Waar is waarheid te vinden?

 

Wat mij aantrekt is ruimheid van visie en rijkdom aan gedachten, in plaats van bekrompen, dogmatische en dweepzieke vormen van denken, waaraan het menselijk genie zich moet aanpassen om niet te worden buitengesloten. De wereld heeft dat hard nodig, geloof me, nu de Middeleeuwen schijnen terug te komen met hun onverdraagzaamheid, met steeds minder respect voor de mensenrechten en een afnemend besef van de grotere menselijke plichten van mens tegenover mens, plichten die zelfs edeler zijn dan rechten.
    Een oud Spaans spreekwoord zegt: La verdad no se casa con nadie: ‘De waarheid is met niemand getrouwd’. Men vindt waarheid overal waar het menselijke genie tot bloei is gekomen, waar de pogingen van de mens om waarheid te vinden erin slaagden althans enkele van de kosmische werkelijkheden te zien, niet alleen van buitenaf, vanuit de omgeving, maar, waag ik te zeggen, vooral van binnenuit. Want in de verborgen schuilhoeken van het menselijk hart, van de menselijke geest, kan de meest ware waarheid, de meest werkelijke werkelijkheid, worden gevonden. Waarom? Omdat deze diepste essentie van ons allen, waar de volle waarheid huist, van dezelfde essentie en substantie is als het kosmische leven, de kosmische intelligentie, de kosmische ruimte, want wij zijn inderdaad de kinderen van de Ruimte.
    In elke wereldreligie kan waarheid worden gevonden. Elk van de grote religies en filosofieën ontstond in het verleden uit de theosofische beweging van haar tijd of werd gesticht door een afgezant van de mahatma’s, die voor dat doel werd uitgezonden, om opnieuw de grondtonen van de waarheid aan te slaan die in elk mensenhart leven als dat hart niet in slaap is, om het hart van de mens wakker te maken en de snaren van harmonie te bespelen die ieder mens in zijn hart bezit, zodat er een nieuwe hoop groeit bij de mensen en ze een nieuwe visie krijgen. Ze gaan weer zien en hebben vertrouwen omdat ze innerlijk weten. De snaren van de intuïtie of van het hart zijn aangeraakt.
    Ik hoop alleen vurig dat de Theosophical Society trouw blijft aan het werk dat ons is opgedragen. Het is een zware taak, en het is aan ons en onze broeders en vrienden die in hun hart bij ons zijn, de Theosophical Society en haar werkers zo te leiden dat met het verstrijken van de jaren hoe langer hoe meer menselijke zielen tot ons zullen worden aangetrokken. Als we daarin falen is dat onze eigen schuld. Laten we ervoor zorgen dat dat niet gebeurt. Vergeet niet dat de Theosophical Society slechts één hiërarchie is die binnen een omringende sfeer, de levenskracht of levenssfeer van een andere, grotere hiërarchie werkt. We kunnen haar de hiërarchie van de zonen van het licht noemen. Het doet er niet veel toe welke naam we gebruiken. We kunnen deze hiërarchieën van de zonen van het licht aanduiden met de naam engelen, aartsengelen, krachten, vorsten en machten, cherubijnen en serafijnen, zoals de eerste christenen deden. Waar het op aankomt is de gedachte achter die woorden te vatten. We noemen hen in het algemeen dhyani-chohans, een prachtige term als ze goed wordt begrepen: heren van meditatie in wijsheid – dat is veelzeggend.
    Een volkomen onzelfzuchtige en edele aspiratie van een menselijke ziel, waar die zich ook bevindt, blijft nooit onbeantwoord. Nooit. Deze wereld wordt door geest geleid, door intelligenties zo groot dat de onze daarmee vergeleken is als het denkvermogen van een klein kind. De zinnebeeldige voorstelling van de Boeddha met de lange oren is niets anders dan een symbool van de meester die de roep hoort, uit welk deel van de wereld die ook komt. Die grote oren waarmee boeddha’s worden afgebeeld en die men in het westen dikwijls vermakelijk vindt, zijn een symbolische aanduiding dat het boeddha-deel de roep van verre hoort, waarvandaan die ook komt, en beantwoordt, altijd in stilte, behalve wanneer er zeer krachtig wordt geklopt, want dan doet het discipelschap haar intrede in het leven.
    Een van de tragedies van het westen is dat mannen en vrouwen de kennis hebben verloren dat er in de dingen van deze wereld orde heerst en geen chaos, dat achter alles leidende intelligenties staan, met een hart dat kosmisch is in zijn sympathieën. Alleen wij, die niet zo groot zijn, brengen verwarring in het beeld. Met onze opvliegendheid en onze koortsachtige begeerten brengen we disharmonie waar harmonie zou moeten heersen. Maar het is een troostvolle gedachte dat de hele natuur harmonisch is; en de manier om toegang te krijgen tot die harmonie van de natuur, die kosmische harmonie, is door in ons eigen hart harmonie te brengen. Zo moet er worden geklopt.


Wind van de geest, blz. 262-4

© 2001 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag