De theosofie van China

 

U heeft vandaag van iemand die van de Chinese wijzen houdt iets gehoord over de theosofie van dat oude land. U heeft in feite geluisterd naar fragmenten van het archaïsche wijsheidsdenken van het oude Atlantis, die naar China zijn overgebracht en daar bewaard zijn gebleven; want hoewel de Chinezen van nu met andere bloedstromen van de mensheid zijn vermengd, zijn ze de sterkste en, bij wijze van spreken, meest getrouwe overblijfselen van het oude Atlantis. De Chinese psychologie is nog altijd typisch esoterisch Atlantisch van aard, van svabhava, en wordt vooral in de leringen van Confucius en Lao-tse uitstekend uiteengezet; de eerste leerde deugdzaamheid en ontzag voor wet en orde, een bij uitstek Atlantische gedachte op haar hoogtepunt; en de laatste, Lao-tse, leerde die typische aanlokkelijke mystiek van de menselijke ziel die zo fascinerend is voor het menselijke in ons en het omhoogvoert. Allebei leringen van wijzen. In die tweevoudige denkwijze van het archaïsche China ontstond de nieuwe spiritualiteit van ons eigen vijfde wortelras, zoals die zich heeft belichaamd in de leringen van Gautama de Boeddha – de essentie van die leer was universele liefde en mededogen zonder onderscheid of grenzen, en vergeestelijkte intellectualiteit – wat het kenmerk is van onze mensheid op haar best. De leringen van Jezus, de Christus genoemd, en van Gautama de Boeddha, de Ontwaakte genoemd, zijn als men ze analyseert feitelijk één: het kleed verschilt, de uiterlijkheden verschillen. Dezelfde fundamentele denkwijze van het vijfde wortelras op haar best – in beide gevallen theosofie.
    Ik ben zo vrij, hopelijk niet al te vrij, om me te wagen aan een parafrase van de betekenis van de titel van het enige grote werk van Lao-tse dat tot in onze tijd bewaard is gebleven: de Tao Teh Ching. King, of Ching, betekent ‘boek’, ‘werk’, ‘schat’. In het oude China werd kennis zo bewonderd dat zelfs een gedrukt of met de hand geschreven boek met eerbied werd behandeld omdat het gedachten bevatte. Geen echte Chinees uit het oude China – koelie, mandarijn, keizer of wie ook – zou ooit een bedrukte bladzijde onteren door er een minderwaardig, onfatsoenlijk of slecht gebruik van te maken. Een Chinees die een boek of een geschreven blad op de grond zag liggen, overgeleverd aan het spel van de wind, zou dat eerbiedig oprapen en in veiligheid brengen. In China werd dus vanaf de alleroudste tijden kennis als zodanig zo gerespecteerd, en ook voor de training die ze gaf aan het denken, dat ze praktisch als de enige en meest geschikte voorbereiding en oefening voor goed staatsmanschap werd gezien. Hoe zou, zeiden ze, iemand die ongeletterd is een volk kunnen regeren, iemand met een ongeoefend verstand die niet eens zijn medemensen kent, die de geschiedenis niet kent, die het denken niet begrijpt, de gevolgen van het denken niet kent? Hoe zou zo iemand, meenden ze, een ongeletterd onontwaakt mens, kunnen leren zichzelf te beheersen of zijn medemensen te leiden? Ze erkenden wel aangeboren genialiteit; maar, zeiden ze, in ons land waar het Kind van de Hemel regeert, kan iedereen een juist gebruik maken van aangeboren genialiteit, als die wordt ontwikkeld met het doel kennis te verwerven en de staat te dienen. King, of Ching, betekent daarom ‘boek’ en omdat het wijsheid bevat betekent het ook ‘schat’. Dit is geen vertaling, het is een omschrijving.
    Tao-Teh kan men niet woord voor woord vertalen. Er zijn wel zo’n veertig woorden voor Tao en veertig woorden voor Teh, maar de wezenlijke betekenis, zoals ik die altijd heb begrepen, is ongeveer zo: Het boek of de schat van het sterke en mooie doen en zijn van de werkelijkheid van alles – Tao, die werkelijkheid die alle wet en orde en liefde en wijsheid en intelligentie en macht omvat. Tao is de weg en de reiziger en het doel: al deze. Het is precies wat men in het Nieuwe Testament vindt in de aan de avatara Jezus toegeschreven woorden: ik, de Christus – niet de mens maar de christusgeest, de avatara, die ook in u is, in ieder van u – ik ben de weg, de waarheid en het leven. Ik ben de reiziger, die in waarheid leeft en die leeft om te handelen. Ik ben het die het leven leeft en het leven is het doel. Welnu, dat is de essentie van de betekenis van Tao, zoals ik die begrijp. Dat doel ligt niet buiten ons, het is in ons en buiten ons, want het is overal. Ieder mens is de reiziger en iedereen is zelf de weg; en de weg en het doel zijn één. Dat is Tao.


Wind van de geest, blz. 244-6

© 2001 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag