De oude leer van het plaatsvervangende lijden

 

De leer van het plaatsvervangende lijden, zoals christenen die nu opvatten, belemmert hen in feite de leer van wederbelichaming te aanvaarden. Maar aanvankelijk was dat niet zo; de vroegste christenen aanvaardden reïncarnatie wel. Wat is er gebeurd? Er zijn aanwijzingen dat de leer van het plaatsvervangende lijden in het oorspronkelijke christendom overheerste, maar dat zich langzamerhand een verandering voltrok in de interpretatie van deze leer, zodat men meer waarde hechtte aan de woorden dan aan de geestelijke occulte betekenis. Het gevolg was dat toen het een louter theologisch dogma werd, het een groot struikelblok was, of liever een gesloten deur, die de ware volgeling van de Christus nu en in vervlogen eeuwen verhinderde deze leer van hoop, van grote verwachting – reïncarnatie van de mens – te aanvaarden.
    De oorspronkelijke christenen in de begintijd van het christendom – die de Theosophical Society van die tijd en dat deel van de aarde vormden – wisten en werden geleerd dat ieder mens die in dit leven wordt geboren, in zijn hoogste deel een zoon van het goddelijke is – niet de fysieke mens – en dat zijn geest, zijn ziel een vonk is van het kosmische Al, een ademende levende vlam van het vuur in het hart van het Zijn. Het werd de christosgeest genoemd, wat overeenkomt met de immanente christus in de mens zoals sommige christenen deze heilige leer intuïtief begrijpen. Dat was de oorspronkelijke christelijke gedachte en die wordt nu in de theosofie geleerd, zoals ze altijd in verschillende tijden door de theosofie werd geleerd.
    Het is dus het geestelijke deel van ons, deze vlam van het goddelijke, die de onsterfelijke essentie van ons wezen is. Het is het plechtanker van ons leven, van onze groei en onze vooruitgang, van de ene belichaming tot de andere; het brengt van elk leven op aarde het geestelijke aroma over van de goede daden, mooie gedachten en edele idealen, die in hoofd en hart werden gekoesterd; het brengt dit over van het ene leven naar het andere. Dit innerlijke deel noemen we de monade. Het is de innerlijke boeddha in ons, de innerlijke christus in ons.
    Deze monade wordt dus door ons geketend, door onze zwakheden, en fouten – en ook door onze goede gedachten en daden en voert ons van het ene leven naar het andere als een geestelijke ‘reddingsplank’, zoals H.P. Blavatsky zegt, waarmee ze doelde op de innerlijke christus, die geketend is aan het kruis van de stof, ons licht, onze hoop, onze oorsprong, onze bestemming. En omdat volgens de oude leer die monade – let wel, onze eigen geestelijke essentie, de christus in ons – geketend in deze sferen voor ons lijdt en onze last voor ons draagt kunnen we, niet in theologische maar in theosofische zin, zeggen dat de monade, juist omdat ze ons geestelijke zelf is, voor ons boet en door alles heen standhoudt. Wat gebeurt is alleen plaatsvervangend in die zin dat ons goddelijke deel het gewicht of de last draagt van wat wij, het lagere deel, hebben gedacht, gevoeld en gedaan: het schenkt ons in leven na leven volmaakte rechtvaardigheid, maakt ons tot wat we zijn en tot wat we zullen worden. De leer van het plaatsvervangende lijden werd aanvankelijk op deze manier begrepen: de lichamelijke mens alleen was niets, maar de lagere, onontwikkelde, onvolmaakte kant van de mens bezat deze reddingsplank in zijn eigen goddelijke vonk, in zijn eigen immanente boeddha, zijn immanente christus, de god in hem.
    Deze oude leer zegt ons ook dat naarmate een mens van eeuw tot eeuw en in leven na leven groeit, evolueert en leert, dit werkelijk geestelijke deel van zijn wezen zich hoe langer hoe meer manifesteert en zich tot uitdrukking brengt door het denkvermogen, het lagere denken, de gewone mens. Wanneer dit op betrekkelijk volmaakte wijze gebeurt, hebben we te maken met een van de grote zieners en wijzen, een van de belichaamde godheden, een van de belichaamde boeddha’s of christussen, iemand die het goddelijke, de goddelijke natuur in zichzelf als mens tot uitdrukking brengt, die zijn individuele schakel met het goddelijke is, een belichaamde christus of een belichaamde boeddha.
    Het is niettemin volkomen juist dat, toen in het christendom deze innerlijke betekenis van de immanente christus uit het oog werd verloren, de woorden van de leer de plaats innamen van de occulte betekenis: men vergat de leer dat de mens zelf de innerlijke christus, een zoon van het goddelijke is en dat, door als een christus te denken, te voelen en te leven, het zijn hoogste voorrecht en plicht is deze innerlijke godheid van leven tot leven steeds meer tot uitdrukking te brengen, te groeien van menszijn tot mahatmaschap, tot meesterschap, tot tenslotte het doel is bereikt en we kunnen uitroepen: ‘O mijn God, hoe verheerlijkt U mij!’ – de juiste vertaling van de Hebreeuwse woorden die Jezus aan het kruis zou hebben gesproken: ’Eli, ’ehli, lamah shabahhtani. De woorden zijn in de evangeliën verkeerd vertaald, want ‘verlaten’ of ‘in de steek laten’ is in het Hebreeuws azab; en ‘verheerlijken’ of ‘vervolmaken’ is shabahh; en het woord in de evangeliën is shabahhtani, ‘U verheerlijkt mij’, ‘U maakt mij volmaakt’.
    Het was de christus in de mens die sprak; dit is ook geen christus buiten ons, behalve in die zin dat de christus in de mens een vonk is van de kosmische christus. De boeddha in de mens is de vertegenwoordiger, als een individuele vonk of straal, van de kosmische boeddha, de adi-boeddha – welke term u ook wilt gebruiken.
    Zo komt het dat een van de mooiste, helpende en troostrijke leringen van het oorspronkelijke christendom een onlogisch, theologisch dogma is geworden – een lege vorm waaruit de geestelijke betekenis van de woorden is verdwenen.


Wind van de geest, blz. 308-10

© 2001 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag