Altruïsme

 

Als we over altruïsme lezen of horen spreken, zijn wij mensen sterk geneigd dat te zien als iets dat ons vreemd is, dat als heel wenselijk in het menselijk leven erbij wordt gehaald, maar dat welbeschouwd heel onpraktisch is – en dat het niet tot de aard van de mens behoort van nature altruïstisch te zijn. Met andere woorden, allen zijn in de ban van de gedachte van een eigenbelang voor ieder afzonderlijk. Mist deze veronderstelling niet alle grond in de natuur? Want waarheen we de blik ook richten, wat we ook bekijken of bestuderen, steeds zien we dat iemand die alleen voor zichzelf werkt hulpeloos is. In alle grote rijken van het heelal zien we niet alleen dat gezamenlijke inspanning, samenwerking in leefgemeenschappen, de dingen zijn die niet alleen de natuur zelf tot stand probeert te brengen en die we daarom overal aantreffen, maar ook dat alles wat ingaat tegen en in strijd is met die grondregel van het heelal – eenheid in handelen – disharmonie en conflicten voortbrengt en wat we in ons eigen lichaam ziekten noemen. Gezondheid is die lichamelijke gesteldheid waarbij alle delen aan een gemeenschappelijk doel werken, in wat we vriendschap, eenheid kunnen noemen.
    Denk eens aan een steen: is dat niet een combinatie, een vereniging van individuele bestanddelen, die samen één ding vormen? Geen enkel atoom van welk scheikundig element ook waaruit een steen bestaat is de steen zelf. En hoe is het met een bloem? Hoe zit het met het lichaam waarin we wonen? Hoe is het gesteld met een individueel mens? Zou hij in zijn eentje de grote werken kunnen voortbrengen waar het menselijk genie zich voor heeft ingezet? Wat is een beschaving anders dan de gezamenlijke inspanning van mensen om grote en edele werken in het menselijk leven tot stand te brengen: het verhogen van welstand, het uitbannen van gevaar, het voortbrengen van geniale scheppingen van grote figuren die bijdragen aan ons comfort en die voor ons van nut zijn. Noem mij één voorbeeld waarbij zuiver eigenbelang iets tot stand heeft gebracht. Als wij te rade gaan bij de natuur in al haar rijken, vinden we niets dan eendrachtige samenwerking van zeer grote aantallen individuen voor een gemeenschappelijk doel. Wat is dat anders dan altruïsme? Altruïsme is het woord dat we voor dit feit gebruiken als het gaat om de ethische betekenis ervan en die betekenis verschilt in geen enkel opzicht, in het klein noch in het groot, van wat we in de stoffelijke wereld zien. Altruïsme wil zeggen dat de één werkt voor het geheel – de grondregel van de natuur in al haar grote werken – en dat het geheel de bescherming, het schild en het arbeidsveld van de één vormt. Denk eens aan de grote ethische les, de conclusie die we kunnen trekken uit dit grootste mysterie – nee, deze grootste waarheid – van het heelal; het is zo’n normaal verschijnsel dat we gewoonlijk eraan voorbijgaan zonder het te zien, met ogen die het niet waarnemen. Toon me één ding dat geheel afzonderlijk één enkel ogenblik kan blijven bestaan.
    Twee of meer atomen die zich verenigen vormen een molecule; twee of meer moleculen vormen iets groters; en de ontelbare aantallen van die verbindingen brengen het heelal voort. Iedere entiteit die probeert het onedele pad van het eigenbelang te volgen, stelt zijn nietige wil tegenover de kracht die de sterren in hun baan houdt, die gezondheid schenkt aan ons lichaam, beschavingen tot stand brengt en alle wonderen voortbrengt die ons omringen.
    Er is in dit verband één les die belangrijk genoeg is om haar aan de wereld van vandaag voor te houden en dat is de hoop. U kent het oude Griekse verhaal over iemand die erg nieuwsgierig en weetgierig was en een doos opende waaruit alle onheilen van de wereld vlogen, en waarin alleen de hoop achterbleef. Ik denk dat dit veel waarheid bevat die van praktisch belang is voor de levensproblemen. Zolang een mens hoop koestert, wanhoopt hij niet. Of die zwak is of sterk, doet er niet toe; als hij hoop heeft, iets om naar uit te kijken, als zijn innerlijke geest, zijn innerlijke geestelijke wezen, hem iets leert dat hoop geeft, zal hij niet alleen nooit wanhopen, maar zal hij een bouwer worden, een bouwmeester of medewerker van het heelal, want hij zal vooruitgaan. Dat is altruïsme.
    Wij zijn allemaal kinderen van het heelal, van de fysieke kant ervan en van de geestelijke en goddelijke kant. Daarom is er in het hart van ieder mens een onvergankelijke bron, niet alleen van inspiratie, maar ook van groei, hoop, wijsheid en liefde. Al verkeert de wereld van nu ogenschijnlijk in een hachelijke toestand en in wanhopige omstandigheden, toch zijn er nog mannen en vrouwen genoeg om de evolutiegolf van vooruitgang door de huidige beroeringen en conflicten te loodsen; want de instinctieve gevoelens van de meerderheid van de mensen zijn in wezen juist, vooral de hogere.
    Daarom zie ik in de toestand van de wereld zoals die nu is geen dingen die verschrikkelijk hopeloos zijn. Ik geloof niet alleen dat er reden is voor hoop, maar ook dat de onsterfelijke vonk van spiritualiteit, wijsheid en altruïstische liefde, die altijd in het hart van de mens leeft, de mensheid niet alleen uit zijn tegenwoordige impasse en moeilijkheden zal halen, maar ook naar zonniger tijden zal voeren; zonniger omdat ze wijzer en vriendelijker zijn. Niet de crises waarin dingen ineenstorten of schijnen ineen te storten, niet het oorverdovende lawaai van de donder of het inslaan van de bliksem beheersen de belangrijkste levensfuncties van de mens en de kosmos; maar die voor ons langzame altijd rustige, altijd opbouwende stille processen die doorgaan als we wakker zijn, die doorgaan als we slapen, die voortdurend doorgaan en die zelfs de mensheid door dwaasheid na dwaasheid naar de toekomst leidt.
    Dat is de basis voor onze hoop en volgens mij zouden alle goede en oprechte mensen zich moeten aaneensluiten ter verdediging van deze oorspronkelijke en eenvoudige waarheden, die ieder mensenhart, van volwassene of kind, kan begrijpen. Ik geloof dat het tijd wordt dat mannen en vrouwen naar de zonnige kant van de dingen gaan zien, het hoopvolle om zich heen waarnemen; zichzelf en hun kleine zorgen vergeten en in het oneindige en eeuwige gaan leven. Het is gemakkelijk, oneindig veel gemakkelijker dan ons voortdurend ziek te maken door ergernissen en zorgen. In ieder van ons is iets goddelijks waaraan we ons kunnen vasthouden en dat ons bijstaat.
    Zeg me niet dat altruïsme iets vreemds of buitenissigs is, iets ongewoons, onpraktisch en daarom onuitvoerbaar; want het is het enige dat eeuwig leeft, het enige dat eeuwig standhoudt. Wanneer één enkel element of deel van het menselijk lichaam zijn eigen weg inslaat, worden we ziek. Als één enkel element of deel van een samengestelde structuur die de ons omringende wereld helpt opbouwen, zijn eigen weg inslaat, d.w.z. egoïstisch wordt, dan zien we daar degeneratie en verval.
    Conclusie en vraag: welke van de twee moeten we volgen – het pad van de kosmische intelligentie dat ons innerlijke en uiterlijke gezondheid, innerlijke en uiterlijke vrede, inwendige en uitwendige kracht, innerlijke en uiterlijke harmonie brengt? Of de leer van een goedkoop en opzichzelfstaand eigenbelang dat het eigen voordeel zoekt ten koste van al het andere?
    Is het niet hoog tijd dat we de wereld enkele eenvoudige innerlijke leringen van de goddelijke wijsheid van de Ouden geven? Kunt u er mij één tonen die verhevener is, het menselijk intellect en de ingevingen van het geweten van de mens meer aanspreken dan de leer van het altruïsme, dat ons nauw verenigt met het kloppende hart van de kosmos, een gedachte die, als we haar in het bewustzijn van de mensen kunnen zaaien, al het werk dat de grote meesters van wijsheid sinds onheuglijke tijden voor de mensheid hebben gedaan, meer dan rechtvaardigt? Ethiek gaat boven alles!


Wind van de geest, blz. 29-32

© 2001 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag