Twee manieren om de werkelijkheid te zien

 

Het werkelijke, de werkelijkheid, Sat, of nauwkeuriger uitgedrukt, Asat, Tat, is dat wat is tijdens de kosmische mahapralaya; en alle gemanifesteerde heelallen worden tevoorschijn gedroomd als Brahman slaapt in wat wij manvantara noemen.
    We moeten in het oog houden dat er zelfs onder occultisten juist op dit punt sprake is van een verschil, niet in kennis maar in de manier van weergeven. In oude tijden was het gebruikelijker te zeggen – en ik gebruik nu de hindoetermen – dat Brahman ontwaakt, en Brahma en het gemanifesteerde heelal wordt met alles daarin. Met andere woorden, Brahman ontwaakt als het manvantara begint en valt in slaap als de pralaya aanbreekt. Dit is volkomen juist als men het vanuit dit standpunt wil bekijken en ik zou eraan kunnen toevoegen dat het een vertrouwd begrip was in het Griekse en Latijnse filosofische denken, zoals blijkt uit de volgende uitspraak, die aan de stoïcijnse filosoof Cleanthes wordt toegeschreven en die in het Latijn is gesteld, hoewel hij een Griek was: Quodcumque audiveris, quodcumque videris, est Iuppiter, ‘Wat u ook hoort, wat u ook ziet, het is Jupiter’ – een in het oude Hindoestan heel vertrouwde gedachte, waar men van Brahma zegt dat hij het heelal uit zichzelf voortbrengt; met andere woorden, Brahma is het heelal en alles wat daarbij hoort en is toch erboven verheven. Dit doet ons denken aan woorden uit de Bhagavad Gita die aan Krishna worden toegeschreven: ‘Ik breng dit hele universum voort uit een deel van mij en blijf ervan gescheiden’.
    Maar de andere en eveneens correcte manier om dit te bekijken – en ik moet eerlijk zeggen dat ik deze soms, als ik over de zaak nadenk, een meer spirituele en juistere manier vind dan de eerstgenoemde, al is die voor ons mensen moeilijker te begrijpen – is zich voor te stellen dat Brahman ontwaakt wanneer mahapralaya begint; want dan hervat de werkelijkheid bij wijze van spreken haar stroom van levens. De heelallen in hun verschijningsvormen zijn tot het volgende manvantara uit het bestaan verdreven, en verdwijnen als herfstbladeren wanneer de herfst ten einde loopt en de winter begint. Meegevoerd als het ware door de winden van pralaya, wordt het hele gemanifesteerde leven als gemanifesteerd leven uit het bestaan verdreven. Alles wat werkelijk is wordt binnenwaarts en opwaarts in zijn oorspronkelijke werkelijkheid teruggetrokken en dan is het goddelijke zichzelf weer. Dit is paranirvana. Het is dan wakker en droomt niet meer tot het volgende manvantara.
    Diegenen die in oude tijden deze andere zienswijze begrepen, die erop neerkomt dat de werkelijkheid zichzelf wordt wanneer de gemanifesteerde dingen of de verschijnselen overgaan in pralaya, hebben deze gedachte op verschillende manieren figuurlijk of in beeldspraak weergegeven en de voorkeur ging uit naar deze: alle gemanifesteerde werelden zijn slechts de dromen van Brahman. Brahman slaapt en droomt karmische dromen, dromen die door karma zijn teweeggebracht. Deze dromen zijn de gemanifesteerde werelden en alles wat zich daarin bevindt. Als de droom een einde neemt en het heelal verdwijnt, als de dromen eindigen en de heelallen verdwijnen, dan ontwaakt Brahman. Brahman wordt dan weer zichzelf.
    Ik denk dat beide zienswijzen juist zijn. Toch heb ik, zoals ik zei, mezelf vaak afgevraagd of de tweede manier niet wat verhevener is, dichter bij de onzegbare waarheid staat dan de meer populaire manier die gemakkelijker wordt begrepen. Er zijn overeenkomsten met ons eigen leven. Als we ’s morgens wakker worden, nemen we onze dagelijkse plichten op, die we vervullen en die karmisch zijn. Maar als we ’s avonds in slaap vallen en de dingen van de fysieke stof en het lagere mentale gebied verdwijnen, komen we dichter bij het goddelijke in ons. We stijgen op, komen dichter bij de god in ons, gaan naar het abstracte, weg van het concrete.
    Hoewel deze tweede manier om de zaak te bekijken misschien niet méér waarheidsgetrouw is dan de eerste, maakt ze toch, wat men mahamaya, kosmische maya, noemt iets begrijpelijker voor ons, denk ik.
    Aan het einde van Brahma’s leven, als zelfs de dagen en nachten van Brahma overgaan in het volstrekt werkelijke, de werkelijkheid in het hart van het werkelijke, is alles weggevaagd of teruggetrokken of naar binnen gekeerd: ik vraag me af of deze laatste gedachte niet een treffende bevestiging geeft van de bewering dat misschien de tweede manier om Brahma te zien in ontwaakte en in slapende toestand de meest werkelijke is. Want aan het einde van Brahma’s leven, als Brahma weer Brahman wordt, verdwijnen niet alleen alle gemanifesteerde dingen uit het bestaan, als een nevel die zich oplost, maar zelfs het kosmische mahat trekt zich terug of verdwijnt. Mahabuddhi verdwijnt en er blijft niets over dan Brahman. Een eeuwigheid lang, zo lijkt het ons, honderden miljarden jaren, is Brahma wakker, droomt zelf niet langer dromen van karmische heelallen, maar is, zo moeten we het wel zeggen, verzonken in de werkelijkheid, in de onuitsprekelijke diepten van Brahmans eigen essentie. Alles is verdwenen behalve Brahman; de dromen zijn geëindigd. Als dan het nieuwe leven, of liever als Brahma zich weer belichaamt, dan ontwaakt de melkweg weer, maar Brahman begint opnieuw te dromen, droomt de werelden, droomt de heelallen tot bestaan, droomt de karmische dromen van het lot. Dan wordt het Ene het vele: uit het bewustzijn van het onnoembare komen de legers, de zwermen, de menigten wezens tevoorschijn. Abstracte ruimte is opnieuw gevuld met zonnen, zonnestelsels en rondwentelende werelden.
    We zien dus dat Brahman en Brahma, het kroost van Brahman, niet alleen op een planeetketen betrekking kunnen hebben, maar ook op een zonnestelsel of een melkweg; en op een nog verhevener schaal op een supermelkwegstelsel dat vele melkwegstelsels in de schoot van de eindeloze ruimte omvat. Met andere woorden, Brahman en zijn kroost Brahma kunnen op een van deze verschillende gebieden slaan of op alle, die steeds in grootte toenemen. Brahman droomt karmische dromen van het lot en heelallen flitsen tot aanzijn; ze verschijnen als levenszaden of het broedsel van Moeder Ruimte en dat noemen we manvantara of mahamanvantara. Als omgekeerd het dromen van Brahman eindigt, worden de werelden uit het bestaan weggevaagd en ontwaakt Brahman weer als het Zelf van Brahman.
    Laten we tot slot bedenken dat, als we over grenzeloze oneindigheid of over het begin- en eindeloze, of grenzeloze spreken, we dit Tat noemen, een woord uit het Sanskriet met de betekenis van Dat; en dat het grenzeloze Tat talloze Brahmans, grotere en kleinere, in ontelbare aantallen omvat.


Wind van de geest, blz. 232-5

© 2001 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag