Voorwoord

 

‘De wind van de geest die voor ons menselijke gevoel onstuimig, koud en snijdend over de aarde schijnt te waaien, is toch de wind van de geest’ – dit is het thema van een toespraak die Gottfried de Purucker in 1940 heeft gehouden en die wordt gebruikt als de titel van dit boek en van het eerste hoofdstuk ervan. Hij spoort ons aan door de uiterlijke schijn heen te dringen en achter het tijdelijke het eeuwige te zien, want in en achter de onrust van deze tijd ligt ‘kracht, geestelijke kracht’.
      Ruim een halve eeuw geleden werden deze woorden gesproken en in die tijd heeft de wind van het lot hard gewaaid, soms met stormkracht. Geen volk of ras, geen enkel mens, ook moeder aarde zelf niet met haar groepen levende wezens, bleef door de karmische veranderingen onberoerd. Maar toch komt uit het leed en de ontwrichting duidelijk een nieuwe wereldbeschouwing naar voren en een nieuw en dieper inzicht in de rol van de mensheid in het kosmische drama. Ondanks het feit dat het egoïsme in subtiele en grove vormen nog altijd overheerst, neemt het altruïsme toe naarmate geestelijk gerichte impulsen aan kracht winnen.
      Tijdens zijn leiderschap van de Theosophical Society (1929-1942) heeft dr. De Purucker zowel in Europa als in de Verenigde Staten talrijke lezingen gehouden over de vele aspecten van de theosofie en die lezingen vormen de basis van zijn grotere werken. Wind van de Geest is anders. In deze schijnbaar willekeurige verzameling commentaren, die spontaan in openbare en besloten bijeenkomsten werden gegeven of zijn ontleend aan brieven en mededelingen aan studenten, ontdekken we opnieuw hoe praktisch de theosofie is. Natuurlijk is het boek ook bijzonder leerzaam – dat kan ook haast niet anders want hij bezat een grote kennis van het geestelijke en literaire erfdeel van de wereld; maar het is vooral aantrekkelijk door de heldere en directe wijze waarop De Purucker ingaat op de diepere verlangens van de mens: terwijl hij steeds vol meedogend begrip is voor menselijke zwakheden, daagt hij ieder van ons telkens weer uit om het edelste naar buiten te brengen. Het is dan ook begrijpelijk dat toen Wind of the Spirit in 1944, binnen twee jaar na de dood van de schrijver, voor het eerst verscheen, het boek onmiddellijk erg geliefd was.
      In deze uitgave zijn de acht lezingen, die deel uitmaakten van de eerste editie, weggelaten omdat de schrijver de stof daarvan elders uitvoerig heeft behandeld. Overigens is de tekst, behalve op enkele ondergeschikte punten, onveranderd om het levendige karakter van het gesproken woord te handhaven; een index en een verklarende woordenlijst van filosofische termen zijn toegevoegd, beide het werk van Ingrid Van Mater.
      De Wind van de Geest eindigt met de toespraak die dr. De Purucker een week voor hij overleed heeft gehouden: ‘Aham asmi parabrahma’ – ik ben parabrahma, het grenzeloze. Dat was de alfa en omega van zijn opdracht als leraar: ons er telkens opnieuw aan te herinneren dat zich in de kern van ieder mens, ja van ieder atoom in de kosmos, een levende godheid bevindt. ‘Stel u eens voor dat iedere man en vrouw op aarde volkomen overtuigd was van de absolute werkelijkheid van deze kosmische waarheid! Nooit zou iemand meer een hand opheffen tegen een medemens. De uitgestrekte hand zou er altijd een zijn van steun en broederschap. Want ik ben mijn broeder – in ons diepste innerlijk zijn we één.’

Grace F. Knoche
21 Juni 1984
Pasadena, Californië


Wind van de geest, blz. xi-xii

© 2001 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag