De natuur in stil gebed

 

Is het ooit bij u opgekomen dat de mens over een religieus instinct beschikt, dat misschien het diepste en meest subtiele en in één opzicht het hoogste in zijn hele wezen is, omdat hij dit deelt met het hele universum? Dat gevoelens van ontzag en eerbied de mens zo verheffen, omdat hij zijn nietige persoonlijkheid verliest als hij in die toestand verkeert; en dat zelfs het ontzag en deze eerbied die in hem leven, zelfs al is hij nog maar weinig ontwaakt, ook in de natuur aanwezig zijn? Ziet u welke conclusie u hieruit zou moeten trekken? Voor mij zijn deze gedachten zelfs al sinds mijn jeugd vertrouwd, heel vertrouwd; en ik ging vaak ’s avonds naar buiten om naar de schitterende sterren te kijken. Overdag trok ik dikwijls de bergen in en ging achterover in het gras liggen kijken naar de veranderende wolken en overal zag ik eerbied en ontzag.
    Het scheen me toe in die tijd, om het in de gedachten uit mijn jongensjaren weer te geven, dat de hele natuur in stil gebed was verzonken. Ik zag overal majesteit, onuitsprekelijke wijsheid, omdat ik deze in me voelde, natuurlijk onontwikkeld, maar de kiem was in me omdat ik een kind van de goden ben. Ze zijn in me omdat ze in de natuur zijn. Voor mij is de natuur altijd een religieus bouwwerk, in de hoogste betekenis van het woord religieus: haar orde, haar grootsheid en haar sympathie evenaren haar onzegbare kracht en wijsheid die overal en in alles zichtbaar zijn. Voor mij verraden ze altijd de aanwezigheid in me van wat zich, hoe klein ook en nauwelijks ontwaakt, tot uitdrukking begint te brengen.
    Hoe vol eerbied zouden we niet moeten zijn tegenover onze medemensen; want door deze gedachten te koesteren, die ons als mens zoveel waardigheid verlenen, beseffen we dat, als we de hand uitsteken en een medemens aanraken, we een god aanraken, zoals de dichter zei. Dat heeft iets groots. Het bewustzijn van de mens stijgt uit boven het kleine en nietige, het lage en onvolmaakte, naar de grootse, fundamentele dingen van het heelal en het leven.
    Denk hierover eens na: de natuur, zelfs ons kleine zonnestelsel als een van de oneindige reeksen wezens in de grenzeloze ruimte, is een religieus wezen. Haar afmetingen getuigen van eerbied en ontzag en orde. Hoe komt dat? Dat komt, zoals Emerson zegt, door de inwonende kosmische ziel, de inwonende geest die uit het grenzeloze tevoorschijn komt. Als kind van de ruimte, zoals u en ik, zijn we eveneens kinderen van het grenzeloze.


Wind van de geest, blz. 230-1

© 2001 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag