Het verband tussen het eindige en het oneindige

 

    Vraag: Wat is volgens de theosofie het verband tussen het oneindige denkvermogen en het eindige denkvermogen? De moeilijkheid is dat als men zegt dat het eindige denkvermogen deel uitmaakt van het oneindige denkvermogen, men aan het oneindige denkvermogen ook de gebreken van het eindige moet toekennen. Maar als men zegt dat het geen deel uitmaakt van het oneindige denkvermogen, dan kan het oneindige niet oneindig zijn.
    Antwoord: U heeft een vraag gesteld waarover in alle tijden en door alle mensenrassen is gedebatteerd. Het is hetzelfde probleem dat theologen heeft geplaagd en bestookt, want van het standpunt van de theologie is het duidelijk dat als God oneindig is en desondanks een schepper, alles wat het oneindige schept oneindig moet zijn; toch zien we ons omringd door een oneindigheid van eindige dingen. Hoe komt dat? Dit probleem in de theologie is hetzelfde als wat volgens u in de filosofie bestaat. Mij is niets bekend dat op deze vraag een antwoord kan geven behalve de goddelijke wijsheid die we in deze tijd theosofie noemen; u zult begrijpen dat ze niet zo gemakkelijk te beantwoorden is omdat men geoefend moet zijn in het esoterische denken voor men volledig ervan overtuigd is dat het antwoord in alle opzichten voldoet. Toch wil ik proberen de feiten in eenvoudige taal uiteen te zetten.
    Het denkbeeld dat het oneindige handelt heb ik altijd als volstrekt verkeerd beschouwd, want de oneindigheid kan niet handelen, omdat wie handelt een beperkt wezen is. De oneindigheid handelt niet zoals een wezen, want een wezen is een beperkte entiteit. Daarom kunnen we alleen zeggen dat de oneindigheid handeling per se is, leven per se, niet een leven – dat is beperking, dat is eindigheid. Neem mij als mens, u als mens, een hemellichaam zoals de zon of een planeet, of een dier, een plant, welk beperkt wezen ook: dit beperkte wezen, een eindig wezen, leeft en beweegt in zijn stoffelijke uitdrukkingsvorm en heeft zijn bestaan in het oneindige; het kan niet daarbuiten zijn omdat de oneindigheid geen grenzen, geen begrenzing kent en er niets is dat daarbuiten valt. Daarom heeft dat eindige wezen ergens, op de een of andere manier, in een bepaald deel ervan, wortels in het oneindige; het oneindige stroomt er als het ware doorheen, zoals de zee stroomt door alles wat de golven omvatten, al is natuurlijk de oneindigheid een grenzeloze zee, bij wijze van spreken.
    Ik, als mens, heb dus mijn wortels in het goddelijke; dat goddelijke omringt me overal en doordringt me helemaal, in al mijn delen, in mijn hele wezen. Ik kan het nooit verlaten. Daarom ben ik een kind ervan. Toch ben ik hier als mens, in een zwak, klein, beperkt, fysiek lichaam, met een zwak, klein, fysiek beperkt brein vergeleken met dat van de goden, een zwak, klein leven, met een hart zoals we zeggen, een ethisch instinct, en wat al niet. Toch ben ik een mens. Ik heb goddelijke gedachten, ik voel mijn eenheid met al wat is. Hoe? Waarom? Dat is het probleem.
    Ik wil nu aanduiden wat de esoterische theosofie hierover zegt. Er bestaat een oneindigheid van eindigheden, een vreemde paradox. Met andere woorden, deze entiteiten of wezens die we eindig noemen zijn oneindig in aantal. Ik vraag me af of u die gedachte kunt volgen. Zo zijn de atomen van de grenzeloze ruimte door geen grenzen beperkt; elk is een eindig wezen en toch bestaan ze in oneindige aantallen. We kunnen ons geen einde voorstellen want als ons denken eenmaal zegt ‘daar eindigt de oneindigheid’ is dit een beperking van de oneindigheid die hier eindige dingen heeft voortgebracht. We zeggen dus volkomen terecht: waarom zou de oneindigheid zich in enig opzicht beperken en hoe zou ze dat kunnen? Die gedachte wijzen we van de hand, we kunnen die niet aanvaarden. Het zijn de oneindige fluisteringen van de oneindigheid in me die mijn bewustzijn in staat stellen dit idee te begrijpen; het is voor dit beperkte brein moeilijk aan een oneindig idee plaats te bieden binnen zijn enge grenzen. Maar ik weet intuïtief, iets vanbinnen fluistert me in, dat het zo is. Dat is het oneindige dat me bezielt, dat door mij heen stroomt.
    Er is dus een oneindigheid van eindige entiteiten, bijeengebracht in duidelijk onderscheiden veelheden, wat die ook mogen zijn – mensen, planeten, zonnen, sterren, stenen en wat al niet – noem ze atomen, want al deze dingen bestaan uit atomen, of uit dingen die kleiner zijn dan atomen, zoals elektronen, protonen, enz. Alle kosmische verschijningsvormen, in het groot of in het klein, volgen feitelijk dezelfde algemene kosmische regel, hetzelfde patroon; en zij zijn de waarneembare verschijningsvormen van het heelal tegenover de verborgen noumena of geheime oorzaken.
    We zien dus dat de westerse filosofie in haar filosofisch onderzoek een grote vergissing maakt door te zeggen dat de oneindigheid ons omringt, maar dat het eindige er radicaal of wezenlijk van verschilt. Een vreemde paradox! Juist omdat de eindige dingen onbeperkt zijn, oneindig in aantal, vormen ze daardoor collectief als oneindigheid een deel van het oneindige – ze zijn feitelijk in zekere zin de omhullingen van de oneindigheid. Ze zijn de oneindigheid. Met andere woorden, we moeten onze opvatting over het heelal veranderen vóór we kunnen begrijpen waarom het oneindige in de tijd ademt in wat wij mensen de grenzeloze ruimte noemen. In zeker opzicht is zelfs een menselijke gedachte oneindig omdat ze er één is van een oneindig aantal gedachten of energieën, die in het hart van de natuur leven en nooit de oneindigheid kunnen verlaten.
    Als u deze heel subtiele, moeilijke gedachte kunt volgen, weet u precies wat de esoterische filosofie leert, evenals bijvoorbeeld de Vedanta, de Advaita-Vedanta uit India. Wat leert ze en wat leert de wijze van de veda’s haar discipelen? Dit: Tat tvam asi: ‘U bent Dat, het grenzeloze’. Want als Dat en u verschillend zijn, dan staat deze ‘u’ buiten de oneindigheid, wat absurd is, en wordt de oneindigheid onmiddellijk eindig, omdat er iets is dat zich daarbuiten bevindt, en dat betekent dat het begrensd is en daarom niet oneindig. Daarom wordt dat beperkte wezen, die eindigheid, op wonderlijke wijze doorstroomd met oneindigheid, want in zijn wezen, in zijn essentie, is het van dezelfde substantie als de oneindigheid.
    Dat is precies de reden waarom theosofen de christelijke theologie niet kunnen aanvaarden, hoewel we de leringen van de avatara Jezus wel aannemen. We zien in hem een van de grootste theosofen; maar in latere tijden werd de theologie van het christendom door kleinere mensen opgesteld die het geheim van de leringen van hun grote meester hadden verloren. En als de christelijke theologie zegt dat God een schepper is, dat ‘Hij’ de wereld op een bepaald ogenblik in de oneindigheid uit niets heeft geschapen, zeggen wij dat dit onmogelijk is, dat dit ‘God’ beperkt. Het oneindige is geen schepper, geen maker, geen demiurg – om de filosofische term demiourgos van de Grieken te gebruiken; zoals de wijze van de veda’s, zoals de Advaita-Vedanta uit India en de esoterische filosofie zeggen, is het Dat. Wij geven er geen concrete naam aan, want zo’n benaming houdt een beperking in. We zeggen eenvoudig dat het naamloos is, Dat. ‘Dat’ is geen titel, het is geen naam; het is alleen een poging van de menselijke geest om de oneindigheid niet van een etiket te voorzien, of een naam te geven, of er een kaartje aan te hangen, maar om die term Dat alleen te gebruiken als middel om er in een gesprek naar te verwijzen.
    Tenslotte leert de esoterische filosofie, als we deze lijn van subtiele gedachten volgen, dat zelfs wat wij het fysieke heelal noemen oneindig is, omdat het uit een oneindig aantal eenheden, eindigheden bestaat. En zo is het in alle eeuwigheid – nooit had het een begin, nooit zal het een einde hebben. Want oneindigheid heeft geen begin en geen einde. De oneindigheid schept deze eindigheden niet en brengt ze niet voort. Daarom zijn ze er altijd, sinds het oneindige verleden tot in de oneindige toekomst en zijn ze delen van de oneindigheid. Een vreemde filosofische paradox. Prachtige intuïtieve gedachten van de wijzen uit de oudheid!
    Soms denk ik dat, hoewel het voor ons een edele zaak is deze verborgen en moeilijke gedachten te onderzoeken omdat ze ons verheffen naar hogere niveaus van denken en onze geest verruimen, ik het toch met de oude wijze eens moet zijn die zei dat het antwoord, het meest wezenlijke antwoord op zulke vraagstukken, in de stilte wordt gevonden. Dat is maar al te waar! Wat ons misleidt, wat ons verstrikt en onze gedachten op een dwaalspoor brengt, zijn woorden. Toch moeten we woorden gebruiken om met elkaar van gedachten te wisselen. Indien deze heer professor is, of docent aan een van de universiteiten, voel ik met hem mee, want ik ken de moeilijkheid die hij heeft om zulke soms heel subtiele gedachten aan anderen over te dragen. Toch doet hij het, leraren doen dit omdat ze weten dat er iets in de lerenden, in de leerlingen is dat op zijn minst intuïtief iets van de werkelijkheid kan begrijpen.
    Ik denk wel eens dat de westerse filosofie in een zeer nadelige positie verkeert. Ze lijdt onder een ernstige belemmering, namelijk dat het westerse filosofische denken niet echt de gelegenheid heeft gehad zich te ontwikkelen en zich van de theologische dogmatiek te bevrijden. Ik weet dat dit misschien een netelig onderwerp is om aan te roeren, maar het is toch van bijzonder belang voor de vrijheid van denken van de mens. De filosofie in het oosten heeft duizenden jaren lang niet onder die belemmering geleden. Het denken van de oosterse filosofen en van de archaïsche mysteriescholen kon in vrijheid groeien en zich ontwikkelen; en ik zal u nu laten zien wat ik bedoel.
    In de esoterische wijsheid, evenals in het filosofische en religieuze denken van het oosten – een rechtstreekse afstammeling en kind van het occultisme, van de theosofie – is het oneindige of grenzeloze of Dat, niet goed en ook niet slecht. Dit zijn menselijke beperkingen die als contrasten alleen op beperkte wezens slaan. Een mens of een engel of een god of een deva is goed of slecht. Maar een geest van het goede en een geest van het kwaad? Dat is een onhoudbare opvatting van de christelijke theologie. In werkelijkheid is het zo dat in de boezem van de oneindigheid, als het ware uit een eeuwige schoot, hiërarchieën van levens stromen, van monaden zoals Leibniz zou zeggen, die alle geestelijke wezens zijn in verschillende stadia en graden van wat we tegenwoordig evolutionaire ontplooiing noemen. Zo bestaan er bijvoorbeeld de hoogste van de hoogste van de hoogste goden, en daaronder de hoogste van de hoogste, en daaronder de hoogste, en dan de goden en vervolgens de dhyani-chohans en daarna wezens onder hen, tot we bij onszelf, de mens komen, en dan wezens lager dan wij in andere reeksen hiërarchieën van wezens, zoals de dieren, de planten en de elementalen, die allemaal onderweg zijn op hun evolutionaire pad, omhoog, steeds hoger. Het is inderdaad zo dat we in deze wereld waarin we leven, goed en kwaad aantreffen, en we zien hoe mooi het goede is, want het is harmonie en liefde, vrede en vooruitgang, ontwikkeling, evolutie, ontplooiing en groei. We zien ook wat het kwaad is, beperking, begrenzing, lijden, pijn, ontoereikendheden, onwetendheid; met andere woorden, onvolmaaktheid van ontwikkeling die vaak een teruggang en neergang betekent naar grotere onvolmaaktheden, tot de les door gewoontevorming is geleerd en het wezen de weg omhoog begint. Zo handelt een slecht mens. Hij gaat tijdelijk omlaag en achteruit zolang het kwaad voortduurt. Daarom vinden we in de gemanifesteerde dingen van het heelal het schone, het goede en het beste, maar ook het afschuwelijke en slechtste.
    Deze hele reeks gedachten die betrekking heeft op het voortbrengen van de menigten hiërarchieën van eindige wezens en dingen werd in de oude filosofie de leer van de emanaties genoemd, die door de christelijke theologie is veroordeeld, geminacht en bespot, terwijl de westerse filosofie nooit de kans heeft gehad die leer te begrijpen, omdat haar leraren vleugellam waren. Ze zijn nooit echt vrij geweest, want ze kregen niet de kans die de filosofen in het oosten hebben. Ik weet dat. Ik heb het zelf ervaren.
    We kunnen dus niet zeggen dat het oneindige goed is, want dat woord houdt een beperking in en is alleen van toepassing op entiteiten van geëmaneerde hiërarchieën; en in de lagere graden daarvan treffen we wezens aan die minder goddelijk licht bevatten. De gnostici – een school van de oude filosofie in vroegchristelijke tijden – zeiden dat zij die in het duister leven, beperkt zijn, niet helder kunnen zien en dat is het kwaad dat wij slecht of beperking noemen.
    Het is dus volkomen onjuist om over het oneindige te spreken als iets dat goed is; immers, als het oneindige goed is, hoe moeten we dan het kwaad in de wereld verklaren? En daarvan is meer dan genoeg! Nee, goed en kwaad horen bij de onmetelijke reeksen hiërarchieën die in de oneindigheid bestaan, die in één grote levensgolf in een deel van het heelal tot manifestatie komen, hun leven leiden, vooruitgaan en vorderingen maken; en als zij hun culminatiepunt of het hoogste punt van hun groei voor die tijdsperiode hebben bereikt, dan keren ze terug in de schoot van het goddelijke om te rusten en om later weer tevoorschijn te komen op hogere gebieden, in meer verheven sferen. Dat is een proces dat we overal om ons heen in de natuur zien, zoals de boom die in de lente weer uitloopt, zijn bladeren voortbrengt om ze in de herfst weer te laten vallen; hetzelfde zien we bijvoorbeeld bij een mens die zich wederbelichaamt, voor een deel in de goddelijke wereld en voor een deel in de fysieke, leven na leven, heen en weer als de slingerbeweging van de klok, zo is de natuurwet. We zien dit om ons heen. Daar vinden we het grote boek dat we moeten bestuderen: de natuur, de dingen die er zijn. En als ik natuur zeg, bedoel ik niet alleen de fysieke natuur, maar de hele natuur in de esoterische betekenis: de natuur van de goddelijke, de natuur van de geestelijke, de natuur van de intellectuele werelden, de natuur van de fysieke werelden, de natuur van de werelden lager dan het stoffelijke. Wie is in staat, of waagt het, grenzen te stellen aan het leven in en van de oneindigheid?
    De kern van het antwoord op de gestelde vraag is dus het volgende. Elke eenheid van het oneindige aantal eindige wezens, of dingen, die leven in en van het oneindige, iedere eenheid, zeg ik, is in haar essentie, in haar hoogste of fundamentele substantie identiek aan de substantie van de oneindigheid; maar deze punten van oneindige substantie of monadische centra, zoals ze op verschillende wijzen als kosmische verschijnselen tot uitdrukking komen, zijn of worden of doen zich voor als de eindige eenheden waarover in de vraag wordt gesproken. Elke eenheid is dus in haar essentiële substantie van hetzelfde materiaal als de oneindigheid; maar in hun gemanifesteerde toestand of geëmaneerde uiting zijn of worden ze alle de afzonderlijke of ‘gescheiden’ eenheden van ontelbare menigten of hiërarchieën.


Wind van de geest, blz. 201-8

© 2001 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag