De verborgen oorzaak van menselijke conflicten

 

De verborgen oorzaak van conflicten, niet alleen tussen mensen maar zelfs in het heelal, ligt in de vele graden van onwetendheid, zelfzucht en het gebrek aan altruïsme – misschien het edelste gevoel dat in het hart van de mens kan opwellen. Alleen door altruïsme, door aan anderen te denken, anderen de voorrang te geven boven onszelf, vergeten we onszelf en door te vergeten raken we de pijn en zorgen kwijt en de kleine vreugden waaraan we zo gehecht zijn en die we ons ‘ik’ noemen.
    Ziet u niet dat de enige weg naar wijsheid, universele vrede en volkomen geluk hierin ligt dat u het geheel boven het onbetekenende plaatst, de velen boven uzelf, en dus leeft in het universele leven in plaats van alleen in uw eigen kleine leef- en denkwereld? Daarin ligt het hele geheim en juist dat geheim is de wereld in deze tijd vergeten. Ze is vergeten dat grootsheid, vrede en geluk besloten liggen in zelfvergetelheid; dat ons gebrek aan vrede en ons ongeluk ontstaan doordat we ons vastklampen aan kleine onbeduidende dingen en zorgen; want die zorgen en haatgevoelens knagen aan de vezels van ons innerlijke wezen; dan lijden we, zijn we gekwetst, heffen onze ogen omhoog naar de godheid of naar de goden en roepen uit: ‘Waarom overkomt mij dit? Wat heb ik gedaan? Wat hebben wij gedaan?’ Toch zou enige kennis van de geestelijke wetten en de natuurwetten ons moeten leren dat alles wat gebeurt in het groot en in het klein – want het kleine ligt in het grote besloten – plaatsvindt overeenkomstig de goddelijke wet, en dat ellende en verdriet, tweedracht, narigheid en armoede en de hele reeks tegenslagen die daarbij horen, voortkomen uit het feit dat de mens de kosmische wet niet gehoorzaamt. Zo eenvoudig is het.
    Het verloren woord in de moderne beschaving is universele broederschap die we als feit in de natuur uit het oog hebben verloren; en het gaat dan niet om een louter sentimentele of politieke broederschap; het betekent dat wij allen één gemeenschappelijke kosmische of geestelijke oorsprong hebben en dat wat de een treft, iedereen treft en dat daarom de belangen van de enkeling onbetekenend zijn vergeleken met de belangen van de grote massa. Maar vergeet niet dat de massa uit eenheden bestaat, zodat men zelfs tegenover een enkeling niet onrechtvaardig of wreed kan zijn zonder het geheel te schaden. Dit zijn eenvoudige wetten die sinds onheuglijke tijden in het bewustzijn van de mensheid zijn gehamerd, in een tijd die zover aan de onze voorafgaat dat er zelfs nog geen sprake was van wat we nu de eeuwige bergen noemen, want die sluimerden nog in het slib van het Archeozoïcum.
    Dat verloren woord, deze vergeten waarheid, het uit het oog verliezen van menselijke broederschap, kan nog op een andere manier worden weergegeven: het verloren gaan van de overtuiging dat de natuur in essentie geestelijk is en daarom door wetten wordt geregeerd, en dus vergoeding voor verdienstelijk en vergelding voor afkeurenswaardig gedrag kent; en dat deze twee, compensatie en vergelding, even onfeilbaar werken als die kosmische wet zelf, want ze zijn daarvan slechts de uitdrukking. Als een mens deze wonderlijke en toch zo eenvoudige gedachten tot zijn bewustzijn laat doordringen, zodat ze een deel gaan vormen van het weefsel van zijn wezen en van zijn gevoel, zal hij een ander nooit meer opzettelijk willen kwetsen. Hij kan dat niet. Zijn aard is niet langer zo. Hij heeft zich uit het slijk omhooggewerkt en heeft het gouden zonlicht gezien. Hij begrijpt dat alles in essentie één is, dat alle wezens één zijn en dat een deel even belangrijk is als het geheel en het geheel even belangrijk als het deel; dat de eenheid als deel van het geheel oneindig veel belangrijker is dan de eenheid op zich. Als de eenheden zelf zo denken, wordt de heersende kosmische harmonie tot in de oneindigheid instandgehouden.
    Wat we zijn kwijtgeraakt is de overtuiging dat we compensatie of vergelding krijgen voor onze gedachten en gevoelens; dat we onvermijdelijk het goede ontvangen als we het goede zaaien en juist handelen, denken en voelen, en zaden van gerechtigheid en eer en oprechtheid en fatsoen zaaien in ons gedrag tegenover alle andere mensen – alle anderen, niet alleen ‘mijn’ vrienden – allen. Want de kosmos is een eenheid en kent geen afdelingen of menselijke afscheidingen. Dit hebben we uit het oog verloren. Hierin falen we. Daarin ligt de oorzaak van elk menselijk conflict.
    Deze gedachte roept echter – omdat de moderne beschaving zo ingewikkeld is en om geen andere reden – een verbijsterend aantal lastige vragen op. Maar ieder mens die het hart op de juiste plaats draagt, kan zulke problemen oplossen omdat hij wordt verlicht door de god in hem, als hij zijn hart laat spreken. Dan is zijn oordeel praktisch onfeilbaar. En als ik het hart zeg bedoel ik niet de emoties; ik bedoel het menselijke instinct voor oprechte gevoelens van eer, voor innerlijke morele en geestelijke zuiverheid. Het is een feit dat wij westerlingen veel te lang laf zijn geweest en altijd de schuld bij iemand anders hebben willen leggen. Daarom hebben we een puur verzinsel opgebouwd en spreken erover als Christus Jezus, en op zijn schouders rusten al onze zonden; en uiteindelijk worden we schoongewassen in het bloed van het lam, als we maar daarin geloven. Maar hoe staat het met hen die door mijn wandaden hebben geleden? Helpt het hen als ik word gered? Hoe is het gesteld met hen die ik in mijn domme onwetende en slechte verleden misschien een duw omlaag heb gegeven in plaats van hen broederlijk omhoog te helpen? Hoe staat het met hen? Ziet u niet dat die gedachten volkomen tegengesteld zijn aan een kosmische filosofie? Ziet u niet dat dit geheel onjuist is? Dat het niet zo belangrijk is wat de enkeling overkomt; belangrijker is wat alle anderen overkomt, de eeuwig zwoegende, hopende, werkende, lijdende menigten. Dat is belangrijk en elke verzwakte eenheid weet en voelt dat.
    Die onvermijdelijkheid van vergelding of liefdevolle vergoeding noemen we de leer van de gevolgen, de leer van karma: wat men zaait zal men oogsten, nu of later, en daar is geen ontkomen aan. Als het om de gewone dingen in het leven gaat, weten we dat heel goed. Daarvoor zijn geen bewijzen nodig. Als u uw hand in een vlam steekt of een onder stroom staande draad aanraakt, zal het vuur niet nalaten u te branden omdat u dom en onwetend bent, en de elektrische stroom zal er niet van afzien u misschien te doden omdat u de wetten van de elektriciteit niet kent.
    Gelukkig zit er een andere, mooie kant aan. Onze beste leermeester, de grootste vriend die we hebben, is ons verdriet. Wat maakt het hart van een mens mild, zodat hij het lijden van anderen begrijpt en met hen meevoelt? Sympathie, medeleven. We groeien wanneer we zelf lijden. Niets maakt het hart zo mild als het eigen leed. Een vreemde en mooie paradox, want het maakt tevens ons karakter sterk. Het geeft ons meer kracht. Iemand die nooit heeft geleden heeft geen gevoel en is eigenlijk een heel ‘ingewikkeld’ mens – hij is ‘in zichzelf gekeerd’.
    Wie is een edel mens? Hij die nooit heeft geleden of hij die door lijden kracht heeft gekregen, innerlijke kracht, visie, die weet wat lijden is en omdat hij zich dat herinnert, anderen nooit zal doen lijden? In hem begint het hart te ontwaken. Het bewustzijn staat weer open voor deze eenvoudige kosmische waarheden.
    U ziet dus hoe wonderlijk het heelal in elkaar zit: al zijn we dom en onwetend en missen we misschien de edelste gevoelens die voor mensen mogelijk zijn, zoals altruïsme, liefde en medeleven, toch leren we juist door ons lijden, onze domheden en onwetendheid de betere weg kennen, en in dit proces groeien we met iedere stap en worden we edelmoediger. Op deze langzame, heilzame en pijnlijke evolutiereis komen we na lange tijd op een punt dat we tegen onszelf zeggen: dat niet meer; zo is het genoeg. Voortaan neem ik mijn lot in eigen hand en geef ik in mijn leven zelf richting aan mijn evolutie. Ik kies nu mijn eigen weg. Er is niets dat mijn wil in de ene of de andere richting stuurt. Daar is het doel en het is een kosmisch doel. Ik ben niet langer de slaaf van meedogenloze omstandigheden. Van nu af aan bepaal ik mijn eigen weg. Ik kies mijn eigen lot. Ik heb de Wet begrepen.
    Het is een vreemde paradox dat, als de ziel eenmaal begint te ontwaken en de ogen zich openen, degene die ernstig probeert zijn taak te vervullen, zijn plicht in het leven te doen en moedig als een eerlijk mens te leven, als gevolg van de zeer ingewikkelde en volgens mij rampzalige toestand waarin de wereld nu verkeert, duizendmaal meer moeilijkheden ondervindt dan iemand die zijn gewone gangetje gaat omdat hij, zoals de dieren, te dom is om na te denken. Maar zou u een menselijk dier willen zijn, dat niet denkt, niet overweegt, niet het goddelijke gevoel heeft zijn eigen levensweg te kiezen?
    Ik ben ervan overtuigd dat conflicten tussen mensen zouden ophouden, zelfs vrij snel, als we allemaal onze persoonlijke verantwoordelijkheid tegenover onze medemensen beseften. Ik denk dat er één regel is die in de hele structuur van het menselijk leven van kracht is, van hoog tot laag: ons saamhorigheidsgevoel als eenheden in een menselijke hiërarchie, zodat wat de een treft allen treft, ten goede of ten kwade.
    Ik vraag me vaak af hoeveel mensen aan deze dingen denken in de stille uren van de nacht, of als ze piekeren en zich zorgen maken over de weg die ze moeten volgen en niet durven volgen omdat de grote massa dat niet doet. De massa volgt graag de weg die ze ‘verstandig egoïsme’ noemt. Ik kan me niet iets voorstellen dat duivelser of satanischer is dan de gedachte die achter die woorden schuilgaat. Het is een opzettelijke belemmering van iedere edele intuïtie van de menselijke ziel. Stel uzelf eens deze vraag: Doen zij iets omdat het mooi, goed en juist is en omdat het iedereen geluk, veiligheid en vrede brengt? Nee, deze voorstanders van verstandig egoïsme zeggen: ‘Als ik het doe, zal het uiteindelijk goed zijn voor mij en de mijnen.’ Stel nu eens dat mensen in verschillende delen van de wereld dat evangelie volgden, wat zouden we dan te zien krijgen? Wat we nu zien. En aan alles kan een eind worden gemaakt, aan elk conflict tussen mensen. Let wel, ik bedoel niet een einde maken aan het hebben van meningsverschillen, wat een van de mooiste dingen van ons mensen is. Meningsverschillen brengen geur en kleur aan het leven, geven het charme en schoonheid als ze eerlijk en hoffelijk en altruïstisch naar voren worden gebracht. De Fransen hebben een mooi spreekwoord: Du choc des idées jaillit la lumière, ‘uit de botsing van ideeën ontspringt het licht’. Op dat beginsel berusten congressen, parlementen, vergaderingen en reünies van mensen: ideeën uitwisselen en de beste uitkiezen.
    Ik heb het dus niet over verschillen in opvattingen. Die zijn er natuurlijk. Ik bedoel conflicten, haatgevoelens, gebrek aan eerbied voor de ander, in hem niet iets kunnen zien dat even mooi is als wat hij in u kan zien. Heeft u ooit de eenvoudige regel beproefd een ander met wie u praat in de ogen te zien; niet om te proberen uw opvatting in zijn hoofd te hameren, zoals we allemaal doen; niet om te proberen hem te overtuigen en hem te doen denken zoals u; maar alleen die persoon in de ogen te zien. Weet u dat u daarin wonderen kunt zien, een wereld van nog onbekende, ongeopenbaarde schoonheid. Als u hem de kans geeft, zal die mens zijn hele ziel voor u willen openstellen. Maar hij kan natuurlijk even bang voor u zijn als u voor hem; en even bang om openhartig met u te spreken.
    Ik verzeker u dat als de mensen elkaar vertrouwden en van elkaar een fatsoenlijke behandeling verwachtten, zij die zouden krijgen. Ik heb nog nooit meegemaakt dat dat niet lukte. Ik zeg u eerlijk dat mijn vertrouwen nog nooit is beschaamd; want ik schonk altijd mijn volle vertrouwen dat een beroep deed op de ander. Het werkt en het is het beginsel waarop het moderne zakenleven berust, de hoogste vorm ervan: wederzijds vertrouwen, wederzijds respect en als men die dingen niet in praktijk brengt, wordt men algauw op de vingers getikt.
    Nu heb ik inderdaad horen zeggen dat het voor de mensheid goed is steeds in een conflictsituatie te verkeren, omdat dat de mensen sterk maakt. Ik hoor wel eens wat over boksers, maar ik heb er nog nooit een gekend die uitblonk door genialiteit of omdat hij de wereld met zijn verstand in vuur en vlam zette, of het lot of de loop van de geschiedenis veranderde. Dikhuidige mensen hebben hun verdienste, maar zijn niet bepaald het type dat we zoeken als we iemand moeilijke, subtiele, ingewikkelde onderhandelingen willen laten voeren. Dan hebben we iemand nodig die niet alleen verstand heeft, maar ook een hart, omdat iemand met hersens maar zonder hart een ander niet kan begrijpen die misschien een iets gevoeliger hart bezit waardoor hij een groot overwicht heeft op de harteloze mens. De man zonder hart is psychisch maar half gevormd; hij verkeert zeer in het nadeel. De ander zal hem de loef afsteken. Als hoofd en hart samenwerken hebben we een volledige mens, omdat zowel de melodie van het hart als de filosofie van het denken worden begrepen.
    Moeten we die eindeloze conflicten voortzetten? Ik denk dat ze zullen verdwijnen. Ik denk dat schoonheid en eerbied zelfs nu al in zicht zijn. We moeten beginnen bij onszelf: ik bij mijzelf en u bij uzelf.


Wind van de geest, blz. 39-45

© 2001 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag