De duivel

 

Het is heel interessant voor mij te zien hoeveel mensen belangstelling hebben voor wat sommige religies of filosofieën de ‘duivel’ noemen; dat komt denk ik voornamelijk omdat er, afgezien van dogma’s waaruit het leven is verdwenen, toch zelfs in deze exoterische leringen van de uiterlijke in plaats van de innerlijke tijd, enige waarheid bewaard is gebleven. De mens beseft innerlijk dat aan al die verschillende theologische leringen een betekenisvol feit ten grondslag ligt; en dit verklaart volgens mij waarom de christelijke kerk en de christenen zolang hebben geworsteld om de grove, antropomorfistische en werkelijk lachwekkende denkbeelden uit te bannen die zich rondom deze centrale kern van zuivere werkelijkheid hadden gegroepeerd.
    Wat is deze centrale kern? Er is in het heelal tegenwerking – dat is de belangrijkste betekenis van het Hebreeuwse woord satan, ‘tegenstander’, ‘opponent’; of van het Griekse en Latijnse woord diabolos, waarvan het Duitse Teufel, het Franse diable, het Italiaanse diavolo, het Engelse devil en het Nederlandse duivel zijn afgeleid. Deze variaties in spelling en uitspraak ten opzichte van het oorspronkelijke woord zijn bij de verschillende volkeren ontstaan; de oorspronkelijke term waarvan ze alle afstammen is, zoals gezegd, het Griekse woord diabolos, dat de ‘aanklager’ betekent, en vandaar de ‘tegenstander’. Wat is dit prachtige, filosofische en religieuze idee van een tegenstander ernstig verminkt, waardoor het een louter antropomorfe, op een mens lijkende, personificatie werd van tegenstand in de natuur – een tegenstand die in feite heel weldadig en nuttig kan zijn en ook is, of aan de andere kant een tegenstand die kwaadaardig en slecht kan zijn.
    Dat is de hoofdgedachte van de leer en vandaar dat de Hebreeërs, om een grote kosmische waarheid in woorden weer te geven, spraken over de ‘opponent’, de ‘tegenstander’; en de scherpzinnige Grieken spraken over de ‘aanklager’. Waarom? Dit wordt in de theosofie zo verklaard dat er in werkelijkheid geen kosmisch individu bestaat dat voor mensen of goden optreedt als tegenstrever of duivel; want voor ons mensen bestaat de aanklager, duivel of tegenstrever in werkelijkheid uit onze eigen zwakheden, onze fouten, kwade gedachten en lage emoties, die op een of andere dag, vroeg of laat, karmisch op ons pad verschijnen en ons tegemoet treden en ons zo, als het ware, aanklagen, ons aanwijzen als de boosdoener. Zij, onze eigen vroegere zelven, zijn nu de tegenstanders en aanklagers geworden van het tegenwoordige zelf. De eerste christenen hebben dit in de natuur en in de menselijke natuur verpersoonlijkt en spraken van de diabolos of satan, want voor hen was het iets heel wezenlijks.
    Maar zie eens hoe elke waarheid ons op een verbazingwekkende en wonderlijke manier iets moois kan leren; want, zoals uit voorgaande opmerkingen duidelijk moet blijken, wordt de duivel in werkelijkheid een heel waardevolle leermeester; we leren van de fouten uit het verleden niet alleen om ze voortaan te vermijden, maar ook om ze in de toekomst de baas te worden. De karmische tegenstander wordt dus de leermeester; als we van de fouten hebben geleerd, ze hebben overwonnen en ze de baas zijn geworden, blijken ze onze gids en leraar te zijn – vroegere struikelblokken worden als ze zijn overwonnen een springplank naar iets hogers.
    Een andere belangrijke, en daarnaast voorkomende betekenis van deze gedachte is de volgende; door de oude mystici en occultisten en door theosofen uit de oudheid werd altijd verklaard dat de naam van de leraar, van de goeroe, van de leermeester, van de verlosser, de tegenstander is. Hij staat de neofiet niet toe verder omhoog te gaan voordat deze heeft bewezen wat hij waard is; vóór hij de sleutelwoorden, de wachtwoorden heeft geleerd die in de eerste plaats zelfoverwinning en veiligheid in de toekomst betekenen. Is het niet wonderlijk hoe deze gedachte, deze grondleer, van de ene betekenis overgaat in een overeenkomstige gedachte, en toch zo moeilijk schijnt. Leraren in de oudheid werden altijd naga’s, ‘slangen’ van wijsheid genoemd. Over de tegenwerkende kracht in de natuur, hetzij goddelijk of boosaardig, werd eveneens gesproken als een naga, een slang in de Hof van Eden, of een slang van wijsheid.
    Een christelijke leer in het Nieuwe Testament, afkomstig van naar men aanneemt geïnspireerde intelligenties, zegt ons dat de slang moet worden vereerd. Hoe treffend is de opdracht ‘Weest gij daarom wijs als de slangen en onschuldig als de duiven’. Want zo zijn alle grote adepten, alle boeddha’s en christussen, zij die mededogen en medelijden voelen en bedroefd zijn over de onwetendheid van de mens.
    We leren van onze zwakheden om hogerop te klimmen. Onze zwakheden zelf worden onze leermeesters en als we eenmaal hun les hebben geleerd, is het niet meer nodig voor onderricht een beroep op hen te doen. Daarom zeggen we dan dat ze slechte leermeesters worden, omdat we met hun hulp al veel hebben geleerd en hogerop zijn gekomen. We verspillen niet alleen tijd, maar doen er verkeerd aan als we ons laten beïnvloeden door de gedachten en gevoelens, en de reacties daarop uit het verleden. Het is onze plicht tot hogere zaken over te gaan, de nieuwe tegenstrevers, de nieuwe aanklagers uit te dagen. ‘Zie, ik sta bij de deur en klop.’ Begrijpt u de gedachte? De deur gaat open. De tegenstander of opponent voor dat ogenblik zegt: ‘Wie bent u?’ Als u het juiste antwoord geeft gaat u verder; bij het verkeerde antwoord wordt de deur voor uw neus gesloten, want zo gaat het in werkelijkheid. U kunt geen stap verder en omhoog doen vóór u de wachtwoorden kent die een deel van onszelf vormen; met andere woorden, tot u de wil en het besef heeft het goede te doen. Uzelf wordt dan, op zo’n ogenblik, de tegenstander, de zogenaamde satan. U moet uzelf overwinnen, dit deel van uzelf om hogerop te gaan. Daarom leren we op de springplank van ons vroegere zelf ons nieuwe zelf te worden. Ons beste zelf is een ideaal dat vóór ons ligt, waarnaar we moeten opklimmen en waaraan we moeten bouwen. Ons tegenwoordige zelf zal op zijn tijd sterven en we zullen de geest, het goddelijke zelf van de toekomst ontmoeten en ook dat zal ons vragen: ‘Wie bent u? Geef het wachtwoord’. En het wachtwoord is kennis, wijsheid, altruïsme, de grote schat aan geestelijke ervaringen uit het verre verleden. Wees wijs als de slang, maar onschuldig en onschadelijk als de duif. Dit is een heel mooie en diepzinnige allegorie. Geen wonder dat die door het ene mensenras na het andere in verschillende delen van de wereld is overgenomen. Klim omhoog langs het dode zelf naar hogere dingen.
    Eén aspect van de duivel is ons tegenwoordige zelf, een wonderlijke gedachte. Zullen we het huidige zelf overwinnen, de tegenstander die ons verhindert omhoog te gaan omdat hij niet hoger is? Hij is maar een zelf. Doen we dat, dan hebben we het wachtwoord gegeven en klimmen we op, gaan we door de portalen van wijsheid. De tegenstander is niet langer een tiran. De inwijder onderzoekt niet langer onze geestelijke, intellectuele en morele geloofsbrieven, ons eigen zelf, onze eigen inspiratie. De duivel wordt de goddelijke vriend, de verlosser van alle mensen, de slang van wijsheid.
    Het is een prachtige allegorie, vol betekenis. Zelfs dichters uit betrekkelijk moderne tijden hebben de gedachte begrepen; ze begrepen het door herinneringen uit vroegere levens op aarde, toen het hun werd geleerd. Milton, de Engelse dichter bijvoorbeeld, beschrijft de val van Satan of Lucifer, volgens de christelijke theorie een van de hoogste engelen die ‘gevallen’ is. Dezelfde gedachte vanuit een ander gezichtspunt, een nieuw gedachtebeeld. De engel klimt omhoog binnen de hemelse sferen, na zichzelf te hebben verlost. Het zelf is de voornaamste tegenstander, van god, van de mens of van een van de ontelbare hiërarchieën van levende wezens in de menselijke natuur, voor ieder is er een tegenstander, hetzelf of hijzelf. En toch, hoe wonderlijk het ook klinkt, de natuur is zo meedogend opgebouwd, dat we door onze fouten de betere dingen leren. Uit het lelijke ontdekken we het schone. Uit overwonnen zwakheid ontstaat onze nieuwe kracht. Van het niet heilige gaan we naar het heilige. Wat eens de tegenstander, de opponent, de duivel was, wordt de verlosser, de inwijder wanneer we hem moedig het hoofd bieden en het koninkrijk der hemelen met geweld veroveren.
    Zo is het ook met ons eigen zelf. Heeft u ooit erover nagedacht dat een overwonnen fout een nieuwe kracht in uw karakter wordt; dat een verzoeking waaraan weerstand is geboden u meer macht heeft gegeven, omdat u dat deed door het uitoefenen van uw wil? Uw wil is sterker geworden. Het mededogen voor anderen is in u toegenomen. Uw visie wordt helderder, een verreikende helderziendheid. Ervaringen zetten ons aan het denken. Ervaringen doen ons groeien. Het zijn deze ervaringen die de tegenstander, de aanklager vormen.
    Alle volkeren leerden dat er tegenstand in het heelal is en dat waren mooie leringen. Maar zover ik weet hebben alleen zeer primitieve stammen en later het christendom dit kosmische beginsel ooit gepersonifieerd of vermenselijkt tot een engelachtig wezen en bij het christendom tot een demonische figuur. De essentiële gedachte is in de hele wereld dezelfde. Als we dus aan deze tegenstander denken, in welke van de vele gedaanten we hem ook tegenkomen, goddelijk of kwaadaardig van aard, het beginsel achter alle is hetzelfde. Voor ons mensen wordt het demonisch en vijandig als we uit zwakte ervoor bezwijken. We hebben de uitdaging van onze eigen ziel vergeten. Als we daarentegen onze wil gebruiken om iets te bereiken en onszelf onder handen nemen om ons te trainen, worden we sterk omdat we universeler worden. Onze visie is niet langer beperkt tot onszelf en verheft zich dienovereenkomstig tot het goddelijke. Daarom wordt over het goddelijke altijd gesproken als het goddelijke en over dat wat uiterst beperkt en bekrompen en dus zelfzuchtig is altijd als het kwaad, omdat het kleine alleen aan zichzelf denkt en de wereld tegenwerkt om een koninkrijkje van het lagere zelf te scheppen, door zijn kracht in te zetten tegen het heelal en in die mate het kwade te worden, zoals ziektekiemen in het lichaam van de mens. Als dat storende zaad is uitgebannen, wat gelukkig kan, keert de gezondheid, universele vrede, in het lichaam terug. Dat is de gedachte. Hoe universeler we worden, hoe hoger we staan. Of, om het anders te zeggen: hoe dichter we het goddelijke naderen, dat universeel is, hoe hoger we staan. Ik citeer nog eens een zeer diepzinnige christelijke gedachte, die voor mij een wonderlijke schoonheid bezit: ‘Weet u niet dat u Gods tempel bent en dat de Geest Gods in u woont?’ Daar heeft u omgang met het goddelijke, als u het door innerlijke kracht verovert, want hier, in ons, in het hart van de mens, is zijn tabernakel, zijn tempel.
    Daarin, in deze heel eenvoudige gedachten, ligt een hele kosmische filosofie; door die te bestuderen vindt u verlichting, dat wil zeggen leven, vertroosting en onbeperkte intellectuele activiteit van de hoogste orde en, niet in de laatste plaats, vrede, die innerlijke vrede die alle begrip te boven gaat, maar die u kunt leren kennen.


Wind van de geest, blz. 296-301

© 2001 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag