoekt en na dat nauwkeurig onderzoek kan zeggen: ‘Wat mijn fouten ook zijn geweest, hoe ik ook op het pad ben gestruikeld, ik heb woord gehouden; mijn tong is niet bezoedeld door leugens; ik heb geen vertrouwen beschaamd; ik ben loyaal geweest in mijn verplichtingen tegenover anderen en mezelf’, – als een mens dat van zichzelf kan zeggen, mag hij het gevoel hebben tamelijk veilig te zijn. Maar als bij dit onderzoek ook maar het geringste gevoel van zelfvoldaanheid in hem opkomt, of een neiging zichzelf en zijn daden goed te praten, terwijl men innerlijk weet de zaak te verdraaien – pas dan op!
    Ik denk dat de Egyptenaren, met hun hiëroglyfische schilderingen van het wegen van het hart tegen de veer van de waarheid, die zo licht is als een veer en toch almachtig in haar vermogen eerlijk en rechtvaardig te wegen, het bij het rechte eind hadden. Ik vraag me af hoevelen van ons bij het wegen van ons hart zullen vinden dat de schaal het juiste gewicht van het hart aangeeft. Al te vaak denken we dat een mens door zijn brein op het verkeerde pad wordt gebracht – dat armzalige instrument. Hier, in het hart, werkt de demon en hier bevindt zich ook de god. Een slecht mens gebruikt het brein om verontschuldigingen te vinden voor de bedenksels van een verdorven hart om een ander schade te doen, het brein dat intrigeert en plannen uitbroedt. Maar de impulsen ontstaan in het hart. Het brein wordt alleen het werktuig. Ik voel dat heel sterk. Ik weet dat ikzelf in mijn werk heel wat keren vergiffenis heb geschonken in geval van verraad en ik zal u zeggen waarom. Ten eerste omdat het goed is te vergeven; ten tweede omdat ik inzag dat als ik in de plaats van de betreffende persoon had gestaan, in de plaats van de verrader, ik het misschien nog slechter had gedaan. En ik weet uit ervaring dat een vergevensgezinde houding goed is en helpt.
    Geen mens is onvoorwaardelijk onsterfelijk, niemand. U bent alleen onsterfelijk als u zich verenigt met onsterfelijkheid, het onsterfelijke in u. Anders bent u sterfelijk omdat u zich met het sterfelijke in u heeft verenigd. Onderzoek daarom uzelf voor het te laat is en als u constateert dat u in uw hart anderen heeft gekwetst en dat heeft gedaan door de kwade impulsen in uw hart om te zetten in daden, houd er dan mee op. Maak het weer goed. Als u vanbinnen voelt dat u oneerlijk of onoprecht bent omdat u voor uzelf iets wilt hebben of iets wilt verhinderen, houd ermee op, want dan bent u op de neergaande weg.
    Wees altijd vriendelijk; denk geen ogenblik dat u, om eerlijk te zijn, harteloos moet zijn, genadeloos openhartig tegenover anderen. Dat is je reinste wreedheid. Soms is zwijgen oneindig veel beter dan spreken. Soms kan men in stilte, door te zwijgen, waarheidslievender zijn dan door te spreken. Maar of men spreekt of zwijgt, houd altijd uw woord. Wees net zo op uw hoede voor onoprechtheid als voor alle demonen uit de hel.


Wind van de geest, blz. 197-200

© 2001 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag