Het zwaartepunt van ons bewustzijn verleggen

 

Wat mankeert de wereld? Kunnen haar kwalen worden genezen door politieke verschuivingen, door regeringsvormen te veranderen die zichzelf na verloop van tijd toch wel veranderen; of door een wijziging in het denken en het hart die effectieve gevolgen zal teweegbrengen, waarvan ieder normaal mens tegenwoordig voelt dat ze nodig zijn – al was het maar om de psychische energie die zich voor de crisis ophoopt in veilige kanalen te leiden, een crisis die ons, zoals iedereen vaag of duidelijk voelt, boven het hoofd hangt? Maar hoe staat het met de politiek? Als we uitsluitend van de politiek afhankelijk waren, dan zou het denk ik van een wanhopige, een hopeloze zaak worden. Maar er is gelukkig een uitweg.
    Ik heb altijd het gevoel gehad dat een theosoof, als individu, die politiek moet volgen die hem aanstaat; maar ik ben ook van mening dat de ethiek, individueel en collectief, een onvergelijkelijk veel praktischer en interessanter aspect van het menselijk leven is. Politieke theorieën veranderen van eeuw tot eeuw, of vaker; wat men in de ene eeuw ziet als de juiste manier om de wereldse zaken te besturen, wordt doorgaans in de volgende eeuw verworpen. Over politiek vechten mensen gewoonlijk, dwaas genoeg, als kemphanen, maar als het om de fundamentele waarheden van moraal of ethiek gaat, zijn ze het allemaal eens, en de grote lessen die de filosofie leert en de inspiratie van de religie – in tegenstelling tot de religies – zijn van onovertroffen betekenis in hun invloed op het denken en de verbeeldingskracht van de mens. Pas wanneer de mens het vertrouwen in religieuze zaken heeft verloren, of de filosofie is gaan zien als een dor stelsel van holle bespiegelingen zonder praktische waarde, wendt hij zich in de regel tot de politiek, die hem een interessante en soms helaas winstgevende bezigheid en een uitlaat voor sluimerende energie toeschijnt.
    Wat de soms ter sprake gebrachte kwestie van persoonlijke bezittingen aan geld en goederen betreft, geloof ik zelf, als volgeling en bestudeerder van het aloude en traditionele pad van discipelschap, dat geen blijvend, duurzaam en echt geluk ooit alleen te vinden is in het bezitten van materiële zaken. Men zou met andere woorden kunnen zeggen dat ik de oude uitspraak in het Nieuwe Testament geloof en aanvaard die samengevat ongeveer als volgt luidt: ‘Tenzij u vader en moeder, vrouw of kind en bezit opgeeft en mij volgt, kunt u het koninkrijk van de goden niet ingaan.’ Het is duidelijk dat deze strenge opdracht alleen slaat op iemand die één wil worden met die verheven broederschap van edele mensen die hun hele leven aan de verbetering van de mensheid als geheel wijden; want als zo’n discipel nog familiebanden heeft of aan bezittingen is gehecht, is hij daardoor gebonden en worden zijn energie en belangstelling min of meer verdeeld en verspild.
    Dat betekent volstrekt niet dat iemand ook maar de kleinste plicht moet verwaarlozen als hij die reeds op zich heeft genomen; evenmin moet hij vader of moeder of vrouw of kind of zelfs eigendommen opgeven voor hij passende, rechtvaardige en ruime voorzieningen heeft getroffen, in alle betekenissen van het woord, voor allen die van hem afhankelijk zijn en hij heeft gezorgd voor het beheer van de eigendommen die hij, zoals ieder eerlijk mens moet beseffen, in bewaring heeft voor het geluk van anderen. Bedenk dat het toekomstige lot van een mens afhangt van dat waar zijn hart nu het meest naar uitgaat. Als hij innerlijk alleen eropuit is persoonlijk bezit voor zichzelf te verwerven en voor hen met wie hij is verbonden, hoe kan hij zich dan losmaken van de verplichtingen van persoonlijke banden, van de verplichtingen die hem aan het aardse leven geketend houden? Dat is natuurlijk geen politiek, maar wel ethiek en religie en filosofie en ware wetenschap, want goed begrepen betekent het dit: houd niet van deze dingen; zet niet uw zinnen daarop zodat uw hart niet erdoor wordt geketend, gebonden, gekluisterd. Gebruik ze zoals u alle goede dingen van de wereld gebruikt; maar gebruik ze als de meester ervan, niet als hun slaaf.
    Om niet verkeerd te worden begrepen wil ik eens en voor altijd zeggen dat ik het volstrekt oneens ben met en geen sympathie heb voor iemand die mensen die van hem afhankelijk zijn in de steek laat om zijn eigen weg te gaan, zelfs al is dat een geestelijk pad. Niemand kan een grotere plicht vervullen als hij moedwillig en wreed de kleinere plicht verwaarloost of negeert. Hij die altijd en overal ook zijn wereldse plichten vervult is op de goede weg. Mocht het gebeuren – en dat is een van die zeldzame, buitengewoon zeldzame gevallen – dat hij wordt geroepen het chelapad, het pad van de discipel te volgen, dan maakt hij geen goed begin op dit pad als hij de rol van lafaard speelt, door plichten te verwaarlozen die hij al op zich heeft genomen. Hij moet òf eerst die plichten vervullen, om daarna op een eerlijke, oprechte en welwillende manier vrij te worden, in onderling overleg met hen die van hem afhankelijk zijn en na voor hen te hebben gezorgd; òf, als er al voor hen wordt gezorgd, zal hij met wederzijds goedvinden en op zijn minst na verloop van enige tijd, vrij zijn om de stem van zijn ziel te volgen. Een theosoof is vooral niet een asociaal wezen; hij erkent zijn maatschappelijke verplichtingen evengoed als wie ook. Hij gelooft in het huwelijk; hij wil graag een goede burger zijn, een goede echtgenoot en vader, zoon en broer, en zijn plicht doen tegenover het land dat hem beschermt. Dit slaat op allen, wie ze ook zijn.
    Een theosoof die over broederschap en vrede spreekt en daarin gelooft, en dat houdt in verbetering van allerlei menselijke betrekkingen, gelooft met name in wet en orde en ondersteunt het bestaande gezag; en als goede burger erkent hij daarin zijn plicht tegenover zijn land en gehoorzaamt hij de wetten die voor hem gelden. Omdat hij in broederschap gelooft als een universeel feit in zijn bestaan, beseft hij dat hij eerst zelf daarvan in zijn daden en gedrag blijk moet geven door een levend voorbeeld te worden van orde, welwillendheid en het bereidwillig aanvaarden van de wetten van het land waarin hij woont; intussen streeft hij steeds op elke wettige en juiste manier naar verbetering van de maatschappelijke structuur, naar het vervangen van onvolkomen of slechte wetten door betere en streeft ernaar als individu voor zijn medemensen te doen wat hij kan.
    Wat ik in deze korte en vrij aforistische zinnen probeer te zeggen is dat we als oprechte mannen en vrouwen altijd ernaar moeten streven de louter persoonlijke en zelfzuchtige banden zwakker te maken die de ziel belemmeren om haar vleugels in hogere gebieden uit te slaan. Want zulke zelfzuchtige verlangens en banden veroorzaken het grootste deel van de menselijke ellende en het morele verval in de wereld door conflicten en wrijvingen zowel met onszelf als met anderen die dezelfde inzichten hebben en op dezelfde manier handelen.
    Geld is op zichzelf niet de wortel van alle kwaad; maar wel het zelfzuchtige verlangen ernaar. In handen van een edel en wijs en goed mens kan geld een zeer nuttig instrument zijn om de mensheid te helpen. Het kwaad en het verkeerde handelen dat daaruit voortvloeit, ligt alleen in het zelfzuchtige verlangen die dingen voor zichzelf te willen hebben of voor hen met wie men nauwe banden heeft en dit ten nadele van anderen die ons niet zo na staan. Dit bedoelde Jezus de avatara en dit bedoelden en onderwezen de grote wijzen en zieners van alle tijden: bind uw hart niet aan de dingen van de aarde, maar betreed de diepste diepten van de geest in u; daar vindt u algehele vrijheid, oneindige vrede en onzegbaar geluk.
    Wijs is hij die in de wereld leeft en de dingen van de wereld gebruikt – nooit op een uitsluitend wereldse manier, maar met wijsheid en vriendelijkheid en gepaste eerbied voor de rechten van anderen, maar innerlijk vrij van alle gehechtheid aan die wereldse dingen en vrij van elk verlangen daarnaar. Dit is het chelapad of het pad van de discipel – tenminste in het begin. Dit is de reden dat ik de vraag die me meer dan eens is gesteld: ‘G. de P., indien iemand u tien miljoen dollar gaf, zou u die dan aannemen? En zo ja, wat zou u met dat geld doen?’, ogenblikkelijk heb beantwoord met: ‘Dat zou ik graag aannemen en geheel bestemmen voor nuttige en heilzame activiteiten voor de mensheid. Voor mijzelf geen cent; ik heb een gelofte van persoonlijke armoede afgelegd. Maar ik ben geen dwaas; ik ken de macht van een goed instrument; geld en bezit kunnen en moeten een middel ten goede zijn. Deze dingen zelf doen geen kwaad; onze zelfzuchtige reactie op de invloed ervan is schadelijk – niet alleen voor onszelf maar ook voor anderen.’
    Hoewel de Theosophical Society zich als organisatie niet met politiek inlaat, kan elk individueel lid die politieke richting volgen die hem aantrekt. Ik denk dat de tijd nadert dat de wereld beseft dat de enige manier waarop de mens ‘zichzelf kan verlossen’, om een ouderwetse term te gebruiken, is door te zijn en niet door te preken – of het nu gaat om politiek, filosofie of religie. De politiek, tenminste wat wij nu daaronder verstaan, zal verdwijnen als een illusie, een naar mijn mening verderfelijke illusie, als de mens eenmaal beseft welke rijkdommen er in het menselijk hart besloten liggen, grootse geheime mysteriën: liefde en broederschap, mededogen en vrede; de voldoening van een mens om mens te zijn en te groeien, zichzelf, zijn denken en zijn ethische normen te verbeteren en het verlangen dat zijn instinctieve gevoelens van rechtvaardigheid tegenover allen zich vrij kunnen uiten en ontwikkelen. Dat zijn de belangrijke dingen die in de wereld moeten komen voor het algemeen welzijn van de wereld. Ik denk dat er eens een groot man zal verschijnen met een idee, of een reeks ideeën, van geestelijke en intellectuele aard, die de huidige wankele beschaving een betrouwbare weg naar veiligheid, eensgezindheid en vrede zal wijzen; die niet, zoals sommigen ten onrechte veronderstellen, een ineenstorting teweegbrengt, maar een nieuwe structuur van gedachten en idealen op een verheven, sterke maatschappelijke grondslag. Het zijn per slot van rekening ideeën die de wereld regeren; en juist omdat men verkeerd denkt en ten onrechte veronderstelt dat geld of bezit op zichzelf dingen zijn met een absolute waarde, en dat de politiek op zichzelf intrinsieke waarde heeft, hebben deze zwakke instrumenten en voortbrengselen van menselijk streven de mensheid in hun greep en beheersen ze het hart van de mens.
    De mensen maken politiek, ze maken geld, maken dingen, maken bezittingen en maken beschavingen. Het zijn ideeën die de wereld regeren en het zijn ook weer mensen van wie de ideeën afkomstig zijn. Laten we daarom onze ideeën veranderen en ideeën volgen die uit het goede bestaan; ideeën gebaseerd op universele broederschap; ideeën met een innerlijke morele schoonheid, geestelijke en intellectuele grootsheid, ideeën die na verloop van tijd een verbroedering tot stand zullen brengen, niet alleen tussen de volkeren op aarde, maar ook tussen de kleinere maatschappelijke eenheden die samen een land vormen. Als zulke ideeën doordringen tot ons bewustzijn, hoeven we ons niet meer te bekommeren om klein politiek gedoe, om de vraag of we al of niet recht hebben op particulier bezit of wat ook. De wereld van de mens zal dan even gemakkelijk en regelmatig draaien als een goed afgesteld mechanisme; en over de hele aardbol zullen we geluk en vrede kennen.
    Dit is geen luchtkasteel van een idealistische dromer die vage visioenen ziet. Het is een werkelijkheid die in praktijk kan worden gebracht door eenvoudig ons denken en ons gevoel te richten op nieuwe gedragsnormen; in zo’n nieuwe wereld zullen mensen niet alleen worden beoordeeld naar wat ze doen of voortbrengen, maar naar wat ze denken, want weldadige gedachten van broederlijkheid en menselijkheid worden dan in opbouwende daden omgezet. Men wordt dan niet beoordeeld naar wat men heeft of bezit. Bezit zal geen maatstaf zijn voor rechtschapenheid, fatsoen of aanzien.
    We moeten ons morele zwaartepunt verleggen naar de ethiek waar het in werkelijkheid thuishoort, en losmaken van bezit waaraan het enkele duizenden jaren lang, mede door ongelukkige historische omstandigheden, ten onrechte was verbonden. Het is veel gemakkelijker die verlegging van waarden naar hun natuurlijke, juiste en dus rechtmatige sfeer tot stand te brengen dan nog eeuwenlang gewikkeld te blijven in afschuwelijke twisten van internationale of moorddadige aard, met hun bittere vijandigheden en hardnekkige haatgevoelens, ontwrichting van het maatschappelijke en staatkundige leven en de daaruit voortvloeiende ellende die zo zwaar op ons allen drukt. Er kan geen enkel logisch of redelijk argument worden aangevoerd tegen het verleggen van ons bewustzijnscentrum, behalve onwetendheid, vooroordelen en domheid, veroorzaakt door traagheid van geest die voortvloeit uit het feit dat we moreel zijn ingedut en geen enkel geloof hebben in ons eigen vermogen een goede toekomst op te bouwen.
    Als de wereld niet tot nieuwe inzichten komt en we geen verandering brengen in onze mentale en psychische gewoonte gebeurtenissen te zien door de vertekenende lens van ons huidige waardebesef, is het ongetwijfeld waar dat onze al zwaar geschokte beschaving gevaar loopt af te glijden in een chaos van verwarring, wanhoop en menselijke ellende zoals de geschiedenis nog niet heeft gekend. De volkeren van de aarde, in naties bijeengebracht, moeten leren elkaar op waardige wijze te benaderen en te behandelen, met een diep gevoel van respect en een natuurlijke drang tot wederzijds hulpbetoon, in plaats van een gedragspatroon te blijven volgen dat steunt op de wankele grondslagen van opportunisme, berekening en eigenbelang, die in het verleden al zo vaak de internationale betrekkingen hebben beheerst en onteerd, en een beeld van de internationale moraal te zien geven dat waarschijnlijk ver beneden de norm ligt van de gewone man. Toch is het zeker geen hopeloze zaak, want de oplossing is eenvoudig, praktisch en uitvoerbaar en bestaat slechts uit het verplaatsen van het zwaartepunt van ons bewustzijn van politiek en winstbejag naar ethiek en wederzijdse dienstbaarheid. De gemiddelde intelligente zakenman van deze tijd is tot het inzicht gekomen dat, wil een onderneming succes hebben, ze op eerlijkheid en dienstverlening moet zijn gebaseerd; anders is ze gedoemd te mislukken. Er bestaan geen schijnbare, geen werkelijke redenen waarom volkeren een gedragslijn zouden volgen die de gemiddelde mens, individueel, onbetamelijk acht. Het hele geheim ligt in een verandering van opvattingen, een verandering van inzichten en dan worden de schijnbare moeilijkheden begrepen voor wat ze zijn: illusies; en men zal ze graag opzijschuiven en vervangen door die normen die gelden op de weg van veiligheid, vooruitgang, geluk en vrede.
    Als ik spreek over het verloren gaan van een ethisch waardebesef in de afgelopen eeuwen, doordat het zwaartepunt van ons bewustzijn zich van daar verplaatste naar bezit als de spil waaromheen onze nationale en persoonlijke belangen draaien, wil ik beslist niet de indruk wekken dat een theosoof in enig opzicht onbewust is van en blind of onverschillig voor de werkelijk grote en schrijnende ellende die mensen in de wereld ondergaan, door gebrek aan geschikte bestaansmiddelen. Juist het tegendeel is het geval. Maar we wijzen op zulke toestanden om te illustreren hoe groot de macht is die materiële bezittingen hebben gekregen over het hart en het denken van de mens; want de waanzinnige jacht naar weelde en het verlangen naar persoonlijk bezit, zelfs ten koste van zijn medemensen, heeft hem blind gemaakt voor een van de belangrijkste plichten: broederlijke gevoelens, aandacht en, waar dat nodig is, gepaste zorg voor de medemens die door karma – of het lot – in een minder fortuinlijke positie verkeert dan hijzelf.
    Het is een goed teken dat de laatste tijd in verschillende landen op de wereld alles erop wijst dat zowel de overheid als particulieren al het mogelijke willen doen om de toestand van hulpbehoevenden te verbeteren, en dit gaat gepaard met het groeiende besef dat de essentiële waarden niet in bezittingen liggen maar in het menselijk hart en in die universele broederschap die inherent is aan een goed georganiseerd en duurzaam maatschappelijk bestel.
    Sommigen van de edelste mensen die ooit leefden hebben alle kwellingen van persoonlijke vernedering en de grote nadelige gevolgen van bittere armoede doorgemaakt, terwijl de geschiedenis herhaaldelijk toont dat onwaardige of onbekwame lieden over grote rijkdommen beschikken. De wereld is snel op weg naar een tijd – als tenminste haar loop niet wordt onderbroken of afgebroken door een of andere ramp – waarin men veel scherper dan nu het geval is inziet dat ieder mens, in de woorden van de Amerikaanse grondwet, een onvervreemdbaar recht heeft op ‘leven, vrijheid en het nastreven van geluk’, en dat het een van de edelste plichten van een verlichte staat is om niet alleen gelijke mogelijkheden voor allen te scheppen, maar daadwerkelijk diegenen te helpen die door een of andere oorzaak, die hun vaak zeer tot eer strekt, geen bezittingen hebben vergaard. Zulke zaken als de noodzaak van ouderdomspensioen, kosteloos onderwijs en het verschaffen van werk aan ieder die wil werken, zijn een gewoon onderwerp van gesprek geworden, en terecht.
    Maar al is dit alles en nog veel meer waar, en is de tendens waarop hierboven werd gezinspeeld volkomen gunstig, toch wil ik de gelegenheid aangrijpen om erop te wijzen dat de wortel van alle moeilijkheden in de wereld destijds lag in het feit dat ons menselijk gevoel voor blijvende waarden ten onrechte op bezit was gericht in plaats van op het wezen van de mens zelf. De natuurlijke en onvermijdelijke gevolgen daarvan bereikten hun hoogtepunt in de tegenwoordig wereldwijde onrust, conflicten, eindeloze ruzies en het tot vervelens toe praten over rechten terwijl we maar weinig horen over de plichten die de mens tegenover zijn medemens heeft. Als eenmaal het zwaartepunt van ons morele bewustzijn van bezit – als de spil van de beschaving – is overgebracht naar de mens zelf als centrum van alle verheven en primaire waarden, dan zal negenennegentig procent van de voortdurend in de wereld terugkerende uitbarstingen van spanning, verwarring en geweld verdwijnen, en zullen alle menselijke betrekkingen, van welke aard ook, internationale, nationale, maatschappelijke of politieke, zich automatisch aanpassen en richten op wat het algemeen welzijn dient. Universele broederschap – niet als een louter vaag en sentimenteel idee, maar als erkenning van menselijke saamhorigheid, gebaseerd op de wetten van de natuur zelf – is uiteindelijk de grondgedachte van elke werkelijke beschaving, en zonder dit idee kan geen enkele beschaving zich handhaven.


Wind van de geest, blz. 19-28

© 2001 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag