Engel en demon

 

Men heeft me gevraagd wat volgens mij de engel in ons is, wat ons menselijke deel en wat de zogenaamde demon is. Deze termen engel en demon gebruiken theosofen niet in hun oude christelijke betekenis, die hierop neerkomt dat een engel uit de hemel zijn intrek heeft genomen in de menselijke constitutie, of dat een duivel vanbuiten de natuur in ons zijn intrek heeft genomen. Het hoogste deel van de mens is een geestelijk wezen, overschaduwd door het goddelijke; soms spreken we daarover als een ‘engel’ omdat deze term als gevolg van de christelijke denkwijze in het westen goed bekend is. Wat we bedoelen als we het over de demon hebben zou ik zelf willen beschrijven als het dierlijke in ons, een heel reëel wezen, dat door het menselijke deel in ons, het centrale deel van onze constitutie, gewoonlijk tot een demon wordt gemaakt.
    De dieren hebben een eigen plaats in het heelal, en hun leven is in veel opzichten merkwaardig, boeiend en interessant; ze hebben een zekere mate – hoe zal ik het zeggen? – een zekere individuele ontwikkeling. Niemand zal beweren dat een hond een kat is, of een kat een olifant of een varken een paard. Het zijn verschillende soorten dieren, elk met zijn eigen individualiteit; iedere soort heeft haar eigen deugden; en in de gewone gang van de natuur zijn het deze deugden in het dierenleven die de overhand hebben en die ons mensen interesseren. Pas als wij de ongelukkige dieren bederven zien we dat ze gaan afwijken van het onschuldige natuurlijke leven dat de natuur hen heeft toebedacht. De meeste dieren hebben edele eigenschappen, zij het instinctief, tenzij de mens hun onbewust vertrouwen in hem beschaamt en hun instinct bederft. Kijk eens naar de trouw van de hond, het paard, zelfs van een poes! Wij zijn het die hen een onnatuurlijk en abnormaal leven laten leiden, een leven dat afwijkt van de natuurlijke gang en datzelfde doet het menselijke deel van ons in en met het dierlijke deel in ons.
    Laat ik mijn bedoeling verduidelijken. Ik geloof niet dat het goed is het van nature onschuldige dier in de mens te onderdrukken, maar wel het te beheersen. Hij is tenslotte maar gedeeltelijk menselijk, maar ten dele mens. De mens zoals wij die zien bestaat ten eerste uit een innerlijke god, noem hem een innerlijke boeddha, een innerlijke christus, de bron van zijn hele wezen; aan dit deel van de menselijke natuur gaven de Grieken de naam nous, het geestelijke deel, de bron van al het hoogste in ons en het centrum van bewustzijn en van het geweten, het centrum van het onderscheidingsvermogen, van mededogen, van medelijden, van wijsheid, van het vermogen andere dingen in het heelal te begrijpen, van de intuïtie, van medegevoel, medegevoel met de ziel van de mens, en van alle dingen. Dit is het hoogste deel van ons, ons geestelijke deel.
    Het speciaal menselijke deel van ons is wat we de hogere psuche noemen, de psyche; wat we het dierlijke noemen kunnen we ook het natuurlijke deel van de mens noemen, en dit is niet zijn lichaam. Dat is een dwaze fout die mensen die dit onderwerp niet hebben onderzocht en bestudeerd allemaal maken. Ze geven het lichaam de schuld van de fouten en zonden van de mens. Denkt u niet dat als het het lichaam was dat zondigt daar aanwijzingen voor zouden zijn? Als u zichzelf aan een onderzoek onderwerpt, weet u heel goed dat uw lichaam alleen zondigt omdat het door emoties en lagere gedachten wordt gedwongen of aangemoedigd een instrument voor bepaalde daden te zijn.
    Ik vind het volstrekt onjuist om de raad te geven het dier te doden. Integendeel, we moeten het dier veredelen, verheffen, omhoogbrengen; met andere woorden, het bezielen met onze menselijkheid in plaats van het toe te staan het menselijke in ons te beheersen – en dat is wat zoveel mannen en vrouwen doen. Ze laten zich door het dier in hen leiden. Wat zou een mens zijn zonder zijn dierlijke natuur? Dan zou hij maar gedeeltelijk menselijk zijn. Denkt u dat ik, G. de P., een mens, ooit zou kunnen wensen het dierlijke deel van me op te geven? Nooit van mijn leven! Het geeft me een kans mij op dit gebied te uiten. Het is mijn plicht en mijn taak van dit dier een fatsoenlijk dier te maken, een menselijk dier, het zo te vermenselijken dat ik, het ego, ermee kan werken.
    De zonde zit bij ons mensen beslist niet in het lichaam en ook niet in ons dierlijke deel. Die zit in het menselijke deel, in onze emoties, in onze eigenzinnige, zelfzuchtige gedachten die het dier in ons prikkelen, die de verkeerde kant stimuleren en deze aanmoedigen dingen te doen die het lichaam meeslepen. Nee, ik wil een volledig mens, een compleet mens zijn: geest, ziel, een beheerst en veredeld dier en een menselijk lichaam. Als ik een deel van mijn wezen misbruik, zal ik van gezond, ongezond worden, van fatsoenlijk zal ik onfatsoenlijk worden, van menselijk zal ik verdierlijkt zijn geworden.
    Mensen die praten over het uitroeien van de begeerte en het uitroeien van het dier zijn voor mij alleen dom. Ze missen psychologisch inzicht. Wil een mens zijn werk in deze wereld doen, dan moet hij een compleet zevenvoudig wezen zijn. Als hij een god wil zijn, sterft hij en is hij tijdelijk een god, of een halfgod. Maar zolang hij op aarde verblijft, is het zijn plicht een volledig en compleet mens te zijn en als mens te handelen, niet als een gedegenereerd mens die wordt geleid door het dierlijke deel van hem; hij moet daarentegen het dier gebruiken als een instrument waardoor hij kan werken en zich kan manifesteren en moet de beste eigenschappen van het menselijke dier in hem tevoorschijn brengen; de trouw van een hond, de aanhankelijkheid zoals een paard die heeft, het dierlijke geheugeninstinct zoals de olifant heeft; hij moet ze gebruiken om zich daardoor menselijk te manifesteren. Dat is de manier waarop een mens moet leven en tenslotte sterven.
    Dit dier is hem toevertrouwd; het is een deel van zijn constitutie dat eens in de verre toekomst zelf een mens zal zijn. Zoals dat wat nu het geestelijke deel in ons is, de christus in ons of de boeddha in ons, in vroegere lang vervlogen tijden een mens was, maar nu door evolutie, dat wil zeggen groei van binnenuit, als een bodhisattva of een christus is geworden; evenzo streven wij mensen, het centrale deel van onze constitutie, nu ernaar of zouden ernaar moeten streven tot het deel in ons op te klimmen dat is als een bodhisattva of een christus.
    Denkt u dat een mens even beminnelijk en toegankelijk zou zijn als hij maar ten dele menselijk was, als hij maar een deel van zijn tegenwoordige constitutie bezat? Het is in onze menselijke relaties een merkwaardige en in sommige opzichten mooie paradox dat wat we het meest in elkaar liefhebben niet de nuchtere, voortreffelijke en kristalheldere deugden zijn, maar die dingen die we ondergaan als medeleven, het menselijke dat we gemeen hebben. Denk eens daarover na. Dat betekent niet dat de mooie, heilige, schitterende, zuivere en kristalheldere deugden niet het hoogste deel van ons zijn. Dat zijn ze wel. Die zijn ons doel en ideaal. We zijn bezig ons daarheen te ontwikkelen en hij die ze het meest tot ontwikkeling heeft gebracht is het edelst. Maar als ze niet over een instrument beschikken om door te werken – een ontvankelijk, begrijpend menselijk bewustzijn om mee te werken, dat op zijn beurt het dierlijke deel van ons kan inspireren en beheersen, waardoor we over de hele linie volledig menselijk worden – dan hebben we een mens die hoewel uiterlijk compleet, als gevolg van wat we tegenwoordig een minderwaardigheidscomplex noemen, op de vlucht slaat en zich afsluit voor de wereld die hij niet onder ogen durft te zien.
    De theosofische opvatting van de ideale mens is niet de verzwakte, bleke asceet die zijn plicht tegenover de mensheid en de wereld verzaakt, met als enige doel zijn eigen tussennatuur te cultiveren. Ons ideaal is de volledige, complete mens, een mens als de Boeddha, een mens als de Christus, een mens als de meesters; iemand die in het menselijke dier leeft maar het beheerst en leidt en voor zichzelf een goed instrument ervan maakt, door het in iets harmonisch en schoons te veranderen. Hij moet een complete mens zijn met zeven beginselen zoals een normaal mens is, maar elk beginsel moet actief zijn en ze moeten alle werken in een edele harmonie ter wille van het universele welzijn. Dat is het ideaal.
    Wat is het nut van zelfkastijding, van het lichaam geselen en doen uitteren of uithongeren, of de gezondheid schaden? Al deze dingen getuigen van zwakheid, van een slecht inzicht, een verkeerde opvoeding en een volslagen onjuiste psychologie. Als u bang bent voor uzelf, komt dat omdat uw menselijke deel is zoals het is, zwak, onzeker, ongeoefend, onbetrouwbaar en een gebrekkig voertuig voor het licht vanboven.
    Ook zien we het niet als een ideaal leven als iemand ter wille van persoonlijke verlossing probeert door een achterdeur nirvana te bereiken, of zich het recht ontzegt als mens in de wereld zijn plicht te doen, en zijn lichaam kastijdt en geselt en het soms doodt, in de volslagen onjuiste veronderstelling dat wat kwaad, slecht en zondig is uit het lichaam voortkomt. Het lichaam is maar een tijdelijk instrument voor het denken. Het kwaad ontstaat in het denken, door slechte gedachten. Het is volgens mij verderfelijk om wat de natuur ons allen heeft geschonken, een gezond lichaam, te misbruiken en ons best te doen het te ruïneren en ongeschikt te maken voor de taak waarvoor de natuur het heeft bestemd. De Christus deed dat niet. De Boeddha deed dat niet. De meesters doen dat niet. Alleen zelfzuchtige monniken, zogenaamde yogi’s of fakirs doen aan dat uiterlijke vertoon van deugdzaamheid tegenover de wereld, of kiezen op zijn best de weg van hathayoga om voor wereldlijke verantwoordelijkheden en plichten bespaard te blijven. Dat is niet de weg van de meesters.
    Denk echter geen moment dat ik de lof verkondig van het lichaam. Als u dat denkt heeft u totaal niet begrepen wat ik bedoel. Mijn bedoeling is juist het tegenovergestelde. De ware mens is nooit zinnelijk. Zijn ware aard is menselijk, mild, meedogend, vol medelijden, intelligent, zelfopofferend, vol sympathie en medeleven voor anderen; en omdat hijzelf ook een lager deel heeft, zijn dierlijke deel, voelt hij sympathie en mededogen, heeft hij begrip en is hij vergevensgezind voor de tekortkomingen van anderen. Maar onze blik moet altijd naar boven, naar de hemel zijn gericht; want als we de ogen naar omlaag, naar de aarde gewend houden, gaat het menselijke in het dierlijke verloren – en we kennen allemaal de verderfelijke gevolgen daarvan.
    De oude Grieken, feitelijk alle volkeren uit de oudheid, begrepen de psychologische samenstelling van de mens zeer goed – iets wat de hedendaagse psychologie opnieuw begint te ontdekken. Deze kennis van de constitutie en de aard van de mens is zo oud als de denkende mensheid zelf. Bovenaan staat het goddelijke of het geestelijke in hem, de bron van al het hogere, de bron van al het overige in hem; zijn bewustzijn daalt als een stroom vanuit de god in hem omlaag, gaat door elk deel van hem, verspreidt zijn glorie en licht tot het het laagste deel bereikt en het brein raakt. Dit is de nous, het verstandelijke deel. Dan komt het zuiver menselijke, het voertuig van het vorige, de hogere psuche, dan het psychische, de zetel van onze emoties en gewone gedachten, u en ik als gewone mensen. Daarna komt het dierlijke deel, waardoor we bepaalde functies in het leven verrichten, inderdaad zeer noodzakelijk, en dat ons ook in belangrijke mate helpt elkaar te begrijpen; feitelijk zouden we zonder dat deel ons niet op dit aardse gebied kunnen manifesteren. En dan komt het arme, ongelukkige lichaam. Het lichaam is niet meer dan een hulpmiddel, een instrument dat gehoor geeft aan de gevoelens en de gedachten die we hebben. Daar ligt de moeilijkheid, in onze gevoelens en gedachten, niet in het ongelukkige lichaam. Zonde ontstaat in het denken, in de gedachten en emoties. Als u de zonde wilt uitroeien, moet u zich tot uw zelf, het menselijke deel, wenden.
    Het gaat erom dat we de engel, het hogere deel van ons, moeten laten domineren en niet op de achtergrond moeten houden. Laat het dier het dier; laat het in zijn instinctieve onschuld, maar altijd onder controle. Laat het rein zijn. Laat eenvoudig de stroom van bovenaf, uit het menselijke, als helende dauw in de dierlijke ziel of de dierlijke geest afdalen en die verlichten en leiden, in plaats van haar te schaden, zoals tegenwoordig zo vaak gebeurt. Dan is er sprake van een goed mens, een gentleman in de oude betekenis van het woord, iemand die instinctief het goede liefheeft, begrijpt wat zelfopoffering is en die vastbesloten is zich aan die wet te houden, wat het hemzelf ook kost. Dat is de gentleman; en omdat er sprake is van de ware mens wanneer de geest in ons, het geestelijke licht, ons menselijke deel vervult en de straling doorgeeft naar omlaag, naar het dier, is dat prachtig. Dan hebben we een mens die in zijn hogere deel een held is en in zijn menselijke deel een echte leider, een ware aanvoerder van mensen, een leraar die de weg wijst en in zijn menselijke deel meevoelend, trouw, hartelijk en waarachtig is; dan zal het lichaam van al die goede dingen blijk geven.


Wind van de geest, blz. 247-53

© 2001 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag